Migrant wordt calculerende burger

Immigranten passen zich op typisch Nederlandse manier aan de Nederlandse verzorgingsstaat aan. Net als andere Nederlanders gedragen ze zich als calculerende burgers en weten ze hoe ze het maximale aan uitkeringen en subsidies moeten binnenhalen.

Will Tinnemans: Een gouden armband. Een geschiedenis van mediterrane immigranten in Nederland (1945-1994) 445 blz., geïll., Nederlands Centrum Buitenlanders 1994, ƒ 34,50

Jan Lucassen, Rinus Penninx: Nieuwkomers, nakomelingen, Nederlanders. Immigranten in Nederland 1550-1993 237 blz., geïll., Het Spinhuis 1994, ƒ 35,-

In de jaren vijftig gebeurde het wel dat de politie in Limburg Italiaanse mijnwerkers het land uitzette omdat ze met Nederlandse meisjes gezien waren. Die mannen hadden een andere 'levenshouding', zei men, en dat zou misverstanden kunnen wekken. Veertig jaar later worden Marokkaanse vaders die hun vandalistische zonen een daverend pak slaag gegeven hebben op het politiebureau bestraffend toegesproken. Hulpverleners lokken Turkse meisjes het huis uit opdat zij zich in vrijheid en onder hun begeleiding kunnen emanciperen. Cultuurverschillen mogen er zijn, zegt men nog steeds, maar er zijn grenzen.

Vroeger werden die onder de kin strak dichtgeknoopte hoofddoekjes door de Nederlandse huisvrouwen gedragen: dat drukte alom gewaardeerde zedigheid en degelijkheid uit. Tegenwoordig betekent diezelfde dracht bij allochtone vrouwen precies hetzelfde, alleen wekt het nu bij de heersende meerderheid van de Nederlandse bevolking grote irritatie. Hoofddoekjes gelden voor Nederlanders nu als het embleem van achterlijkheid. Nederland is geëmancipeerd, gemoderniseerd, geïndividualiseerd, en de enkele inwoners die nog niet zo ver zijn vormen een probleem.

Een probleem in Nederland vraagt om beleid. Is het probleem niet snel de wereld uit dan is er sprake van falend beleid. Dit jaar verschenen twee boeken die de immigratie in Nederland in brede zin behandelen, en van die twee is Will Tinnemans' Een gouden armband, Een geschiedenis van mediterrane immigranten in Nederland (1945-1994), een goed voorbeeld van dat beleidsdenken. “De geschiedenis van de mediterrane immigranten in Nederland is een aaneenschakeling van gemiste kansen”, schrijft de journalist Tinnemans aan het slot van zijn zeer uitvoerige verhandeling. Na de 400 voorafgaande pagina's wekt deze zin bij de lezer geen misverstanden: Tinnemans heeft het hier beslist niet over het doen en laten van de immigranten zelf.

Met uitzondering van onder andere het Nederlands Centrum Buitenlanders, de belangrijkste middenveldorganisatie voor immigranten (en Tinnemans' opdrachtgever), krijgt vrijwel iedere betrokken instelling er flink van langs. Veertig jaar immigranten, veertig jaar van verkeerde inschattingen, kortzichtig beleid, en negatie van de immigrant 'als mens'. Het is een droevige stoet van tekortschietende nota's en beleidsmaatregelen, voortdurend begeleid door Tinnemans' goedkope verontwaardiging, en als hij aan het eind niet Lubbers had kunnen citeren die zegt “Ik krijg zelf altijd een warm gevoel bij verschillen”, dan was er nergens in het boek enige reden tot vrolijkheid geweest.

Tinnemans is een deel van het probleem: wat is er toch mis met immigranten in Nederland dat er zulke boeken geschreven worden? De tweede recente publikatie, Nieuwkomers, nakomelingen, Nederlanders, geeft het begin van een antwoord op deze vraag. In tegenstelling tot Tinnemans, lopen de sociale wetenschappers Jan Lucassen en Rinus Penninx hun lezers niet voor de voeten met populaire clichés en snelle oordeeltjes die leesbaarheid en engagement moeten suggereren. Sober en systematisch behandelen zij het wedervaren van 'Immigranten in Nederland 1550-1993', en wat daar vanuit de sociale wetenschappen over te zeggen valt. Dat is niet veel, maar wel nuttig.

De belangrijkste constatering van Lucassen en Penninx is dat, voorzover dat historisch goed valt na te gaan, nieuwkomers zo'n drie generaties nodig hebben om zich hier volledig thuis te voelen. Dat gold bijvoorbeeld voor twee succesvolle groepen: de Zuidnederlanders die rond 1600 kwamen, en de Hugenoten aan het eind van de zeventiende eeuw. Het overheidsbeleid in beide gevallen was tolerant, maar wisselend.

“In het licht van de historische ervaringen”, moeten ze dan ook vaststellen dat heden ten dage “de verwachtingen op korte termijn te hoog zijn”. Bijvoorbeeld: in 1983 verscheen er een minderhedennota, zes jaar later constateerde de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid al dat het in die nota voorgenomen beleid mislukt was.

Nederland heeft dus gebrek aan geduld. Tinnemans met zijn haastig gemoraliseer staat niet alleen. Nederlanders zien zichzelf als expert in het emanciperen van minderheden: dat heeft tenslotte onze unieke verzuiling en onze unieke verzorgingsstaat opgeleverd. Als modellen zijn die echter verwarrend: ook van de verzuiling heeft men zich geëmancipeerd, en de verzorgingsstaat kan zijn vingers niet van achterstandsgroepen houden, terwijl les één van emancipatie toch is dat die groepen vooral zichzelf omhoog moeten zien te werken. Wat te doen, wat te denken?

De verzuiling is voor velen onder ons juist datgene waar we ons met succes van bevrijd hebben. Verzuiling is godsdienst, hoofddoekjes en hokjesgeest. Juist de politiek links geörienteerden, degenen waar de nieuwkomers het in de jaren zestig en zeventig in hun strijd tegen uitbuiting van moesten hebben, verbieden hen zich nu op oerhollandse en beproefde wijze een plaats in Nederland te veroveren.

De Rushdie-affaire was in de verhouding tussen deze groepen het bekende keerpunt. Niet dat de moslims in Nederland Rushdie direct ter dood gebracht wilden zien, maar zij - voorzover ze er over nadachten - wilden graag erkend zien dat ze gekwetst waren. Mohammed Rabbae, nu kamerlid voor Groenlinks, vertolkte als directeur van het NCB destijds bij uitstek deze gevoelens. Hij zag ook de breuk met de vroegere bondgenoten, en begreep dat wel: zij hadden zich tenslotte persoonlijk ontworsteld aan de dwingelandij van kerk en clerus. Sterker nog, had hij er aan toe kunnen voegen, de solidariteit met immigranten was deel van hùn emancipatie en machtsverovering. De immigranten pleegden desertie.

Rabbae beschouwde het vervolgens niet als een historische vergissing om Groenlinks te gaan vertegenwoordigen. Anderen, vooral Turken en hindoestanen, vonden de laatste jaren de logische weg naar het CDA en de Raad van kerken. Logisch en naar het zich laat aanzien effectief, maar volgens het theoretisch schema te snel. Alvorens steun te zoeken bij andere gelovigen, zou toch eerst de eigen zuil tot volle wasdom moeten komen, leert de geschiedenis.

Er is een groep die deze weg lijkt te bewandelen: de Turkse Milli Görûs beweging die nauwelijks wordt opgemerkt, bijzonder actief is onder jongeren, en hechte banden onderhoudt met de fundamentalistische Refah-partij die in Turkije zo'n succes heeft. Aan de hand van deze groep zijn de problemen van verzuiling en beleid goed te analyseren.

De overeenkomsten tussen Milli Güors en de gereformeerden van Abraham Kuyper, honderd jaar geleden, vallen direct op: het gaat om ernstige jongemannen, die het geloof zelf uit de boeken wilden leren kennen, en aanvankelijk de neiging hadden alles zo strikt en letterlijk mogelijk op te vatten. Maar de boekenwijsheid verdiept zich, ze leren regels interpreteren, en de leeshonger en algemene zucht tot ontwikkeling breiden zich in de loop van de jaren tachtig uit over andere gebieden dan de religieuze.

Dat klinkt heel sympathiek. Helaas had de jonge elite van de Milli Güors nog iets anders gemeen met het gedachtengoed van Kuyper, namelijk veroveringszucht. Kuyper wilde Nederland 'kerstenen', dat wil zeggen mensen en maatschappij moesten waarlijk christen worden, en Kuyper en de zijnen zouden daarin voorgaan. Islamitische fundamentalisten beweren hetzelfde in het geval van de islam - ze worden door velen (en zichzelf) daarom liever 'islamisten' dan 'fundamentalisten' genoemd.

Bij de Kuyperianen viel het uiteindelijk allemaal mee. De veroveringsretoriek mondde snel uit in het stijle elitebesef van een gideonsbende - het besef een minderheid te zijn werd gekoesterd in plaats van bestreden. Het aardige is dat bij de jongerenleiders van de Milli Güors, in de loop van de jaren tachtig eenzelfde verschuiving plaatsvond. Het mechanisme van die pacificatie is bij de Nederlandse zuilen bekend: de elites vonden elkaar noodgedwongen omdat zij alle slechts een minderheid vertegenwoordigden. Er is vaak gezegd dat verzuiling bij immigranten niet kan werken omdat ze bij gebrek aan voldoende gewicht - het zouden wel heel kleine zuiltjes worden - niet op voet van gelijkheid met heersende elites kunnen pacteren. Zo werkte het ook niet bij de Milli Güors. De geschiedenis herhaalde zich, maar niet op dezelfde manier.

De jonge honden van de Milli Güors, die eerst naar modern islamistisch gebruik hun baarden lieten staan, hun broeders in het geloof scherp kritiseerden, en zich in hun eigen kleine groepje opsloten, hadden daar al na een jaar of drie vier genoeg van. Het was in feite de welzijnssector in het bijzonder en de verzorgingsstaat in het algemeen, die ze in het gareel bracht, ook al liep die druk voor een belangrijk deel via de Turkse gemeenschap: de ouderen hielden niet van politiek, en de jongeren waren en zijn niet zo wanhopig als in pakweg Algerije. Je kan werkloos zijn, maar uitkeringen en voorzieningen zijn hier toch zo goed dat een jongmens alle gelegenheid heeft een biertje te drinken, achter de meiden aan te zitten, en aan vechtsport te doen.

Maar het ging ook directer. De minderhedenambtenaar wordt niet overtuigd van de noodzaak een groep te subsidiëren als de argumenten uit koranverzen bestaan. Ze leerden dus de psychologische, sociale, juridische en economische argumenten hanteren die hier gebruikelijk zijn in het verkeer tussen Nederlandse instellingen.

Immigranten passen zich dus aan bij de specifiek Nederlandse verzorgingsstaat. Niet alleen door zich net als andere Nederlanders calculerend te gedragen, en het maximale aan uitkeringen en subsidies binnen te halen. Maar ook door, calculerenderwijs, zich op een manier te ontwikkelen waar met welgevallen op toe gezien kan worden. Om bij ons voorbeeld te blijven: de Milli Güors is nu tolerant, geeft duizenden Turkse jongeren met hun ideologie zelfvertrouwen, propageert een goede scholing, en houdt ze van de straat met respectabele activiteiten als video-kijken, computercursussen, vechtsporten, quizavonden en theedrinken. En de Milli Güors sticht islamitische basisscholen.

De typisch Nederlandse vraag is dan altijd: wat betekent dit voor het beleid? De eerste fase van verzuiling (die van de vestiging van de eigen identiteit) is enigszins te stimuleren. Maar het beleidsmatige onderkennen van groepen met een eigen identiteit kan tegelijk stigmatisering in de hand werken, constateren Lucassen en Penninx ook. De overheid werkt door het bevorderen van groepsidentiteit een soort 'etnisering' in de hand: omdat er geld mee te verdienen valt gaat een groep zijn kenmerken prononceren en uitbreiden, en individuele leden van de groep raken opgesloten. Bevordering van eenheid is natuurlijk gunstig voor de zwakkere groepsleden. Het kan echter ook leiden tot een kwalijke monopolisering van die eenheid: een groep als de Milli Güors kwam lang niet voor subsidie in aanmerking op grond van negatieve adviezen van andere Turkse organisaties.

Misschien was die taaie strijd wel heel goed voor zo'n groep, want daardoor moeten ze hebben geleerd om veel op eigen kracht te organiseren en financieren. Dat had op zijn beurt weer voor een te strikte autarkie kunnen zorgen, zoals in Duitsland waar het met de openheid van Milli Güors, en andere groepen, minder gunstig is gesteld. Autarkische groepen leren maar moeizaam met andere organisaties om te gaan en samen te werken.

En zo verder. Het enige juiste beleid is eenvoudig niet vast te stellen; het heeft nooit een eenduidige werking. Hetzelfde geldt al als er over gediscusisserd wordt. Bolkesteins provocerende opening van het 'minderhedendebat' was nuttig en nodig, maar vervolgens moest een belangrijk deel van dat debat besteed worden aan de bestrijding van sentimenten en vooroordelen die hij met zijn provocatie had versterkt.

Volgt hier nu uit dat het beste beleid helemaal geen beleid is, dat volstrekte passiviteit is geboden? Misschien, maar dan zijn we de maatschappelijke emancipatie ook kwijt, en zo wanhopig zijn we nog niet, dus vervolgen we onze weg met de alles overstijgende vraag: waarom is er eigenlijk beleid?

Gevestigden en buitenstaanders leven voort, en zijn voortdurend in onderhandeling met elkaar: Politici, ambtenaren, zaakwaarnemers, nieuwkomers en andere ingezetenen. Beleid is geen voorwaarde om te kunnen bestaan. Nota's, beleidsnotities, maatregelen, etc, zijn telkens de resultanten van (delen van) dat onderhandelingsproces.

Nu komen we op een punt waar we toch nog een positieve noot kunnen treffen. Want als beleid de uitkomst van een ingewikkeld onderhandelingsproces is, dan zijn de haast, de snelle teleurstellingen en plotselinge wendingen niet een teken van stagnerende emancipatie. Integendeel, de posities willen maar niet verstarren - ze zijn voortdurend in beweging. Boeken als van Tinnemans zijn in dat perspectief niet zo maar hatelijke uitwassen - ze wijzen door hun bestaan ook op iets gunstigs in de sociale werkelijkheid.

Allochtonen in adviesraden die klagen over de vrachten papier die over hen uitgestort worden, raken daar ook wijzer van: het dwingt ze hun belangen in vergelijkbare en/of concurrerende termen te formuleren. Het is de moderne variant op de eindeloze palavers in oudere culturen. Nota's analyseren niet alleen emancipatie, ze zijn er ook een onderdeel van. Ze mogen ons ergeren wegens hun gebrek aan poëzie, maar het zijn bij uitstek pogingen tot rationele en dus beheersbare discussies. Wie in vrede wil leven zal wat verveling op de koop toe moeten nemen.

Een van de belangrijkste problemen met migrantengroeperingen in de jaren zeventig was hun onderling gekift en geslotenheid naarbuiten toe. Dat is veranderd. Bij de Turken bijvoorbeeld werd toen de sfeer bepaald door linkse en rechtse organisaties die elkaar soms letterlijk op leven en dood bestreden. Dat fenomeen is vrijwel verdwenen. De huidige organisaties zijn politiek anders verdeeld, en aan de top vaak nog wel concurrerend, maar naar het zeggen van sociaal onderzoekers die het kunnen weten is de samenwerking op lokaal niveau groeiende. Een jongere die bij de Milli Güors aan sport doet, gaat zonder problemen bij een concurrende club theedrinken, en omgekeerd. Dat lag vroeger anders, en is in Duitsland nog steeds moeilijk. In Nederland zijn dus ook op dat niveau de emancipatie-palavers meer open en intensiever geworden.

Zo onderhandelen nieuwkomers zich op verschillende manieren naar een positie binnen de Nederlandse samenleving. Ook het resultaat van hun beleid is nooit te voorspellen, en vaak tegengesteld aan de bedoelingen. De serieuze jongelieden die ter meerdere eer en glorie van God met grote hartstocht lezen, studeren en hun eigen geweten ontwikkelen, zouden wel eens het lot kunnen delen van zo vele Nederlandse calvinisten: als eenmaal de ban gebroken is en het heilige woord geïnterpreteerd wordt zoals het individuele en rationele geweten het ingeeft, ligt de weg open voor de loochening van God en gebod. Het hoeft niet, maar het is mogelijk en het is eerder gebeurd. Betekent dit dat de angst voor fundamentalisme in Nederland onterecht is? Ja en nee dus. De socialisatie van het fundamentalisme lukt dank zij de nodige weerstand van de sociale omgeving, mits met mate uitgeoefend - met beleid, zoals we in Nederland zeggen.