Thuiskomst in Casablanca; Marokkaanse ballingen uit Nederland mogen na jaren hun land weer in

Marokkaanse ballingen mogen na jaren hun moederland bezoeken. Met de woorden 'Een zwarte pagina in de Marokkaanse geschiedenis wordt omgeslagen' verleende Koning Hassan op 21 juli amnestie aan meer dan driehonderd politieke gevangenen. Ook beloofde hij dat ballingen zonder gevaar kunnen terugkeren naar hun vaderland. Vanuit Nederland stapten onlangs zes leden van het Komite Marokkaanse Arbeiders in Nederland op het vliegtuig om de nieuwe sfeer te proeven.

'We vliegen nu boven Marokko. Ik zie Tanger en Larache en daar ligt de hoofdstad Rabat. Straks landen we in Casablanca”, zegt Mohamed Khojja (45). Hij kijkt uit het vliegtuigraam. Beneden glinstert de Atlantische Oceaan. “Het is een gevoel alsof ik nieuw land ontdek. Twintig jaar heb ik dit schitterend mooie land niet meer gezien. En dat is een hele hoge prijs”, vervolgt hij. “Het verdriet zit heel diep, het komt langzaam omhoog. Ik heb tranen in mijn ogen omdat ik mijn eigen land weer zal betreden. Tegelijkertijd krimpt m'n hart in elkaar omdat ik het hol van de leeuw binnenga.”

Khojja is tenger, heeft een baard en draait het ene shaggie na het andere. Voor de eerste keer in twintig jaar draagt hij weer een colbert, de vouwen uit de winkel staan nog in de rood geruite stof. In 1969 trok Khojja naar West-Europa. Via Frankrijk kwam hij in Nederland terecht. Hij werkte in slachthuizen en organiseerde bij het bedrijf Schokbeton een staking omdat de lonen er 'schandalig laag' waren. Begin jaren zeventig studeerde Khojja aan de sociale academie in Groningen. “Om me heen zag ik hoeveel buitenlandse arbeiders er waren gekomen, samengepakt in commerciële pensions. Ze wisten niets van de Nederlandse samenleving, niets van hun rechten en plichten.”

In 1975 was hij een van de oprichters van het Komité Marokkaanse Arbeiders in Nederland (Kman). “We wilden de Marokkaanse arbeiders bewust maken van hun positie in Nederland én in hun vaderland. Dat is een zonde in Marokko. Onderdanen van koning Hassan mogen niet kritisch en onafhankelijk denken. Wij worden beschouwd als gevaarlijk. Ook omdat wij in het buitenland bekend maakten wat zich in Marokko afspeelde op het gebied van de mensenrechten. De Marokkaanse regering weigerde ons de afgelopen twintig jaar visa en zo zijn we ballingen geworden.” In Nederland wonen in totaal ongeveer vijftig Marokkaanse ballingen.

Het Kman speelt binnen de Marokkaanse gemeenschap in Nederland een belangrijke rol. Uit veiligheidsoverwegingen zijn nooit ledenlijsten aangelegd, maar Mohamed schat het aantal mensen dat bijeenkomsten bezoekt of cursussen volgt op enkele tienduizenden - op de meer dan 200.000 Marokkanen in Nederland. De afgelopen vijftien jaar hield Mohamed twee keer in de week spreekuur bij het Kman-kantoor in de Amsterdamse Pijp. Ook is hij voorzitter van de Europese koepel van democratische Marokkaanse organisaties.

Voor Mohamed kwamen de ontwikkelingen in Marokko onverwacht. “Ik zat vier weken op Zandvoort en Schiermonnikoog. Toen ik terug kwam hoorde ik dat ook mijn naam op de lijst stond van ballingen die zonder gevaar konden terugkeren”, zegt hij. “In het begin twijfelde ik. Het gebeurt wel vaker dat de koning amnestie verleent aan gevangenen als hij jarig is of een jubileum viert. Dat is niet meer dan propaganda. Maar deze keer was het anders. Het lijkt erop dat het dossier van de politiek gevangenen en de verdwijningen echt wordt afgesloten.”

Na een lange discussie besloot het Kman met een delegatie van zes ballingen naar Marokko af te reizen. “Misschien is het wel iets te vroeg, nog niet alle politieke gevangenen zijn vrijgelaten. Maar de meerderheid was ervan overtuigd dat we door onze komst druk konden uitoefenen op het regime om de resterende gevangenen ook te laten gaan.”

Probleem

Het vliegtuig landt op de luchthaven van Casablanca. De delegatie wordt meteen nadat we uit het vliegtuig komen opgevangen door een groep mensenrechtenactivisten en vakbondsleiders, mannen die jarenlang in de gevangenis zaten. Er wordt omhelsd en gezoend. De paspoorten worden ingeleverd. Na een kwartier komt een veiligheidsagent op de groep af. Er is een probleem. Een van de Kman-leden, een mensenrechten-activist die pas vorig jaar naar Nederland is gevlucht, staat niet op de gastenlijst. De goed-geoliede pr-machine van het regime van Koning Hassan hapert, het oude gevoel daalt neer over de groep. “We moeten allemaal blijven”, zegt een van de mensenrechtenactivisten. “Als we hem nu alleen laten zou het voor hem wel eens heel lang kunnen gaan duren.”

Maar een uur later blijkt alles in orde. De delegatie loopt door de hal van het vliegveld. Een elektrische deur schuift open. Een dikke haag mensen klapt, zingt, schreeuwt, juicht. Vrouwen maken hoge schrille geluiden met hun tong. “Welkom, welkom. We zweren dat we de strijd voor meer democratie en een rechtvaardige samenleving niet zullen opgeven”, wordt er gezongen. Kman-voorzitter Abdhou Menebhi wordt op de schouders genomen. Mohamed Khojja wordt bijna doodgeknuffeld door zussen en nichten die om hem heen drommen. “Dit is mijn zusje. Ik heb haar als een baby achtergelaten. Nu heeft ze zelf kleine kinderen”, zegt hij terwijl een zuigeling in zijn armen wordt gelegd. “Ik ben met opgeheven hoofd en victorie teruggekeerd in Marokko.”

Een lange stoet toeterende auto's rijdt van het vliegveld naar het centrum van Casablanca. Schreeuwende mensen hangen uit de raampjes en maken het V-teken. Said Ben Azouz is zes jaar geleden naar Nederland gevlucht. Hij was actief bij de studentenvakbond. “Ik ben nooit gearresteerd, maar liep altijd rond met de angst dat het zou gebeuren. Ik werd achtervolgd, er stond politie bij mijn huis. Mijn vader moest regelmatig naar het bureau komen om vragen te beantwoorden. Heel intimiderend.” Met tranen in zijn ogen neemt hij bloemen in ontvangst bij het kantoor van de vakbeweging Democratische Federatie van Arbeid (CDT). “Ik ben terug. Terug in Marokko. Ik heb er geen woorden voor”, schreeuwt hij uit boven de spreekkoren.

Voorzitter Noubir Amaoui van de CDT is een jaar geleden vrijgekomen na een gevangenisstraf van 15 maanden. Hij had zich in de Spaanse krant El Pais kritisch uitgelaten over de Marokkaanse regering, die hij omschreef als 'een stel goochelaars die geld laten verdwijnen in hun mouwen'. De gezette vakbondsleider is nu een stuk positiever over de ontwikkelingen in Marokko. “De werkende klasse en de vakbond hebben vijftien jaar strijd geleverd. We zijn er nog niet, maar er is een democratische ontwikkeling op gang gebracht.”

Glas melk

Achterin de roestige bestelbus zitten de vrouwelijke familieleden van Mohamed Khojja. Peuters klauteren over benen en schouders. Uit een cassette-recorder kraakt keiharde, opzwepende muziek. We rijden langs de Atlantische Oceaan naar Mohameds geboorteplaats Kenitra, boven de hoofdstad Rabat. Langs de weg een road-block. Mohamed pakt zenuwachtig zijn paspoort, maar de politie-agent slaat het niet eens open. Twee uur later stopt het busje in een smal straatje. De hele buurt is uitgelopen. Mohameds nieuwe colbertje wordt bijna uitelkaar getrokken door opgewonden familieleden. Hij krijgt een glas melk en dadels in zijn handen geduwd, de traditionele welkomsgeschenken. In de huiskamer zit een oude man te bidden, zijn hoofd richting Mekka. Een muziekbandje met drie trommelaars en een man met een blaasinstrument zet iedereen in vuur en vlam. Vrouwen laten hun heupen rollen, draaien met hun handen en proberen de mannen de dansvloer op te trekken.

Pas na anderhalf uur is Mohamed weer aanspreekbaar. We zitten in een woonkamer met banken langs de muur. In een glazen vitrinekast staat glaswerk en een verdroogd boeket bloemen, op tafel een grote schaal koekjes en blad met een zilverkleurige pot mintthee. “Dit is, eh, de zoon van de dochter van mijn oom”, introduceert Mohamed twijfelend een jongen van een jaar of twintig die tegenover ons is komen zitten. In Nederland heeft Mohamed gestudeerd op de namen, maar nu hij iedereen om zich heen ziet raakt hij telkens in de war. Hij is de oudste van vijf zussen en twee broers en ook zijn vader en moeder komen uit kinderrijke families. Namen en cadeautjes waren dan ook Mohameds grootste zorg. “Iedereen verwacht dat ik cadeaus meebreng, maar daar ben ik niet in geslaagd. Ik had zes à zeven duizend gulden moeten investeren om iedereen te bevredigen. Zij bevredigen mìj. Ik voel me als een prins. Als iemand die net in het huwelijk is getreden. Opgelucht. Alles kan nu gebeuren, de autoriteiten kunnen langskomen. Het maakt niet meer uit. Het is al feest geweest.”

Alcohol

De volgende morgen, acht uur. Ochtend in een echte Marokkaanse volkswijk. Slordig gemetselde huizen, zandwegen met kuilen en overal vuilnis. Een man in een versleten pak met een handkarretje scharrelt langs de huizen op zoek naar tweedehands goederen.

Mohameds vader is in de zeventig, draagt de rode fez en drijft een drogisterijtje, zijn moeder komt uit een boerenfamilie en is in de hele buurt bekend omdat ze met handoplegging zieken kan genezen. We zitten buiten op een brok steen. Een kater heeft Mohamed niet, bij zijn familie wordt geen alcohol geschonken. Toch is de eerste avond hem zwaar gevallen. Al die familie, al die kinderen, al dat lawaai. “In Nederland heb ik een rustig leven, ik woon alleen in een huis. Gisteravond kwamen al die indrukken in één keer. En daarbij komt dan ook nog een keer het repressieve karakter van onze samenleving.”

Wat bedoelt hij daarmee? “Repressie. Dat is niet de politieman die met een knuppel op je inslaat of iemand die je uitscheldt. Dat maakt niet uit, dat maakt me sterk. Nee, het gaat om de repressie in de geest van de mensen. Dat zit hier heel diep geworteld, iedereen is geprogrammeerd. Als ik in Nederland discussieer over Marokko gebruik ik een woord als dictator zonder dat iemand daarvan opkijkt. Dat kan hier niet. Iedereen trekt meteen een angstig gezicht: Dat moet je niet zeggen, dat moet je niet doen, dat moet je niet vìnden. Dat moet je niet vertrouwen, die moet je niet vertrouwen. Zelfs binnen de familie. Mijn vader zegt: Kijk uit voor iedereen. Ook al zou koning Hassan nu zeggen: Morgen is het democratie, en hij zou het nog menen ook, dan nog zal het jaren duren voordat de repressie uit de geesten van het Marokkaanse volk zal verdwijnen.”

Mohamed Khojja ontwikkelde zich tot een kritische geest in Nederland. Maar hoe verging het zijn familie in Marokko, de afgelopen twintig jaar? In de keuken zit Mohameds moeder in hurkzit op de grond. Ze is bezig met de lunch. In een pan zitten schapenhersens en lente-uitjes. Op het aanrecht ligt een grote bos mint. Ze heeft een doek om haar hoofd geknoopt, een traditioneel wit katoenen overhemd aan en een witte lange broek. Met schelle stem vertelt ze haar verhaal: “Als ik jongens van Mohameds leeftijd zag lopen voelde ik verdriet in mijn hart. Op feestdagen dacht ik aan Mohamed. Dan moest ik huilen en kon er maar half van genieten. Ik ging vaak naar zijn slaapkamer, daar hing zijn geur nog. Vooral de eerste jaren waren heel moeilijk. Ik vermagerde sterk. Ik dacht: Hij komt nooit meer terug. Wij wilden niet dat hij het land verliet. Dat hij met de politiek te maken kreeg. We wilden dat hij elke vakantie terugkwam, net zoals als andere emigranten.”

De politie kwam vaak langs, vertelt zij. “Ze bleven maar vragen. Wat voor opleiding Mohamed had gevolgd, wat voor werk deed hij, hoe hij was tegenover ons, hoe hij was tegenover zijn vrienden, of het een brutale man was. In het begin kwamen ze niet vaak. Later, toen wij Mohamed een keer in Nederland hadden opgezocht, kwamen ze elke week. Ik gaf ze thee en koffie. Wij praatten, zij schreven. En als ze klaar waren zeiden ze tegen me: Tot ziens moeder.”

Niet alleen kwam de politie regelmatig over vloer, de familie van Mohamed werd ook getroffen door een beroepsverbod. Abdelkader, Mohameds 36-jarige broer, heeft een academische opleiding maar is nooit aan de slag gekomen. Hij heeft de afgelopen jaren zijn toevlucht gezocht in de hasj. Verveling en wanhoop zijn van zijn magere gezich af te lezen. Mohamed is resoluut in de afweging van de overlast die hij Abdelkader en de rest van de familie heeft bezorgd tegenover het belang van de strijd die hij in Nederland voerde voor een beter Marokko. “Alle strijd heeft zijn prijs. Soms wordt die prijs helaas niet alleen betaald door jezelf, maar ook door je omgeving. Soms is het je vrouw, soms zijn het je ouders. Soms is het een broer, zoals in dit geval. Ik voel mij inderdaad verantwoordelijk voor hem. Maar ik vond het niet erg genoeg om op te geven wat ik deed. Wat wij deden was in het belang van duizenden en duizenden. Misschien ook wel in het belang van ons land. Daarvoor zijn veel mensen doodgegaan.”

Project

Die middag maken we een wandeling door Kenitra. De stad staat vol nieuwe, vreemde gebouwen, maar wat vooral opvalt is de vervuiling en de verloedering. “De gevolgen van de overbevolking”, roept Mohamed als we door de bazaar lopen. Zijn handen jeuken. “Gelukkig kunnen we in de toekomst makkelijker Marokko in. Ik zou niets liever doen dan hier een goed project opzetten. Er zijn zoveel werkelozen. Het moet toch eenvoudig zijn om hier de boel op te knappen? Of denk ik nou te Nederlands?” Even later trekt hij me een smal steegje in. “Sinds 1975 ben ik hier niet meer geweest. Dit huis ken ik zo goed”, wijst hij naar een hoog gebouw met gesloten luiken. “In Nederland droomde ik wel eens dat ik in dit huis was. Vroeger woonde mijn oudtante hier, een belezen, intelligente vrouw. Ik verslond haar boekenkast. Marx, Hegel, Descartes. Dagen achter elkaar. In mijn dromen kwam dat steeds terug. Dat was prettig. Als ik 's ochtends wakker werd had ik het gevoel alsof ik heel even in Marokko was geweest. Dat was wat je noemt balsem voor de ziel.”

's Avonds is er een feestelijke bijeenkomst voor teruggekeerde ballingen en vrijgelaten gevangen in Casablanca. De stemming is uitgelaten. Elke stoel van een cultureel centrum in het centrum van Casablanca is bezet. De bezoekers heffen spreekkoren aan bij de toespraken van mensenrechtenactivisten, gieren van de lach bij het optreden van een cabaretier en zijn doodstil bij de zanger die zingt over het verdriet van de afgelopen jaren.

Alleen het feit dat deze avond kan worden georganiseerd is uitzonderlijk, vindt Abdel Aziz Benani, mensenrechten-advocaat en voorzitter van de Organisation de Droit de Homme de Maroque. Hij vat de toespraken van de avond in een paar zinnen samen: “Iedereen is blij dat koning Hassan 352 politieke gevangen heeft vrijgelaten. Maar het is niet genoeg. Er zitten er nog 56 vast. Veel ballingen in Frankrijk hebben nog steeds geen paspoort gekregen. En van een groot aantal verdwenen personen heeft de familie nog steeds geen enkel bericht gekregen.”

Kman-secretaris Amin Elmouaden zit te glimmen in de zaal van het cultureel centrum waar de feestavond wordt georganiseerd. Voor hem is deze thuiskomst een heel andere dan in 1984 toen hij de laatste keer in Marokko was. Toen werd hij gearresteerd omdat hij lid was van het Kman. Vijf weken lang zat Elmouaden in een geheime gevangenis. Geblinddoekt, geboeid, gemarteld. “Marokko kent twee beroemde manieren van martelen; het vliegtuig en de papegaai”, zegt Elmouaden. Bij het vliegtuig word je vastgebonden aan je polsen en voeten. Ze steken een stok achter je rug en dan word je opgetild. “Dat houd je nog geen paar minuut vol.” Bij de papegaai worden de voeten en polsen aan elkaar gebonden en steken ze een stok onder de knieën. Daarna word je aan je voeten omhoog gehesen en slaan de beulen met bijvoorbeeld electriciteitskabels. “Een week lang heb ik deze martelingen moeten ondergaan. Maar ik kon ze niets vertellen, omdat de beschuldigingen totaal uit de lucht gegrepen waren.” Elmouaden slaagde erin een briefje naar buiten te smokkelen en vanuit Nederland kwam een actie op gang om hem vrij te krijgen. Na vijf weken kon hij zonder opgave van redenen de gevangenis verlaten en sindsdien is hij nooit meer in Marokko teruggeweest.

Zwarte pagina

Ook Jadir Noreldin werd in 1984 gearresteerd, maar hij zit tot op de dag van vandaag achter de tralies omdat hij destijds als studentenleider meedeed aan demonstraties in het noorden van Marokko. In de wandelgangen van de bijeenkomst in Casablanca wordt me een brief in handen gedrukt die hij de dag ervoor vanuit de gevangenis heeft geschreven. Noreldin feliciteert de aanwezigen met het feit dat ze aanwezig kunnen zijn. Hij klaagt de autoriteiten aan vanwege zijn overplaatsing naar een gewone strafgevangenis waar hem het recht op bezoek en medische verzorging zijn ontnomen. Tot slot schrijft hij: “Wij zitten nog in de gevangenis en hopen met jullie mee dat nu werkelijk de zwarte pagina kan worden omgeslagen en er een eind komt aan politiek gevangenschap, ballingschap en politieke ontvoeringen.”

Mensenrechtenactivist Abdel Aziz Benani is optimistisch, ondanks gevallen als Noreldin en honderden anderen die nog steeds spoorloos zijn. “Sinds 1990 is er een hoop veranderd. In de grondwet van Marokko staat tegenwoordig uitdrukkelijk dat het land de mensenrechten respecteert. Er is een speciale rechtbank opgericht voor mensenrechten. De wereld verandert. Non-gouvermentele organisaties als vakbonden en mensenrechtenorganisaties in Marokko zijn tegenwoordig sterk ontwikkeld. Het is onmogelijk dat we nu nog terugvallen.”

Maar na afloop van de bijeenkomst relativeert Kman-voorzitter Abdou Menebhi het optimisme van de feestelijke avond: “De koning kan met hetzelfde gemak waarmee hij mensen vrijlaat ze ook weer opsluiten. Er is nog geen democratie in Marokko.”

Op grond van de Marokkaanse grondwet is elke kritiek op Hassan verboden. Hassan kan elke wet en rechterlijke uitspraak met een koninklijk decreet opzij zetten. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de koning die absolute macht op korte termijn prijsgeeft. Wel heeft hij aangekondigd dat binnenkort een regering van nationale eenheid zal aantreden, waarin ook leden van de oppositie zullen plaatsnemen, zij het niet op de belangrijkste posten. Op die manier hoopt de koning een paar vliegen in één klap te slaan. Marokko snakt naar betere verhoudingen met de Europese gemeenschap en door een liberaler binnenlands beleid hoopt koning Hassan landen als Frankrijk te paaien. Verder wil hij voorkomen dat het moslim-fundamentalisme voet aan grond krijgt in Marokko. Die angst is alleen maar groter geworden naar aanleiding van recente aanslagen in Marrakech en Casablanca (opmerkelijke gebeurtenissen in het normaal zo rustige Marokko).

Kman-secretaris Amin Elmoudan ziet nog een andere reden voor het nieuwe beleid van de koning: “Marokko is een corrupt land geworden op alle niveaus. Als je een been breekt moet je zelf gips kopen om geholpen te woren. Zelfs voor zoiets simpels als een uittreksel bij de burgelijke stand moet je smeergeld betalen. Koning Hassan heeft voor het bestuur van zijn land dertig jaar lang gemikt op technocraten, die vooral hun eigen zakken hebben gevuld. Dat kan zo niet verder. De koning gaat nu eindelijk samenwerken met mensen met goede bedoelingen, met de oppositie dus. Waarschijnlijk zal nu veel ten goede veranderen.”

Ondanks het dictatoriale bewind van koning Hassan vindt de Kman-delegatie niet dat hij moet aftreden, om op die manier plaats te maken voor een nieuw Marokko. “Als hij echt meent wat hij zegt, willen we met hem samenwerken”, zegt Mohamed Khojja. “Het gaat mij om democratie”, zegt Mohamed. “Het gaat mij om een land waar rechtvaardigheid heerst. Het gaat erom dat de mens voelt dat hij mens is in Marokko.”

Paniek

De laatste dag in Kenitra. Elke avond is het muziekbandje langsgekomen bij het huis van Mohamed. Gisteren is op het dak van het huis een schaap geslacht. “Zo'n groot feest heeft de familie nog nooit meegemaakt”, zegt neef Hashim. Maar de feeststemming slaat om in lichte paniek als er een Peugeot stopt met achter het stuur een man met een zonnebril. Of Mohamed even mee wil gaan naar het bureau van de geheime dienst DST. De familie blijft in spanning achter, maar twee uur later keert Mohamed ontspannen terug van het gesprek. “De commissaris zei dat hij ons van de oppositie nodig heeft om het land Marokko op te bouwen”, zegt Mohamed. “We worden op een voetstuk geplaatst om de buitenwereld te laten zien dat Marokko het meent met de democratie.”

De politieman verzekerde Mohamed dat er niet meer wordt gemarteld. “Maar dat geloof ik niet. Wij worden beschermd door de buitenlandse druk. Naamloze tegenstanders van het regime komen nog steeds in de martelkamer terecht, daar ben ik zeker van. De geur van angst en intimidatie hing er nog steeds. Het blijft oppassen met de politie, totdat de koning alle macht overdraagt aan een democratische regering. En ik ben bereid nog twintig jaar balling te blijven om dat te bereiken.”