In oorlogstijd is iedereen naakt; Ernest Hillen schrijft zonder verbittering over de Japanse 'concentratiekampen' in Indië

Als Nederlands-Canadees jongetje van zeven kwam Ernest Hillen in Indië in een Japans interneringskamp terecht. Zijn herinneringen, nu vertaald onder de titel 'Kampjongen', zijn een hommage aan de kracht van het geheugen. 'Elk detail wilde ik terugroepen. Waar heb ik dat gezicht gezien? Waar was ik toen het regende? Waar brengen de geuren me heen?'

Ernest Hillen: The Way of a Boy. Uitg. Viking, 200 blz, ƒ 35. Kampjongen, vert. Hanne Martherus, uitg. Becht, 182 blz, ƒ 34,90. Pans Schomper: Indië vaarwel, 244 blz, distr. Van Stockum, Den Haag, 070-3656808, ƒ 32,50.

Ernest Hillen geeft morgen om 15u op uitnodiging van het John Adams Instituut een lezing in het West-Indisch Huis, Herenmarkt 97, Amsterdam. Interviewer Peter Schumacher. Inl. 020-6247280.

“Dat is een kampschoen”, zegt de Nederlands-Canadese auteur Ernest Hillen. Hij staart naar het minuscule prentje in de palm van zijn hand. Ik heb hem zojuist de nieuwe postzegel van tachtig cent laten zien die gewijd is aan Nederlands-Indië 1941-1945, de jaren van de Japanse interneringskampen. Het komt als een schok. Op een helgele ondergrond van bamboe staat de afdruk van een linkervoet. Ernaast een houten kampschoen met over de wreef een band van oud rubber. Het schoeisel maakten de gevangenen zelf, vaak uit afgedankt materiaal.

Meteen daarop laat hij volgen: “Typische mensen toch, die Hollanders. Het is subtiel gedaan. Ja, een kampschoen. Op een postzegel.”

Hillen werd in 1934 in Scheveningen geboren. Spoedig vertrok het gezin naar Nederlands-Indië, naar de theeplantage van zijn vader. Het leven daar was, zoals voor veel opgroeiende kinderen, paradijselijk. De ruimte, de vrijheid, de geur van avontuur, de bossen en bergen, niet te vergeten de band die vooral de jongens hadden met gevaarlijke beesten uit het woud. Slangen, wilde zwijnen.

Die idylle werd ruw verstoord door het uitbreken van de oorlog in Azië en de daaropvolgende internering. In de laadruimte van een open vrachtwagen onder de tropenzon hotsten en bonkten moeder Hillen en haar twee zoons, ingeklemd tussen tal van Nederlandse lotgenoten, naar hun eerste kamp, Bloemenkamp. Er zouden nog andere volgen. Elke keer weer erger; meer honger en dorst, meer geweld door de Japanners, meer mensen in steeds kleinere ruimten en vooral meer zieken en doden. Vanaf zijn zevende tot enkele maanden in zijn tiende was de Nederlandse jongen Ernest Hillen met zijn moeder en zijn vier jaar oudere broer geïnterneerd in enkele beruchte Japanse kampen op Java, onder andere Tjihapit, Tjihapit Boven en Kampong Makasar. Vader verdween in het mannenkamp.

Vorige zomer bracht Ernest Hillen zijn in het Amerikaans geschreven herinneringen uit, The Way of a Boy: A Memoir of Java, die onlangs in het Nederlands zijn vertaald als Kampjongen. Het boek, waar hij zestien jaar aan gewerkt heeft, is geschreven sans rancune tegenover de vijandelijke Japanner. Dat is het onvoorstelbare ervan, zeker in vergelijking tot de rijke maar veelal verbitterde traditie van de Nederlandse kampliteratuur. In dit opzicht is het alleen te vergelijken met een eveneens recent verschenen boek, Indië vaarwel door Pans Schomper. Gaat The Way of a Boy over de vrouwenkampen, Indië vaarwel sluit met de weergave van de mannenkampen hierop aan. Een onverwacht, prachtig en beklemmend tweeluik.

Het leeftijdsverschil van acht jaar tussen de beide auteurs bleek beslissend: een kind onder de elf gaat met zijn moeder mee naar het vrouwenkamp, boven de elf moet het naar de mannen. Schomper heeft die overgang beschreven: hij zag ze aankomen in het mannenkamp, de kinderen die oud genoeg werden bevonden met de teddybeer nog in de hand door het hek langs de gewapende bewakers.

De stijl van Hillen is wat poëtischer dan die van Schomper, die rechtstreekser en rauwer schrijft. Toch zijn er veel overeenkomsten tussen de twee autobiografische boeken. Beide handelen over een sensitief kind dat in het kamp, ondanks alle verschrikkingen, een avontuurlijke tijd doormaakt. De auteurs hebben een open oog voor wat er rondom hen gebeurt, ze zijn allesbehalve verstrikt in hun eigen leed. Hillen: “In oorlogstijd is iedereen naakt. Je kunt je achter niets verschuilen als je uren met zijn allen in de hete zon staat. Die eerlijkheid is later in mijn boek terechtgekomen, en ik denk ook in dat van meneer Schomper.”

Jodium

Ernest Hillen voelt zich op zijn gemak in een Amsterdams café in de schaduw van de koepel van de voormalige ronde, Lutherse Kerk. Ondanks het straatgewoel blijft hij kalm en langzaam Nederlands spreken, af en toe neemt hij zijn toevlucht tot een Canadese zinswending. Na de oorlog woonde het gezin afwisselen in Nederland en Canada, het geboorteland van zijn moeder, waar Hillen zich in 1952 ook definitief vestigde. Hij is er als journalist verbonden aan het weekblad Saturday Night. Het boek mag zich in een enorme belangstelling verheugen, niet alleen in Canada en in de Verenigde Staten, maar ook in Australië en zelfs Frankrijk waar het al vertaald is. Er is sprake van verfilming. The Way of a Boy is opgedragen aan Hillens moeder, Anna Cadwallader Watson-Hillen. Ze leeft nog, woont bij haar zoon in huis en heeft als eerste het boek gelezen. Eén kleine vergissing haalde ze eruit: om een wond van haar zoon te reinigen gebruikte ze geen jodium, maar water. “Nee, Ernest, toen had ik geen jodium.”

Niet zonder trots vermeldt Hillen dat een Japanse uitgever geïnteresseerd is. Zou hij dan naar Japan gaan en lezingen geven, uit zijn boek voorlezen? Hillen: “Zonder twijfel. In mij is niet het minste residu terug te vinden van boze of hatelijke of negatieve of kwade gevoelens jegens de Japanners. Dat ligt niet in mijn natuur. Onrecht dat me wordt aangedaan vergeet ik snel. Daarvoor zijn twee redenen, en die hebben allebei met mijn moeder te maken. Meteen na de oorlog, na onze terugkeer in 1946 in Canada, heeft ze veel tegen mijn broer en mij erover gesproken. Wanneer het maar te pas kwam zei ze: 'Ik wil dat jullie ophouden met boos te zijn op de Japanners. Het was oorlog, dan zijn mensen zo. Het waren mannen in uniform die ons kwaad deden, military men. Niet alle Japanners zijn zo en zeker niet een heel volk.' Bovendien wilde zij dat we niet te veel bij die tijd van vroeger bleven stilstaan. 'Het volgende avontuur ligt om de hoek van de straat', zei ze dan. 'Ga erheen. The next adventure is coming'.”

Voor Hillens vader lag het anders. “Hij sprak er met niemand over. Zeker, hij had het over Indië, maar dan het Indië van voor en na de oorlog. Nooit tijdens de Japanse bezetting. Mijn broer die in Assen woont, heeft evenals mijn vader pijnlijke gevoelens. Toen hij eens tijdens de TT-races de Japanse vlag zag, was hij overstuur. Maar ik mag niet spreken over zijn gevoelens. Die kamptijd spookt niet door míjn hoofd. In Canada heb ik Japanse vrienden. Als het boek in Japan gepubliceerd gaat worden, dan is de cirkel gesloten.”

Die kamptijd spookt niet door mijn hoofd... Niet veel later in het gesprek bekent Hillen dat hij tijdens het schrijven vaak in huilen uitbarstte en dat hij op een keer bemerkte dat zijn handen onweerstaanbaar begonnen te trillen. Het enige wat hij nog net kon doen om niet ziek te worden was de computer uitschakelen en zijn werkruimte in de kelder van het huis te verlaten en naar boven te gaan, een bad nemen.

Emmers water

Eén van de verbijsterendste zinnen van het boek staat bijna aan het eind, bij wijze van terugblik, onder het kopje Notes (Kort verslag). Hillen schrijft: “De meeste mensen die in dit boek worden genoemd hebben de oorlog overleefd, behalve oom Fred Staal, die aan dysenterie stierf toen hij als krijgsgevangene aan de spoorweg Birma-Siam werkte. Ik weet niet wat er gebeurd is met Manang, meneer Otten, Peter, Dirk, Jantje Tomaat, Willie, Tesuka of luitenant Tanaka.”

Tesuka en Tanaka? Had ik het wel goed gelezen, in het rijtje namen van een Indische bediende en verder vertrouwd-Hollandse namen? Tesuka en luitenant Tanaka, dat waren toch de Jappen die in het boek vrouwen slaan en schoppen waar ze haar maar kunnen raken, tot ze uiteindelijk met bloedend gezicht voorovervallen? Of die, nadat de geïnterneerden voor de zoveelste keer in treinwagons zo heet als een oven werden vervoerd, de emmers water omver trapten op de perrons voor ogen van de dorstigen? Emmers overigens die waren klaargezet door de Indische bevolking.

Ernest Hillen geeft toe dat hij veel nadacht over het lot van de Japanner na de oorlog. “Ik schrijf zonder te oordelen, op afstand. Daarom kan ik me afvragen wat er met die mensen is gebeurd. Want je begreep ze niet, de Japanners, de volwassenen begrepen ze evenmin. Ze zijn anders, ze bleven voor ons volstrekte vreemden. Mijn moeder zei steeds weer dat ze niet alleen ons maar ook elkaar voor rot sloegen. Inderdaad, dat zagen we. Een Japanse luitenant die een soldaat onder handen neemt. Dat is hun discipline in het leger.

“Die drang tot objectiviteit komt misschien voort uit mijn journalistieke inslag, en door twee schrijvers die ik bewonder, Somerset Maugham en Christopher Isherwood. De eerste zei dat hij altijd een buitenstaander was, a spectator. En de andere begint zijn boek over Berlijn met de zin: 'I'm a camera'. Dat standpunt huldig ik, in de journalistiek èn in de literatuur. Het is zinloos de Japanners nu na te dragen wat toen plaatsvond, hoe vreselijk ook. Ik ben een voorstander van wederzijds begrip, van verzoening. Vergeet niet dat het kind dat ik beschrijf, zelf niet werkelijk veroordeelde. Wat gebeurde, overkwam hem. Zijn moeder en hij maakten er het beste van, ze wilden overleven. Voor het kind is zijn moeder een heldin, net als Zuseke Crone en Corry Vonk. Bijzondere mensen. Met haar onvoorstelbare energie organiseerde Corry Vonk toneelavonden. Maar dat ervaart een kind op dat ogenblik niet op die manier. Bijzondere vrouwen: dat zijn de woorden van later.

“Nogmaals: haat is mij vreemd. Ik ben eerder iemand die onthecht is. Dat is Indisch. Je nergens thuis voelen en daarom je boosheid niet op één natie kunnen of willen projecteren, die niet tot in lengte van dagen koesteren. Ik ben evenmin Canadees als Hollander. Morgen kan ik naar Brazilië verhuizen. Maar als ik eerlijk ben, zou ik er een afgehakte hand voor over hebben om morgen een baantje in Indonesië te krijgen. Een klein baantje maar, dat is voldoende. Ik beschouw het land hoe dan ook als mijn verloren paradijs. Ik houd van de geuren daar, van de elegantie van de mensen, vooral van hun mentale elegantie. Dat laatste is in het westen ondenkbaar.”

Ernest Hillen spreekt herhaaldelijk over 'concentratiekampen'. En iedere keer corrigeert hij zich: “Jullie hier noemen dat de interneringskampen, nietwaar? Toch is concentratiekamp een beter woord, want het betekent mensen in een afgesloten plek samenbrengen, concentreren. En zo ging het.” Uit deze en tal van andere bespiegelingen, ook aan het slot van het boek, blijkt overduidelijk zijn afstandelijke houding ten opzichte van zijn kampverleden. Is hij bekend met de Nederlandse kampliteratuur? Hillen: “Nee. Op een dag ontving ik van een vriend een zwart-groen boek, een paperback, en daarin heb ik hier en daar een enkele paragraaf gelezen. Was het niet van Rudy Kousbroek? Het Oostindisch kampsyndroom? Van Bezonken rood van Jeroen Brouwers heb ik alleen gehoord. Ik wilde die boeken niet kennen. Ik vond het angstig. Als je zelf aan het schrijven bent, moet je andermans verhalen ongemoeid laten. Voor je het weet worden het jouw verhalen. Ik spreek in mijn boek de waarheid, maar dan wel over een werkelijkheid zoals ik die ervoer.

“Wel heb ik veel gelezen over de Duitse concentratiekampen. Daarin trof me wat me ook op Java opviel: vrouwen zijn veel sterker in een kampsituatie dan mannen. Hun moraal is hoger. Ik schrok toen ik na twee jaar voor het eerst een blanke man zag. Wat een sloomheid, dofheid, lafheid ook. Ze zagen er onverzorgd uit. Afhangende schouders. Smerig, kapotte kleren. Ik dacht, kind dat ik was: 'Dat komt naturlijk doordat die mannen geen kleren kunnen wassen of maken'. Ik herinner me dat er een schutting gebouwd moest worden tussen de mannen- en vrouwenafdeling. De vrouwen waren veel moediger. Zij riepen naar de mannen, ook al was dat verboden: ze deden het toch. Maar de mannen gaven geen sjoege. Zo kwam het dat de Japanners met hun geweren in de richting van de vrouwen stonden, en niet in die van de mannen. Het is goed mogelijk dat vrouwen sterker zijn omdat ze de zorg voor kinderen hebben. De mannen vervielen tot apathie. Mijn oudere broer dacht er anders over. Toen hij naar het mannenkamp moest, vond hij dat another adventure. Eindelijk alleen, op z'n eigen houtje.”

Onverschilligheid

Eén van de trauma's voor de Nederlandse ex-geïnterneerden was de onverschilligheid van de Nederlandse bevolking bij terugkeer. De gangbare mening was dat de kampen in de voormalige kolonie nooit zo erg geweest konden zijn als de vernietigingskampen in Duitsland. Indië? Dat was toch één grote zomervakantie? In Canada was het niet anders. Hillen vertelt dat ze een weekje enigszins in de aandacht stonden, en daarna werden vergeten. “The Toronto Star publiceerde op 21 maart 1946 een foto van ons. We waren de eerste gevangenen die uit een burgerkamp vrijkwamen. Het onderschrift luidde: 'It's a delayed Christmas for Mrs. John Hillen and her sons Gerald and Ernest. They've just arrived home after almost four years in Jap internment camp in Batavia where they ate cats, dogs, rats and snails for their Christmas dinners.' De familie van mijn moeder heeft misschien al met al een uur geluisterd naar haar verhalen. Tot slot zweeg ze.

“De Canadees weet nauwelijks waar Indonesië ligt. Het kamp is geen onderwerp waarover je praat. Bovendien is de oorlog aan Canada voorbijgegaan, ja, misschien was er wat minder spek en boter voorradig. We waren ingetrokken bij de ouders van mijn moeder. Op een dag nam mijn grootvader haar apart en hij zei, letterlijk: 'Anna, je twee zoons schoppen de hele dag keet en jij bent vrolijk. Wat doe je eigenlijk hier? Als je nu een oog miste of een arm, dan konden we voor je zorgen. Nu niet. We willen eigenlijk dat je weggaat.' We moesten ons boeltje pakken. We gingen toen een heel arme tijd tegemoet, want vader was nog in Indië waar hij werkte voor de Nederlandse regering. Maar hij kon ons geen geld sturen.'

Ernest Hillen prijst zich gelukkig tot nog toe gevrijwaard te zijn gebleven van angsten die andere ex-geïnterneerden troffen. Was hij niet bang tijdens het schrijven de oude wonden open te rijten? “Het schrijven van het boek heeft zestien jaar geduurd, met grote tussenpozen. Ik ben nu zestig en wat heb ik...? Eén boek. Ik schrijf langzaam. Ik denk dat het zo lang moest duren omdat ik nu rijp genoeg ben om opnieuw als een kind te kunnen denken. Want de volwassene van nu mag de jongen van toen niet verdringen. Het was voor mij geen therapie om het boek te schrijven. Geleidelijk en stapsgewijs is het ontstaan. Dat ik weleens huilde, heeft niet alleen te maken met opnieuw doorstane angsten, pijn of verdriet. Ik werd aangegrepen door de extase van de beelden die ik uit de nevel van mijn geest te voorschijn haalde. Dat is een soort blij huilen. Met fotografisch scherpte zag ik dan flarden van herinneringen terug.

“Dat ging als volgt: ik zag bijvoorbeeld een stukje van een gezicht voor me, ik hoorde de regen slaan of ik rook ineens een bepaalde geur. Dan ging ik die herinneringen hameren met vragen. Alles wat bij me opkwam. Elk detail wilde ik terugroepen. Waar heb ik dat gezicht gezien? Van wie was het? Welke gezichten waren in de buurt? Waar was ik toen het regende? Was ik buiten of zat ik binnen en keek ik naar de neergutsende regen? Waar brengen de geuren me heen? Enzovoort. Op een gegeven moment kreeg ik een reservoir, een package aan beelden en herinneringen. Daaruit is het boek voortgekomen.

“Uiteindelijk beschikte ik over veel meer materiaal dan ik nodig had. Dat is bijzonder. De meeste schrijvers zitten juist om materiaal verlegen. Vervolgens ben ik bladzijden gaan schrappen en zinnen gaan zeven om de essentie over te houden. Dat is het zwaarste en moeilijkste proces van het schrijven. De onontbeerlijke, schilderende details vinden. Don't tell it, show it. Ik vind het belangrijk dat er mooie zinnen in een boek staan, en mooie beelden. Daarom is het zo bevreemdend te lezen wat erover in de kranten staat. In de trant van 'och, die arme jongen, die heeft vrouwen in elkaar zien ranselen'. Mij gaat het om in dit boek diep te snijden, ook in stilistisch opzicht, teneinde iets te kunnen betekenen voor de lezers die min of meer hetzelfde beleefd hebben. Sinds verschijning krijg ik elke dag een brief of een telefoontje, overal vandaan. Nooit schrijft men dat het een mooi boek is of dat het heeft ontroerd. Mijn boek geeft aanleiding voor die anonieme lezer om zijn eigen verhaal te schrijven, over Tjideng of Tjimahi of welk kamp ook. Vervolgens krijg ik een brief van zes, zeven kantjes over andermans ervaringen. Dat is het allergrootste compliment.”

The Way of a Boy is doortrokken van compassie. Het kind Ernest lijkt buiten de strijd op leven en dood te staan, die binnen de omheining wordt gestreden. Het boek is een hommage aan zijn moeder, het is tevens een hommage aan de kracht van het geheugen. De laatste regel luidt: “Tenslotte is de herinnering het enige wat we bezitten”. Ernest Hillen is in het dagelijkse leven reporter. Hij schreef ooggetuigenverslagen over de hongersnood in Biafra en over de miljoenen vluchtelingen in Bangladesj in het begin van de jaren zeventig. Hij wil een stem zijn voor het leed in de onontwikkelde landen. Waarom? “Omdat ik me schuldig voel dat ik het kamp heb overleefd.”