Ruven, Van Gogh en Kerkhof leerlingen van 'minimal movie'-beweging; Ongesubsidieerde films verrassend

UTRECHT, 24 SEPT. De laatste jaren pleegt Paul Ruven tijdens de Nederlandse Filmdagen, sinds kort het Nederlands Film Festival, meerdere films te presenteren. Dit jaar regisseerde hij, buiten de door de VPRO uitgezonden En route, twee nieuwe korte films, die deze week in Utrecht hun première beleven.

De kortste - zeven minuten - heet Witness en bestaat uit een monoloog van Renee Soutendijk, die, met zonnebril op, voor een rechtbank getuigt van een moord die ze vanuit haar huiskamer heeft zien plegen. Sterker nog: die moord lijkt sprekend op een zelfde voorval uit haar jeugd. Bovendien heeft haar dochtertje, even oud als zij toen, vanuit haar eigen kamer hetzelfde aanschouwd. De symboliek van de zonnebril, van het niet zien van de ogen, is nogal zwaar, evenals de onverwachte pointe van het scenario, dat naar een bijzonder moralistische ontknoping toewerkt. Voor een zo licht en klein filmpje is de mokerslag aan het slot veel te zwaar.

Completer en evenwichtiger is Ruvens Zap, een in de verte aan Oliver Stones Natural Born Killers verwante visuele verhandeling over het bombardement van beelden, die de televisie dagelijks over ons uitstrooit. De vorm van Zap is belangrijker dan het verhaaltje, over een vrouw (Marieke Heebink, alom tegenwoordig in de Nederlandse filmoogst van dit jaar), die het klooster verlaat om haar grote liefde te zoeken.

De film bestaat uit schijnbaar onverwante fragmenten uit fictieve tv-programma's. Al zappend belandt de kijker in een soort van Oprah Winfrey-show, een videoclip, een aflevering uit 'Gardener's World', een zwart-wit-documentaire en verschillende testbeelden. De rode draad is de hoofdpersoon, die in elk van die programma's opduikt, alsof haar leven belangrijker is dan de toevalligheid van de beelden. In dit soort terloopse mystificaties, met bravoure en vakmanschap uitgevoerd, excelleert Ruven als geen ander.

Net als Ian Kerkhof en, sinds kort, Theo van Gogh maakt Ruven zijn films snel, goedkoop en meestal zonder subsidie. In dat opzicht zijn het leerlingen van Pim de la Parra's 'minimal movie'-beweging. Die is echter zelf zo goed als verdwenen, en het einde wordt gemarkeerd door De la Parra's herhaaldelijke pogingen om zelfs via de rechter subsidie af te dwingen voor de afwerking van zijn vorig jaar in Utrecht vertoonde, erbarmelijke film Dagboek van een zwakke yogi. Wie de produktie van het afgelopen jaar in Utrecht tracht te overzien, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat in de ongesubsidieerde low-budget-sector hele aardige dingen gebeuren.

Een ander voorbeeld is de korte zwart-wit-film De som der delen, in eigen beheer op restmateriaal gedraaid door de Eindhovenaar Djie-Han Thung. Het is een ongepolijste, soms regelrecht onhandige film, die indruk maakt door de intensiteit van scenario, montage en camerawerk. In de traditie van de 'gothic' griezelfilm, zien we een man zonder benen huizen in een donker atelier, volgestouwd met prothesen. In een bar ontmoet hij een mysterieuze vrouw, gekleed die bij aankomst in het griezelkabinet van de benenverzamelaar onder haar lange jurk een verrassing in petto blijkt te hebben. De som der delen is precies het soort bescheiden verrassing dat je met een beetje geluk in het overladen Utrechtse programma tegen het lijf kunt lopen.

Het festivalweekeinde staat in het teken van de voorpremière van de documentaire Rock'n'Roll Junkie over Herman Brood, die in de tent op het Neude ook een optreden zal verzorgen en van de Cinema Militans-lezing door Paul Cox. Zijn aardige, eerder dit jaar in Berlijn enigszins ondergesneeuwde film Exile, een autobiografische metafoor over ballingschap van de Australische Nederlander, wordt zaterdagnacht vertoond.