Filmer Paul Cox: Inhalig Hollywood helpt film om zeep

UTRECHT, 26 SEPT. Ongetwijfeld mede dank zij de galmende akoestiek van de Pieterskerk, had de achtste Cinema Militans-lezing die gisteren gehouden werd door de Australische filmer Paul Cox een bijna apodictisch karakter. “Let us pray” zei Cox regelmatig spottend, maar die ironie maakte zijn visie op de stand van de cinema niet minder somber. De kernvraag die hij zichzelf bij herhaling stelde, was of de cinema stervende is en het bevestigende antwoord klonk steeds stelliger. De mafia die de lakens uitdeelt in de filmwereld (lees en hoor: Hollywood) is het uitsluitend om geld begonnen; spiritualiteit en geloof zijn 'bewust' vervangen door inhaligheid en haat, die de film, 'de machtigste uitvinding van onze tijd', uiteindelijk om zeep zullen helpen.

Cox illustreerde de strekking van zijn betoog met het succes van een schiet-en-moord-film als Die Hard, waarmee hij de verontrustende statistieken van geweldsdelicten in verband bracht. Hij zei niet te geloven dat het vertoon van geweld mensen gewelddadiger maakt, maar het zorgt er volgens hem wel voor dat mensen het geweld van anderen makkelijker accepteren. Hij onderbouwde die stelling onder meer met het verhaal van een in zijn been geschoten jongetje dat zich verbaasde over de pijn die hij voelde: in films gaan aangeschoten personages altijd door alsof er niets aan de hand is. Hij memoreerde in dat verband dat in Amerika iedere 36 minuten een kind gedood of gewond wordt door kogels - en dat iedere drie seconden 'ergens op deze planeet' er een kind 'heel stilletjes' doodgaat van de honger.

Het is dit soort retorische opeenstapeling van feiten die Cox' betoog zwak maakte in plaats van versterkte. Zijn antwoord op zijn op zichzelf sympathieke vragen waren zelfs af en toe obscurantistisch. Het 'innerlijk' wordt volgens hem 'totaal genegeerd', film is verworden tot 'een produkt voor een marktsegment'. En dat komt doordat “we God vermoord hebben en vervangen door onszelf” en “geen enkele beschaving kan overleven zonder geloof”. Het gladde ijs van zijn beweringen werd ook nog eens flinterdun door de tweede helft van zijn lezing die hij wijdde aan de moeilijkheden die hij bij de produktie van zijn eigen films ondervond. Zijn films (A woman's tale, Vincent, the life and death of Vincent van Gogh) bevatten 'geen helden, moorden, snelle auto's en special effects', en het gevolg is dat producenten zich er niet aan wagen. Dat is ongetwijfeld waar, maar zelfs Cox' luchtige toon op dat moment kon niet verhinderen dat hij verbitterd klonk in plaats van bespiegelend.

'Best of the fests', het nieuwe onderdeel van Het Nederlands Film Festival dat bekroonde Europese films bevat, maakt trouwens duidelijk, dat het ook kan meevallen. De tot nu toe vertoonde films uit Ierland, Zweden, Hongarije en Turkije beantwoorden geen van alle aan de door Cox gesignaleerde tendens en gaan juist over 'het innerlijke'. Opvallend is dat in drie films kinderen de hoofdrol spelen - wat alleen van de Ierse inzending, Into the West van regisseur Mike Newell, een kinderfilm maakt. Dat is geen probleem, maar het verhaal - over een arm jongetje dat zijn paard redt uit handen van een speculant, een paard dat de reïncarnatie van zijn gestorven moeder blijkt te zijn - wordt op een al te wijdlopige manier verteld.

De Hongaarse zwart-wit film Child Murders van Ildikó Szabó is evenals de Turkse inzending An Autumn Story mooi van sfeer, maar de aardigste film is toch de Zweedse, My great big daddy, van regisseur Kjell-Ake Anderson. Hij gaat over de liefdevolle relatie van een jongetje met zijn drankzuchtige vader, verteld in felle kleurige beelden. Daardoor lijkt alles glashelder, maar Anderson permitteert zich de meest bizarre bokkesprongen in de uitwerking van zijn karakters - zonder dat het stoort. Integendeel, hij laat tal van vragen onbeantwoord, maar hij stelt die op zo'n geestige manier, dat hij intrigeert in plaats van irriteert.