In touw

“Ik praat nu over het begin van de jaren '60”, vervolgt Brandsma, “en in dat kader hebben we ook intensief naar het weidepatroon van die dieren gekeken, want het is denkbaar: je verandert de melkenstijden, je krijgt minder opbrengst, maar dat hoeft niet per se aan de werking van hun uiers te liggen, het is ook mogelijk dat ze minder zijn gaan vreten.

“We hadden ze permanent onder observatie, overdag en 's nachts. Die nachten waren we constant in touw. Elke vijf minuten met een lantaarntje het weiland rond. Daar waren ze gauw aan gewend, dat deed ze niks.

“Nou zie je in deze tijd van het jaar, als het vroeg donker begint te worden, dat ze bij het vallen van de avond nog even alles op alles zetten, echt nog even fanatiek aan het grazen slaan. Dan wordt het nacht, ze gaan liggen, ze beginnen het opgenomen voedsel te herkauwen. Rond een uur of twaalf grazen ze nog wat bij, dan weer herkauwen. In de nanacht wordt dat herkauwen minder en dat kun je je voorstellen, alles is zo onderhand schoon op.

“Dan heb je periodes, een uur of twee, drie lang, zonder enige activiteit, en dan kon het gebeuren dat je ze zag slapen.

“Altijd liggend, de ogen dicht, de hals meestal gedraaid, de kop vaak tegen de romp, de achterbenen opgetrokken en de voorbenen ook, bijna in de starthouding.”