Op brede scholengemeenschap kan het gymnasium bloeien

De positie van de zelfstandigen gymnasia wordt druk besproken. Voor 1 oktober moeten besturen hun fusie aanvragen bij het ministerie. Enkele zelfstandige gymnasia worden nu meegesleurd in den fusiegolf van het voortgezet onderwijs en gaan deel uitmaken van een brede scholengemeenschap. Velen komen hiertegen in het geweer. Voor het Vossius- en het Barlaeusgymnasium in Amsterdam zijn actiecomites opgestaan en in augustus schreef Bomhoff een column over de situatie in Gouda onder de kop: 'Redt het gymnasium'

Volgens de huidige onderwijsideologie moet het onderwjjs vooral afgestemd zijn op de capaciteiten van de leerlingen. Dat betekent dat de heterogene klassen van de jaren zeventig ter discussie staan en langzaam aan vervangen worden door of volledig of gedeeltelijk homogene klassen; klassen van leerlingen met ongeveer dezelfde leercapaciteiten. Die leerlingen moeten liefst zo snel mogelijk bij elkaar worden gezet. Begaafde leerlingen horen volgens deze opvatting vanaf de eerste klas op het gymnasium thuis.

Wat is nu de positie van de gymnasiumafdeling in een brede scholengemeenschap, in een school dus waarin naast het AVO en het VWO ook het voorbereidend beroepsonderwijs (VBO) is opgenomen? Je hoort nogal eens zeggen dat het gymnasium in dergelijke grote scholen ten onder gaat. Ik ben echter van mening dat de positie van het gymnasium dan juist sterker kan zijn, en met een categoriaal gymnasium kan concurreren. Ik beperk me daarbij tot de organisatorische opzet, want daar liggen de meeste bezwaren.

Welnu, een brede scholengemeenschap is zeer goed in staat aan de gymnasiumafdeling een duidelijke eigen identiteit te geven. Vanaf de eerste klas kan zo'n scholengemeenschap namelijk een aparte gymnasiumopleiding aanbieden, en daar komt het voordeel bij dat doorstromen naar een ander schooltype veel gemakkelijker en soepeler gaat dan wanneer een leerling een categoriaal gymnasium zou moeten verlaten.

Scholen moeten tegenwoordig 'bedrijfsmatig' opereren. Een school krijgt geld naar het aantal leerlingen, en dat betekent dat een school de markt op moet om leerlingen te werven. Indien een school een gymnasiumafdeling wil handhaven, zal zij de marktpositie van die afdeling niet alleen op peil moeten houden, maar deze ook moeten versterken. Alle scholen met een gymnasiumafdeling hebben dus meer dan vroeger te maken met de veranderde onderwijsopvattingen en de keuze van ouders voor een sterk gymnasium. Landelijke cijfers wijzen uit dat vier van de tien leerlingen die tot het zelfstandig gymnasium worden toegelaten, halverwege de rit verdwijnen. Scholen kennen deze cijfers, maar zij begrijpen ook dat ouders als Bomhoff hierdoor niet worden overtuigd. Mijn kind behoort tot degenen die het uitstekend doen op het gymnasium en hij zal zijn kind naar de beste school willen sturen. Op het moment van keuze voor de eerste klas verwacht geen enkele ouder dat zijn kind tot de 40 procent leerlingen behoort die het gymnasium voortijdig zal verlaten.

De wet op de basisvorming doorbreekt voor het eerst sinds de mammoetwet de rigiditeit van het voortgezet onderwijs. In de mammoetwet was de lessentabel vastgelegd en in de eerste klas van een scholengemeenschap was geen plaats ingeruimd voor het vak Latijn. Dit vak stond voor de eerste klas wel op de lessentabel van de zelfstandige gymnasia. Nu kunnen scholengemeenschappen echter op de gymnasiumafdeling eenzelfde lessentabel hanteren als zelfstandige gymnasia, ook in de eerste klas. De onderwijssituatie op de gymnasiumafdeling wijkt dan inhoudelijk niet af van die van het zelfstandige gymnasium.

In de tweede plaats doorbreekt de wet op de basisvorming de grootschaligheid die met de mammoetwet in het voortgezet onderwijs is gekomen. Brede scholengemeenschappen hebben namelijk de mogelijkheid het onderwijs op verschillende lokaties aan te bieden - en vanaf de eerste klas. Scholengemeenschappen zonder VBO bezitten deze mogelijkheid niet. Deze scholen moeten volgens de mammoetwet het onderwijs aanbieden in een gebouw. Dat zijn scholen met 1200 leerlingen en 250 eersteklassers, grootschalige eenheden dus. Met de wet op de basisvorming kunnen brede scholengemeenschappen nu bijvoorbeeld 2500 leerlingen hebben, maar ze kunnen die leerlingen over vijf gebouwen verspreiden. Ieder gebouw heeft zijn eigen opleidingsstructuur, vanaf de eerste klas tot en met de examenklas. Ouders die hun kinderen op de gymnasiumafdeling aanmelden, maken een keuze voor het gebouw waar het gymnasium zit, met eenzelfde hoeveelheid leerlingen als een zelfstandig gymnasium heeft. De kleinschaligheid blijft gewaarborgd, ook al is het totale leerlingenaantal van de school veel groter dan dat van andere scholen.

Een brede scholengemeenschap is in staat een gymnasiumafdeling op te bouwen die de concurrentie met het zelfstandige gymnasium dus zeer goed aankan. De neerbuigende houding tegenover de brede scholengemeenschap is daarom misplaatst. Er zijn ongetwijfeld concrete voorbeelden te vinden van scholen die de beleidsvrijheid anders invullen. Die beleidsvrijheid is er en dat betekent dat scholen meer van elkaar gaan verschillen. Bij de keuze voor een school zullen ouders een vergelijkend warenonderzoek moeten verrichten en zullen zij scholen moeten vragen naar hun beleid ten aanzien van het gymnasium. Misschien is dat wel beter dan de automatische keuze die nu vaak voor een zelfstandige gymnasium gemaakt wordt.