Verbinding met boven; Satellieten bieden de Derde Wereld aansluiting op de electronische snelweg

Het uitwisselen van informatie wordt steeds belangrijker, ook voor de Derde Wereld. Maar verreweg de meeste bewoners van de aardbol hebben geen aansluiting op het telefoonnet, laat staan op de elektronische snelweg. Voor rurale gebieden van ontwikkelingslanden bieden satellieten vaak de beste oplossing. Over de ontsluiting van de wereld van bovenaf.

Een arts in een afgelegen ziekenhuis in Indonesië maakt een röntgenopname van een gecompliceerde breuk, stopt die in een scanner en verzendt de foto als digitale file naar een specialist in Canada. Een half uur later heeft hij de tekst van een behandelingsadvies op zijn computerscherm. Of een manager op een van de grote varkensfokkerijen waaraan de perifere delen van de Filippijnen rijk zijn, logt zijn computer per satelliet in op een database in Manila, en weet in een oogwenk hoe het met de marktprijzen gesteld is, waar hij het voordeligst veevoer kan inslaan en welke wegen hij op dat moment per vrachtauto kan berijden.

Het zijn twee voorbeelden uit de praktijk, en er zijn er nog duizenden. Voor de Derde Wereld zijn satellieten voor de communicatie met het buitenland, maar ook met het eigen binnenland, van levensbelang. Terwijl pakweg tweederde van de aarde voorlopig niet met kabels, cellulaire netwerken of straalzenders ontsloten zal worden, is iedere plek nu al via een satelliet bereikbaar: van bovenaf kan je er goed bij komen. “Satellietverbindingen zijn onafhankelijk van afstand en snel te realiseren”, zegt Rogati Kayani uit Tanzania, senior telecommunications engineer bij de World Bank in Washington. “Behalve grondstations is er geen infrastructuur voor nodig en er is voldoende satellietcapaciteit beschikbaar.”

Volgens Kayani was westerse hulp aan ontwikkelingslanden lange tijd alleen gericht op zaken als wegen, water, landbouwvoorzieningen en scholing. Telecommunicatie werd beschouwd als luxe. “Nu begint eindelijk het besef door te breken, ook bij de Wereldbank, dat telecom de motor is van economische ontwikkeling. Informatie is een van de belangrijkste produktiemiddelen geworden. En voor het transport van informatie is een goed telecommunicatienetwerk essentieel.”

Hoe kunnen de derde wereld en grote delen van de tweede, in bezit komen van de telecommunicatie infrastructuur die hun economie vaart kan geven en die - bijzaak of niet - aansluiting geeft op de dichte, snelle netwerken van het westen?

Kayani beaamt dat het antwoord grotendeels is te vinden op 35.786 kilometer boven de evenaar. Daar draaien in een baan om de aarde, met dezelfde snelheid als de aarde zelf, de zogenaamde geostationaire satellieten. Signalen die vanaf een schotelantenne naar een dergelijke satelliet worden gestuurd, kunnen met grote snelheid worden doorgestuurd naar een ander deel van de aarde, en zie: midden in het Amazonebekken of de Sahara ben je aangesloten op het internationale telefoonnet, kun je - via Internet bijvoorbeeld - computerfiles uitwisselen met de rest van de aangesloten wereld. “De electronische snelweg blijkt inderdaad snel, is bovendien goedkoop en milieuvriendelijk en brengt contacten over de hele wereld binnen handbereik”, aldus een artikel in het oktobernummer van Onze Wereld.

De Wereldbank onderkent het belang van de satellietcommunicatie, maar stelt wel voorwaarden bij zijn steun aan projecten op het gebied van de telecommunicatie. “Voordat we geld geven, eisen we steeds dat de macro-economische situatie in een land op orde is. Daarmee zijn wij op economisch niveau bezig, en het Internationale Monetaire Fonds op financieel niveau. Dat geldt in het bijzonder voor hulp bij telecommunicatie. Voor de Wereldbank is privatisering van de telecomsector de allereerste voorwaarde.”

De reden daarvoor is zeer pragmatisch, verklaart Kayani. De telecommunicatie-infrastructuur is in veel ontwikkelingslanden allerbelabberdst. Zelfs China en India, zeker niet de minst ontwikkelde landen, hebben minder dan één telefoonaansluiting per honderd inwoners, en de betrouwbaarheid is niet om over naar huis te bellen. “De bank heeft in de verste verte de middelen niet om daar echt iets aan te doen”, stelt Kayani. “Alleen een vrije kapitaalsinstroom en vrij ondernemerschap bieden hoop. Op dat punt is de bank de laatste jaren omgegaan. Tot midden jaren tachtig investeerden we wel direct in kabels, straalzenders, en grondstations voor satellietverbindingen. Maar het haalde weinig uit, relatief al helemaal niet omdat de vraag naar telecommunicatie zo toenam. Nu concentreren we onze hulp op hervorming, op het openbreken van de staatsmonopolies.”

Hoewel satellietcommunicatie ideaal is voor rurale gebieden, zijn de kosten vaak een bezwaar. Niet alleen het apparatuur is duur, bovendien moet die verbinding toch weer worden uitgebreid met conventionelere middelen om een netwerk te krijgen.

Toch biedt de combinatie van satellietverbindingen en netwerken op aarde grote mogelijkheden voor de derde wereld, aldus Kayani. “Je ziet nu in de hele derde wereld de opkomst van cellulaire telefonie in stedelijke gebieden. Dat is typisch een ontwikkeling die volgt op het privatiseren van de telecomsector. In Nigeria bestaat het al, in Tanzania en Kenia zit het eraan te komen en Oeganda heeft ook plannen. Maar op het platteland wegen de inkomsten natuurlijk niet op tegen de investeringen, en dus zijn die stedelijke cellulaire netwerken veelal geïsoleerd van elkaar. De bekabeling van vóór de privatisering is slecht, en kan het volume niet aan. Nieuwe kabels kosten teveel geld en tijd, vooral op de lange afstand. Wat ik nu voorzie voor de komende tijd, is dat de ondernemingen die cellulaire netwerken bouwen en exploiteren, satellieten gaan gebruiken voor de verbindingen tussen de afzonderlijke netwerken.”

Voor hun internationale telefoonverbindingen maken vrijwel alle derde wereldlanden al lang gebruik van satellieten. Daarnaast hebben tientallen landen binnenlandse satellietverbindingen tussen hun grote steden. Daar staan grondstations met schotelantennes tot achttien meter doorsnee - en vandaar gaat het meestal weer verder via kabels. Kayani: “In de meeste ontwikkelingslanden zijn de internationale verbindingen daardoor veel beter dat de lokale. Vanuit mijn eigen land kan je makkelijker met New York bellen dan met het platteland.”

In een klein, superdicht bekabeld en bestraalzenderd land als Nederland is satellietcommunicatie van vrij weinig nut. Dat werkt door in onze visie op ontwikkelingssamenwerking. Mijn verzoek voor een onderhoud over satellietcommunicatie kon het ministerie niet honoreren: niemand hield zich ermee bezig.

Lidstaten

De communicatiesatellieten van tegenwoordig zijn extreem kostbaar en verbazingwekkend groot. De grootste is een cilindervormig geheel ter hoogte van vier etages dat 120.000 telefoongesprekken tegelijk kan verwerken. Het is de Intelsat VI, waarvan er nu vijf in banen hoog om de aarde draaien. Een replica op de helft van de ware grootte past inclusief antennes nog net in de ontvangsthal van de International Telecommunications Satellite Organization in Washington. Deze mammoet onder de communicatiesatelliet-organisaties werd in 1964 opgericht door elf landen (waaronder Nederland) en telt nu 133 lidstaten. In het hoofdkwartier werken 650 mensen uit 70 landen. Intelsat is geen onderneming; de winst wordt verdeeld onder de lidstaten.

Tony Trujillo, manager corporate & marketing communications, geeft een korte rondleiding langs de zeven modelkunstmanen die in de hal staan opgesteld. “De betrouwbaarheid van ons systeem is altijd minimaal 99,99 procent”, meldt hij. “Kabels zijn veel minder betrouwbaar. Stormen, zeebevingen, aardverschuivingen, ploegende boeren, vissende trawlers .... er gaat geen dag voorbij of we moeten wel ergens inspringen om bezweken kabelverbindingen te vervangen.”

Hij gaat me voor naar een belendende zaal vol beeldschermen. Hier worden juist de allereerste voorbereidingen getroffen voor de aanstaande lancering per Ariane-raket van nummer twee van de nieuwe Intelsat-VII serie. Vanuit het belendende controlecentrum worden de 21 Intelsat satellieten - over drie jaar zijn het er 33 - van commando's voorzien en op hun plaats gehouden. Elders rond de wereld, onder andere op Hawaï en in Beijing, staan er nog vijf van deze centra. Het vergt voortdurende waakzaamheid en veel gedonder met kleine stuurraketjes om deze satellieten op hun plaats te houden.

In Trujillo's kamer zitten Liu Zhongen uit China, manager van het signatory training department bij Intelsat, en S. Prasanna uit India, manager van het assistance and development program. De grote lijn van hun verhaal is simpel: een land dat zijn satellietverbindingen wil uitbreiden, voor binnenlands of internationaal gebruik, doet er verstandig aan eerst even Washington te bellen. “We geven kosteloos raad over de noodzaak van nieuwe grondstations of verbetering van de bestaande”, aldus Prasanna. “Er zijn altijd grote onzekerheden: is de expertise beschikbaar voor de bemanning van de grondstations, is het economisch haalbaar? Op hoeveel verkeer moeten ze rekenen, wat hebben ze echt nodig? Pas als die vragen zijn beantwoord, begeleiden we de implementatie. Intelsat bouwt zelf geen grondstations, wel helpen we bij de keuze van apparatuur, het kiezen van aannemers, en de afspraken met hen over de bouwkosten.”

Intelsat is zeer actief bij het trainen van personeel voor grondstations. Alleen de reis naar Washington moeten de cursisten of hun werkgevers zelf betalen. Intelsat grondstations in de hele wereld doen dienst als stagelokaties. Directe financiële steun in de vorm van goedkope leningen wordt ook op bescheiden schaal geleverd, in het bijzonder bij het ombouwen van grondstations van analoog naar digitaal. Digitale verzending van data, video en telefoon vergt veel minder satellietcapaciteit, en is dus goedkoper.

Verder heeft Intelsat de programma's SHARE en ACCESS waarbij satellietcapaciteit gratis beschikbaar wordt gesteld voor bijzondere toepassingen of om iets uit te proberen. De genoemde samenwerking tussen artsen in Indonesië en Canada is een voorbeeld. Een ander is een videoconferentie over aids, een paar jaar geleden in Latijns-Amerika. Verspreid over 27 landen konden 10.000 congresgangers de debatten volgen en zelf naar de microfoon lopen en door de rest worden gezien en gehoord.

Nog veel massalere toepassingen zijn mogelijk wanneer de signalen maar in één richting getransporteerd hoeven te worden. In 1985 bood SHARE de opstap voor China's 'televisie-universiteit'. Zhongen: “Het begon met lessen over de televisie voor leraren bij het basisonderwijs. Om ze allemaal naar een opleidingsinstituut te laten gaan was ondoenlijk. Op vijftig locaties plaatsten we zes-meter schotels, en de grondstations gaven de lesprogramma's weer door aan de plaatselijke tv-stations. Inmiddels doen we het anders: ieder scholingspunt heeft nu een eigen, wat kleiner grondstation. Het zijn er bij elkaar ruim 50.000. En twee miljoen mensen hebben een opleiding voltooid.”

Persbureau's

Het debat over de satelliet versus kabels en straalzenders is rijk aan gecompliceerde overwegingen. Maar een satelliet is de enige keus voor wie veel, ver uiteenliggende punten online met elkaar wil verbinden. Voor een netwerk van duizend computers zouden 499.500 kabelverbindingen nodig zijn. Per satelliet kan het veel sneller en goedkoper: met kleine grondstations, vanaf tienduizend gulden, ofwel VSAT's.

In de Verenigde Staten bijvoorbeeld heeft het Amerikan Farm Bureau meer dan drieduizend vestigingen uitgerust met een very small aperture terminals.De Chrysler Motor Corporation heeft er nog zeker twee keer zoveel. Ze kunnen allemaal tegelijk een zelfde datafile ontvangen van of versturen naar alle andere VSAT's. Grote persbureau's gebruiken ze bij voortduring: een VSAT-schotel op het dak van NRC Handelsblad ontvangt zo foto's, teksten en landkaartjes die op exact hetzelfde moment bij honderden andere abonnees van Reuter, AP en UPI binnenkomen via Intelsat.

Zhongen rapporteert dat een paar honderd vestigingen van de Chinese douane en de bosbouwdienst zo met elkaar verbonden zijn. En olievelden. Een loketbeambte op een spoorstation in Beijing kan via Intelsat direct een plaats reserveren op een trein die duizenden kilometers verder zal vertrekken, want VSAT's staan ook op de daken van grote Chinese stations.

Sinds een paar jaar heeft ook de International Maritime Satellite Organisation een interessante optie voor de onontsloten wereld. Inmarsat begon in 1979 als een samenwerkingsverband (met PTT Telecom als Nederlandse partner) om telefonie met schepen op zee mogelijk te maken. Dankzij drastische ontwikkelingen in de microelectronica zijn de Inmarsat telefoons tussen 1982 (toen het systeem operationeel werd) en nu, in gewicht gedaald van een kilo of vijfhonderd naar negen. De kleinste satelliettelefoon van nu, Inmarsat-M, vult een stevige attachékoffer en kost omstreeks ƒ 25.000. Voor dat bedrag kan je voor ongeveer acht gulden per minuut vanaf iedere plaats op aarde, de poolstreken uitgezonderd, bellen met je oma in Otterlo of een e-mail bericht versturen naar één van de dertigmiljoen Internet abonnees. Duur, maar bij rampen een uitkomst. Meer dan 150 noodhulp organisaties, Artsen Zonder Grenzen bijvoorbeeld, bellen en faxen dagelijks via Inmarsat. De VN-troepen in Bosnië en elders gebruiken satelliettelefoons, en Nelson Mandela heeft er ook altijd een bij zich.

Het hoogste gezag bij Inmarsat berust bij de assembly, waarin ieder land één stem heeft, en waarin ontwikkelingslanden ver in de meerderheid zijn. Dat zijn ze al sinds de oprichting, maar nu vormen ze ook een van de belangrijkste werkterreinen van deze maritieme organisatie. 'En ook al onze marktprognoses wijzen in de richting van de ontwikkelingslanden', zegt David Wright, manager regional programmes, in het Londense hoofdkwartier. 'In Europa en Amerika is de markt voor mobiele telefonie vooral cellulair, daar is onze rol minder groot. Zelfs de Inmarsat-lidstaten die het meeste kapitaal hebben ingebracht, zoals Amerika, Engeland, Japan en Noorwegen, zien de ontwikkelingslanden nu als onze belangrijkste markt.'

Het klinkt erg zakelijk, en dat is het ook: de satelliettelefoons worden in de derde wereld vooral gebruikt door westerlingen. Op olieplatforms bijvoorbeeld zijn ze erg populair en ook bij iedereen - zie boven - die op humanitaire rampen afkomt. Toch kan Wright melden dat Inmarsat telefoons al voor rurale ontsluiting worden gebruikt. Grotere nederzettingen die voordien geen verbinding met de rest van de wereld hadden, zetten er een in het postkantoor. “Het verschil tussen één telefoon en helemaal geen telefoon is enorm”, weet Wright. Voor gewoon gebruik is het te duur, maar de omwonenden kunnen groot nieuws moeiteloos doorbellen naar hun neef in de hoofdstad of hun andere neef in Canada.

Goedkoper is communicatie met Inmarsat-C, maar dat systeem is er alleen voor traag datatransport. Tientallen postkantoren in Nigeria hebben inmiddels een C-set voor ontvangst en verzending van korte geschreven berichten: ze arriveren naar keuze als fax, telex of datafile.

'Een van onze grootste uitdagingen is om te zorgen dat ontwikkelingslanden geen barrières voor Inmarsat opwerpen', zegt Wright. 'Ik was onlangs in Argentinië en daar moet je vijftien procent van de waarde van je elektronische apparatuur aan invoerrechten betalen. Vrijwel niemand zal daar een satphone binnenbrengen, en voor de Argentijnse economie is dat ongunstig. Veel landen vragen duizenden dollars per jaar aan zendrechten van Inmarsat-gebruikers.'

Anderzijds mogen Inmarsat seminars en trainingen zich in een grote belangstelling verheugen, ook in het ex-oostblok. Wright: 'Voor een optimaal gebruik van Inmarsat in die landen, moet vooral het telecompersoneel goed op de hoogte zijn van ons systeem. Met onze cursussen in ontwikkelingslanden hopen we een menselijke infrastructuur voor de Inmarsat-diensten te kunnen creëren.'

Hoewel Inmarsat voorlopig buiten het financiële bereik van de grote massa's in de derde wereld zal blijven, ziet Wright veel meer mogelijkheden dan nu worden benut om afgelegen plaatsen met Inmarsat te ontsluiten. De grote grondstations (met schotels van bijna tien meter doorsnee) die de satelliettelefoons met het reguliere telefoonnetwerk verbinden, ontbreken nu bijna geheel in Afrika en Zuid-Amerika: beide werelddelen hebben er maar één. 'Je kan heel goed denken aan nieuwe grote grondstations, opgezet door één of meer derde wereldlanden, met een extra laag tarief om de communicatiefaciliteiten van hun rurale gebieden uit te breiden', zegt Wright. Krachtens hetzelfde beleid zou de aanschaf van Inmarsat-sets door afgelegen gemeenschappen, gesubsidieerd kunnen worden.

De laatste jaren zijn enkele grootscheepse plannen ontwikkeld, door Inmarsat en verder vooral door Amerikaanse telecom bedrijven, voor telefonie en datatransport via kleinere satellieten die in een veel lagere baan om de aarde cirkelen: op een paar honderd of een paar duizend kilometer hoogte in plaats van op 35.786. Het zal nog zeker vijf jaar duren voor het eerste zogenaamde 'low earth orbit systeem' operationeel is. Het voordeel is dat de signalen veel zwakker mogen zijn en de telefoons dus veel goedkoper en kleiner: ze passen met gemak in een binnenzak.