Onze misdaad is dat we hechten aan de democratie

In Turkije staan acht Koerdische parlementariërs terecht wegens hoogverraad en separatisme. Ze lopen het risico ter dood te worden veroordeeld. Een van hen is Leyla Zana. Ze wacht in de gevangenis van Ankara op het moment dat de westerse publieke opinie zich tegen Turkije keert.

Turkije kent een lange traditie van politieke processen. Bij elke militaire staatsgreep worden mannelijke en vrouwelijke politici, inclusief parlementariërs en ministers, gearresteerd, veroordeeld en in de gevangenis gezet.

Toch is het proces dat nu tegen mij en mijn Koerdische parlementaire collega's aangespannen wordt een primeur in de politieke geschiedenis van het land. Het is de eerste keer dat onder een regering die bekend staat als een burgerregering, vertegenwoordigers van het volk worden opgesloten en vervolgd voor hun meningen, en dat ze bedreigd worden met de doodstraf.

Dit proces heeft in werkelijkheid niets juridisch. Het is volkomen politiek. Nog voor we voor de rechter zijn verschenen hebben de premier, verscheidene ministers en de leiders van de Turkse politieke partijen ons allemaal al in het openbaar berecht en veroordeeld. Tijdens de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van 27 maart jongstleden heeft de premier, mevrouw Tansu Çiller, durven beweren: “Ik heb de verraders uit het parlement verjaagd.” De woordvoerder van de regering heeft ons 'terroristen' genoemd, en de Staatsomroep heeft door middel van speciale uitzendingen overal deze regeringspropaganda tegen ons verspreid. In deze context, nu zelfs het parlement alleen nog maar een verzameling jaknikkers is, is het niet mogelijk te geloven in de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de Turkse justitie.

Deze justitie wil me ter dood veroordelen voor vreedzame, legale activiteiten die ik verricht in dienst van mijn volk sinds ik in oktober 1991 werd gekozen als afgevaardigde van Diyarbakir. Mij wordt van alles verweten: meningen die ik heb uitgesproken op de tribunes van de assemblée, bij verkiezingsbijeenkomsten, in de lokale en internationale pers, een hongerstaking om te protesteren tegen de vernietiging van het Koerdische dorp Sirnak door het leger, oproepen tot vrede en dialoog. Mijn zwaarste misdaad in de ogen van de procureurs schijnt te zijn dat ik tijdens de verplichte grondwettelijke eedaflegging een zinnetje in het Koerdisch heb uitgesproken over de broederschap van Koerden en Turken en hun coëxistentie in gelijkheid en democratie. Zelfs de kleur van mijn kleren was een 'separatische misdaad'. Bovendien zou ik, door te spreken over het bestaan van het Koerdische volk en het land Koerdistan, en door vreedzaam erkenning van de Koerdische cultuur en identiteit te eisen binnen het kader van de democratie en de bestaande grenzen, dezelfde doelstellingen verdedigd hebben als de PKK en zou ik dus 'objectief lid (zijn) van de politieke vleugel van die partij', die zich bezighoudt met gewapende strijd, terwijl al onze acties erop gericht zijn de wapens te laten zwijgen en een vreedzame oplossing te vinden voor het Koerdische probleem.

Ik ben overigens niet de enige die spreekt over het bestaan van de Koerden. Wijlen president Özal sprak in het openbaar over de 'twaalf miljoen Koerden in Turkije' en besprak openlijk de mogelijke oplossingen, waaronder het federale model, voor dit chronische probleem. Heeft de huidige president Demirel niet in november 1991 verklaard dat 'Turkije voortaan de Koerdische realiteit (zou) erkennen'?

Het Koerdische volk is dus geen produkt van mijn fantasie. De historici zijn het erover eens dat dit volk sinds het begin der tijden leeft op zijn eigen grondgebied, en dat het beschikt over een heel eigen taal, een eigen cultuur en een eigen beschaving. Mijn volk is tussen 1806 en 1937 maar liefst 28 keer in opstand gekomen om zijn vrijheid te verwerven. Weliswaar zijn al die opstanden in bloed gesmoord, maar het laat tenminste zien hoe diep de Koerdische nationale aspiraties historisch gezien zitten. Overigens noemt president Demirel zelf de huidige guerrillabeweging de '29ste Koerdische opstand'.

Vlak na de Eerste Wereldoorlog, op het moment dat het verslagen Turkije van de kaart geveegd dreigde te worden, zijn de Koerden grootmoedig de 'Turken in nood' te hulp gekomen door steun te betuigen aan Mustafa Kemal en zijn vrienden, die beloofden een nieuwe staat te stichten waar de Koerden volledig gelijke rechten zouden krijgen. 76 notabele Koerden zouden als 'afgevaardigden van Koerdistan' zitting hebben in de Eerste Nationale Assemblée van Turkije. Op 10 februari 1922 legde Kemal, bijgenaamd Atatürk, de assemblée een wetsontwerp voor, bestaande uit 19 artikelen over de 'Provincie Koerdistan en zijn assemblée', dat door diverse manipulaties pas bestudeerd werd na het afsluiten van het Verdrag van Lausanne, in juli 1923, toen de nieuwe Turkse Staat internationaal erkend werd.

Vanaf dat moment zette Kemal zich vooral in voor een nieuwe grondwet die gebaseerd was op het Turkse nationalisme en de verloochening van de Koerden met als doel een 'Turkse Natie-staat' op te bouwen. De Koerdische afgevaardigden en leiders die hem hadden geholpen tijdens zijn onafhankelijkheidsoorlog werden allemaal opgehangen onder verschillende voorwendsels door het met treurige faam geëerde Onafhankelijkheidstribunaal, voorloper van het tegenwoordige Staatsveiligheidshof dat ons nu veroordeelt. De Grondwet van 1924 verbiedt het gebruik van het Koerdisch en van alle andere talen die in Turkije gesproken worden behalve het Turks. Er werden het land neptheorieën opgelegd 'die de Turksheid van de Koerden' moesten bewijzen.

Vervolgens beweerde Turkije dat Koerden niet bestaan, dat de Koerden 'Bergturken' zijn. Er werd een intensieve assimilatiepolitiek bedreven, de oude namen van onze steden en dorpen werden met geweld verturkst en men ging zelfs zover ons te verbieden onze kinderen Koerdische namen te geven. De Koerdische intellectuelen werden rustig gehouden met banen en erefuncties, nadat de lastposten uitgeschakeld waren door lange gevangenisstraffen of verbanning. Deze systematische politiek werd zelfs nog voortgezet nadat het land formeel was overgeschakeld op het meerpartijensysteem, in 1950. De Koerdische elite was gedecimeerd. In 1971 werd een linkse Turkse partij, de arbeiderspartij (TIP) ontbonden op grond van het feit dat ze 'het bestaan van het Koerdische volk in oostelijk Turkije' had erkend.

Door de militaire staatsgreep van 12 september 1980 werd het land in een enorme, gewelddadige onderdrukking gestort. In een land dat hechtte aan de universele waarden van de democratie en de vrijheid zou de hele bevolking de straat op zijn gegaan om te protesteren tegen de dictatuur. Helaas kent Turkije dit soort tradities nog niet. De zware crisis waarin wij ons nu bevinden is een rechtstreeks gevolg van die staatsgreep, van de schandalige Grondwet van 1982, afgedwongen met de bajonet, van de wetten die de vrijheid beknotten, van de instellingen en politieke partijen die gegoten zijn in de mal van de militaire dictatuur. Het is dan ook niet verwonderlijk dat alle tegenwoordige Turkse politieke partijen de principes accepteren van een Grondwet die gebaseerd is op de verloochening van de Koerden en hun rechten.

Volgens deze logica heeft de populistische sociaal-democratische partij (SHP) van Erdal Inüon 7 van zijn afgevaardigden uit zijn gelederen kunnen verwijderen omdat ze, zonder zelfs maar het woord te voeren, aanwezig waren bij een Koerdische conferentie over de mensenrechten die plaatsvond in oktober 1989 in Parijs en georganiseerd was door de Fondation France-Libertés en het Koerdische Instituut. Deze beslissing maakte iedereen duidelijk dat er geen echt politiek pluralisme bestond in Turkije en dat er een nieuwe partij gecreëerd moest worden. Zo werd in juni 1990 de HEP opgericht, en nadat die verboden werd, de Partij van de Democratie (DEP), die zich zowel tot de Koerden als tot de Turken richtte en tot doel had binnen het kader van de democratie een vreedzame oplossing te vinden voor het Koerdische probleem in Turkije.

Dat is voor het Turkse politieke establishment voldoende om ons te kwalificeren als 'separatisten' en zelfs als 'terroristen'. Wij zijn vijanden geworden die verslagen moeten worden, favoriete doelwitten van de Turkse contra-guerrilla die binnen twee jaar 54 van onze leiders vermoordde, waaronder mijn collega Mehmet Sincar, afgevaardigde van Mardin. Ikzelf ben op het nippertje ontsnapt bij twee aanslagen.

De moorden en bedreigingen met moord zijn niet voldoende geweest om ons het zwijgen op te leggen. We zijn ons blijven inzetten voor de dialoog tussen de Koerdische en Turkse gemeenschappen in het land, terwijl we intussen in Turkije en het buitenland zijn blijven getuigen van het drama van het Koerdische volk, de massamoorden en de verwoesting van onze steden en dorpen door het leger. Omdat onze stem eindelijk gehoord begint te worden in Europa en de Verenigde Staten heeft de regering besloten ons het zwijgen op te leggen door onze parlementaire onschendbaarheid op te heffen, ons in de gevangenis te gooien en onze partij, de DEP, te verbieden.

Maar de regering vergist zich als ze denkt dat ze de Koerden het zwijgen op kan leggen door onze partij te verbieden. Dit verbod laat duidelijk zien dat de democratie maar een façade is in Turkije. De manier waarop onze onschendbaarheid opgeheven werd en wij, vertegenwoordigers van het volk, in de gevangenis gegooid werden, heeft ernstige schade gedaan aan het imago van het regime in het Westen, waar algemeen wordt aangenomen dat een en ander gebeurd is op aanwijzingen van het leger. In werkelijkheid heeft het verbod op de DEP het Koerdische probleem van Turkije alleen maar nog internationaler gemaakt. Binnen de grenzen van het land heeft de Staat door onze partij te verbieden willen voorkomen dat de strijd van het Koerdische volk voor de vrijheid en de democratie zich ontwikkelde op een legaal politiek terrein.

Hierdoor heeft ze een bevoorrecht instrument vernietigd voor de Koerdisch-Turkse dialoog voor een democratische oplossing van de Koerdische kwestie in Turkije. De politieke partijen die deze gelegenheid niet aan hebben weten te grijpen, de media die zich wijden aan desinformatie, de sociaal-professionele organisaties die vluchten in zwijgzaamheid en de intellectuelen die hun verantwoordelijkheden ontlopen dragen gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor het wrede proces dat zich afspeelt en voor de zware verliezen die onze beide volkeren te verduren krijgen.

Een politieke partij heeft het recht en de plicht zijn meningen uit te spreken over de problemen in het land en om ze te verspreiden. We hebben gehandeld volgens onze overtuigingen en naar wat wij in het belang van het land en van de democratie achten. We hebben geijverd - om te voorkomen dat er nog meer bloed en tranen zouden vloeien - voor het vinden van vreedzame oplossingen voor de ernstige problemen van het land.

Eigenlijk verwijt men ons dat we, in het kader van de vrijheid van meningsuiting, geen geheim hebben gemaakt van onze meningen over de coëxistentie van Turken, Koerden en andere volken in Turkije op een echte basis van gelijkheid, vrijheid en broederschap. We hebben geen enkele gewelddadige actie ondernomen en ook geen geweld gepredikt. Onze enige 'misdaad' is onze overtuigde, onwrikbare gehechtheid aan onze democratische en vreedzame eisen. Wat het verloop ook zal zijn van het proces dat ons is aangedaan, het is uitgesloten dat we onze ideeën en eisen opgeven. Laat iedereen er zeker van zijn dat we die ideeën en eisen zullen verdedigen tegen elke prijs, en dat we alles in het werk zullen stellen om te komen tot een vreedzame regeling voor de Koerdische kwestie, want dat is de taak waarvoor we verkozen zijn.

Als Galilei ondanks het feit dat hij door de Inquisitie bedreigd werd heeft kunnen zeggen: 'En toch draait ze!', zal ik op mijn beurt zeggen dat ik blijf strijden voor de Koerdische kwestie, die een even tastbare realiteit is als de aarde die draait.

Als eerste Koerdische vrouw die verkozen is als afgevaardigde loop ik het risico ter dood veroordeeld te worden voor mijn inzet voor de vrede, de democratie en de noodzakelijke erkenning van de legitieme rechten van mijn volk. En deze staat, die bekend staat als 'democratisch', die lid is van de NAVO en van de Europese Raad, die op allerlei manieren gesteund wordt door het Westen wil mij, op de drempel van het jaar 2000, naar de brandstapel sturen. Is dat minder schokkend voor de opinie dan de veroordeling van Taslima Nasreen door fundamentalistische groeperingen? Bij ontstentenis van de regeringen, die nu weer even toegeeflijk zijn ten opzichte van Turkije als ze eerst waren bij Irak toen daar de Koerden afgeslacht werden, om dezelfde economische belangen, wacht ik op de mobilisatie van mijn parlementaire collega's, van de verdedigers van de vrijheid van meningsuiting en ook van mijn feministische zusters.