Geen kabinet kan zonder sociale partners

Er zijn mensen waarop je niet boos moet worden. Eduard Bomhoff is een van die mensen. Onvermoeibaar en gedreven trekt hij ten strijde tegen alle onrecht en al het onbenul: tegen nominale ombuigingen, tegen stroperigheid, het Grote Onvermogen, de CAO's en de wollen dekens van het corporatisme. Hij overdrijft, hij overtrekt, hij boetseert aan de karikaturen van de verzorgingsstaat. Van column tot column jaagt hij zijn beeldenstorm voort. Een eeuwig gevecht tegen onheil en overleg.

In NRC Handelsblad van 20 september stelt Eduard Bomhoff: “Geheel voorbijziend aan het feit dat de paarse coalitie het resultaat is van een eerlijke verkiezing op 3 mei, huilt Quené dat regering en parlement geen beleid mogen voeren waar zijn collectie lobbyisten het niet mee eens is. Nergens in zijn artikel heeft Quené concrete bezwaren tegen enig plan van het paarse kabinet, maar hij eist een veto voor zijn SER op het totale sociaal-economische beleid. Een vorm van corporatisme waar je als democraat van moet gruwen.”

De werkelijkheid is te vinden in mijn column in Economisch Statistische Berichten (ESB) van 31 augustus 1994. Daarin heb ik geschreven dat het kabinet zijn sporen zal moeten verdienen, zijn eigen draagvlak moet maken: politiek in de Kamer, bestuurlijk en maatschappelijk in de verhouding met sociale partners en de burgers. Het nieuwe kabinet zal ook op zoek moeten naar een eigen verhouding met het maatschappelijk middenveld: het 'binnenwerk van de samenleving' (Van Mierlo). De herijking van de sociale zekerheid en de veronderstelde loonmatiging vragen om een dialoog: geen pretentieus sociaal contract, maar uitwisseling van inzichten en afstemming van mogelijkheden voor beleid. In het regeerakkoord ontbreekt ook aandacht voor een aantal zaken die van belang zijn voor de ontwikkeling van de Nederlandse economie en onze concurrentiepositie. Ik denk daarbij aan de versterking van de industriële basis, investeren in fysieke infrastructuur, extra aandacht voor technologierelevante opleidingen en investeren in kennis.

In de veranderende arbeidsverhoudingen moet de winst van centraal overleg vooral gezocht worden in klimaatbeïnvloeding. Daarin schuilt in de eerste plaats de mogelijkheid een draagvlak te creëren. Het is daarom van groot belang dat het nieuwe kabinet regelmatig overlegt met de sociale partners over hoe het er voor staat met de Nederlandse economie, en hoe het verder moet. Als dan de inzichten leiden tot gemeenschappelijke actie met uitzicht op praktische resultaten, dan is er wat mij betreft sprake van tastbare winst. Maar het succes van het overleg hoeft niet per se daarin gezocht te worden. Het woord is aan de politiek om de dialoog te openen. En laat het geen dialoog tussen doven zijn! Het is te hopen dat de Tweede Kamer - anders dan in het verleden vaak gebeurde - zich minder bindt aan afspraken in het 'torentje' en haar dualistische rol beter waarmaakt. Laat het kennen van de eigen rol zich ook uitstrekken over regering en parlement.

Karikaturen en werkelijkheid zijn nu te vergelijken. Het is maar for the record. Omdat ik er aan hecht dat deze karikatuur niet voor de werkelijkheid wordt gehouden. Daarvoor is de parlementaire democratie mij te lief.