Het raadsel Mitterrand

Pierre Péan: Une jeunesse française, François Mitterrand 1934-1947 616 blz., Fayard 1994, ƒ 67,90

Daniel Rondeau: Mitterrand et nous 138 blz., Grasset 1994, ƒ 36,10

Emmanuel Faux, Thomas Legrand, Gilles Perez: La main droite de dieu, Enquête sur François Mitterrand et l'extrême droite 261 blz., Seuil 1994, ƒ 47,30

Jean Montaldo: Mitterrand et les quarante voleurs 276 blz., Albin Michel 1994, ƒ 51,60

Edwy Plenel: Un temps de chien 187 blz., Stock 1994, ƒ 40,85

Het moet april of mei 1938 zijn geweest toen de 21-jarige student rechten en politieke wetenschappen François Mitterrand besloot een doorbraak te forceren. Het meisje dat hij meende te beminnen had hem zelfs haar naam nog niet willen vertellen. Bovendien mocht zij van haar moeder op straat niet met onbekenden praten. Mitterrand zette zijn sterkste wapens in: bluf en romantische berekening.

Hij zat met zijn vrienden in café 'Le Biarritz' op de Boulevard Saint-Michel. François had weer eens het hoogste woord. Hij drong aan op een weddenschap: “Het eerste meisje dat jullie aanwijzen spreek ik aan en nodig ik uit aan tafel. Ik krijg haar zo ver dat zij met mij een glas wil drinken.” Mitterrand wist dat het meisje dat hij aanbad rond dat uur langs moest komen. Hij rekende erop dat zijn vrienden - gezien haar aantrekkelijke presentie - juist haar, die hij in navolging van Dante 'Béatrice' noemde, zouden aanwijzen voor zijn meesterproef.

Even later trippelde zij inderdaad voorbij met haar blonde krullen en werd door François' vrienden zonder mankeren aangewezen. Hij schoot haar aan en na een korte aarzeling was zij bereid aan zijn tafeltje te komen zitten. Wat hij heeft gezegd over de weddenschap vertelt het verhaal niet, maar toen al wist François Mitterrand omstandigheden naar zijn hand te zetten.

Dat zij, de latere tv-persoonlijkheid Cathérine Langeais, ondanks 2400 liefdesbrieven van zijn kant niet meer op hem wachtte toen hij in december 1941 uit Duitse krijgsgevangenschap was ontsnapt, kon hij toen gelukkig nog niet weten. Het was een bittere teleurstelling, die volgens sommigen een deel van zijn cynisme verklaart.

Charme

François Mitterrand is niet te begrijpen zonder oog voor zijn charme en zijn panache, eigenschappen waar Cyrano de Bergerac vergeefs naar zocht en die de langstzittende president van Frankrijk een duizelingwekkende carrière verschafte. Zelfs nu de dood hem in de ogen staart, plaatst hij zijn landgenoten met deze combinatie van innemendheid en romantische roekeloosheid voor raadselen die groter zijn dan hij zelf.

“Misschien ben ik er over een paar maanden of een paar jaar niet meer”, deelde Mitterrand twee weken geleden achteloos mee in dat televisie-interview waarin de wereld een zieke, oude man zag vechten voor zijn eer. Met de handen op tafel om elkaar heen geklemd, alsof de een de ander wilde troosten, zocht hij zijn immense register van herinneringen af om het land te overtuigen. Maar waarvan?

Dat hij nooit anti-semiet was geweest. Dat hij als degelijke katholieke jongen uit de provincie had gestudeerd in een tijd vol onzekerheid en heimwee naar een nationaal verleden. De Derde Republiek van vlak voor de Tweede Wereldoorlog was niemands ideaal. Naarmate hij verder zocht in de archiefkasten van zijn geheugen kwam hij steeds meer op dreef. Het leek of hij hernieuwde sympathie opvatte voor die jonge zoeker François Mitterrand die in het vooroorlogse Parijs wollige stukken schreef in de uiterst rechtse blaadjes van de paters en kolonels wier inspiratie hij tijdelijk zocht.

Even werd tijdens de uitzending de geschied-herschrijver Mitterrand zichtbaar - in de naoorlogse jaren is hij er herhaaldelijk van beschuldigd zijn halve biografie te hebben verzonnen. Toen zijn ondervrager, de president van de Franse staatstelevisie, informeerde naar die betoging 'Contre l'invasion métèque' - Weg met alle buitenlanders -, schoot zijn fantasie hem te hulp. Hij had met zijn goede vriend George Dayan, “een jood”, en een groepje vrienden op een caféterras staan praten toen die demonstratie voorbij kwam. Meende hij. Misschien bedacht hij toen dat er in het net uitgekomen boek van Pierre Péan een foto van hem staat temidden van de demonstranten. Waarop hij de passage afrondde met de woorden: “Nou ja, als ik er wel bij ben geweest, dan was dat fout.”

Sluitend beeld

Herinneringen zijn speelbal van menselijke manipulatie. Heel Frankrijk lijdt daaronder sinds dat vraaggesprek op het volksplein van de natie. Iedereen vertelt nu al zijn eigen versie van een president die anderhalf uur vocht met zijn onwelbevinden en de dreigende veroordeling van zijn rol in de oorlog. De slinkende generatie die de oorlog zelf heeft meegemaakt, maar ook de meerderheid die na de oorlog is opgevoed met een sluitend beeld van verzet en bevrijding worden nu teruggedrukt in die vier jaren waarin Frankrijk ophield te bestaan.

Charles Pasqua, minister van binnenlandse zaken, op zijn zestiende in het verzet gegaan, was onaangenaam getroffen door “de herziening van de geschiedenis van dat buitengewone heldendicht dat het Vrije Frankrijk en het verzet betekenden”. Wat hij in een ingezonden brief op de voorpagina van Le Monde suggereerde was duidelijk: het staatshoofd probeerde het met de Duitsers collaborerende Vichy-regime van maarschalk Pétain te bagatelliseren terwille van zijn eigen biografie. “Het ongenoemd laten van de naam van de Gaulle bij de herdenkingen op 6 juni was al een voorbode van die opzet om rekeningen te vereffenen met de grondlegger van het vrije Frankrijk en de Vijfde Republiek.”

Anderen, zoals Mitterrands jarenlange secretaris-generaal op het Elysée Jean-Louis Bianco en oud-minister van buitenlandse zaken Dumas, gaan heel ver in het vergoelijken van Mitterrands ambtelijke carrière in Vichy en zijn vriendschap met René Bousquet, de man die vrijwillig en met groot gevoel voor Pünktlichkeit duizenden joden per trein naar hun eindbestemming zond.

Bousquet spaarde de Franse joden door alleen maar buitenlandse joden te offeren, wagen sommigen opnieuw op te merken. Historisch onderzoek van de laatste jaren heeft met die verdrietige theorie al afgerekend, riposteert Robert Paxton deze week in het blad Télérama. Paxton, hoogleraar aan Columbia University in New York, schreef het standaardwerk La France de Vichy en werd dit jaar opgeroepen te getuigen in het proces tegen Paul Touvier, de tot levenslang veroordeelde chef van de militie van Vichy.

Volgens de Amerikaan heeft het tv-interview noch het boek van Péan volstrekt nieuwe feiten aan het licht gebracht, maar neemt Mitterrand wel een paar essentiële loopjes met de geschiedenis. Het is voor een man van zijn intelligentie en graad van bewustzijn ondenkbaar dat hij in zijn Vichy-jaren niet op de hoogte was van het totalitair en anti-semitisch karakter van de 'nationale revolutie' van Pétain en de zijnen. Zo acht Paxton het ook uitgesloten dat Mitterrand pas in 1978 hoorde over het werkelijke oorlogsverleden van René Bousquet. “Hij was na de oorlog vrijgesproken en werd in de hoogste kringen in Parijs ontvangen”, zei Mitterrand daarover op de tv. In Péans boek gaat hij nog verder en noemt hem “een man van een uitzonderlijk kaliber, ik ging graag met hem om”.

Paxton herinnert er aan dat Bousquet in 1949 werd veroordeeld tot vijf jaar 'nationale onwaardigheid', maar vrijgesproken van anti-nationale activiteiten. De langdurige naoorlogse stilte over Bousquets werkelijke rol verklaart hij enerzijds uit de wil van de overlevende joden weer een normaal leven te leiden en anderzijds uit een collectieve behoefte zand over Vichy te gooien. “De Franse elite telt velen die hetzelfde traject hebben afgelegd als François Mitterrand. Het Franse politieke leven wordt vertekend en in veel opzichten ongezond gemaakt door die optelsom van geheimen”, aldus Paxton.

Mitterrands apologeet Bianco illustreert deze stelling door zich in Le Figaro hardop af te vragen waarom gerespecteerde politici als Maurice Couve de Murville en Jacques Chaban-Delmas, die beiden, net als Mitterrand na een periode in Vichy als verzetsmensen de oorlog uitkwamen, nooit iets is verweten.

Ontgoocheling

De ontboezemingen van en over Mitterrand hebben in Frankrijk geleid tot verdeeldheid en ontgoocheling. Socialisten verwijten socialisten slaafse trouw aan, respectievelijk malicieuze afrekening met de man die Links in 1981 eindelijk aan de macht bracht. Eergisteren gepubliceerde opiniepeilingen laten zien dat Mitterrand, net als vóór zijn oorlogsziekte, populair is bij de helft van de bevolking: 75 procent van de mensen die in 1981 en 1988 op hem stemden zouden dat nu weer doen. Dat kunnen niet allemaal Fleurop-stemmen zijn. Kennelijk wint zijn persoonlijk charisma het van zijn gedrag dat door velen als 'in het belang van de natie, met een neiging tot schelmenstreken' wordt gezien.

Dat is des te verrassender omdat juist de laatste tijd een aantal boeken is uitgekomen dat een aanzienlijk zwarter beeld geeft van het bijna voltooide veertienjarig bewind-Mitterrand. De meeste schrijvers daarvan zijn eerder rechts dan links in het politieke spectrum te vinden, maar dat maakt hun visie en hun beweringen niet per se onjuist, ook al willen de woordvoerders van de Parti Socialiste en het Elysée dat graag zo uitleggen.

Daniel Rondeau, meer schrijver dan journalist, heeft op Mitterrand gestemd, maar is vooral teleurgesteld over diens nihilisme in de buitenlandse politiek. In een bevlogen pamflet, dat als een helikopter van de Verenigde Naties vliegt van Vichy naar Sarajevo en van Beiroet naar Rwanda, schetst hij hoe Mitterrands Frankrijk “is teruggezakt in de rijen der laffe naties, onmachtig of onverschillig, of wij drukte maakten of niet. Wij moeten met neergeslagen ogen leven om niet te zien met welke vreugde de criminelen van de planeet onze nederlaag vieren.”

Is Rondeau misschien een wereld-idealist met een erg hoge opvatting van Frankrijks kunnen, Edwy Plenel, vooraanstaand redacteur van Le Monde, is een idealistisch realist. Hij kent het klappen van de Parijse zweep. Zijn telefoonlijn werd door een geheime afdeling van het Elysée afgetapt in het beruchte Irlandais de Vincennes-schandaal. Hem had de president op het oog toen hij op 4 mei 1993, aan het graf van oud-premier Bérégovoy de schuld voor diens dramatische zelfmoord gaf aan “de honden” aan wie “de eer en uiteindelijk het leven” van de overledene waren geofferd “tegen een dubbele prijs: degenen die hem aanklaagden, schonden de fundamentele wetten van onze republiek die èn de waardigheid èn de vrijheid van ons allen beschermen.”

Roerende en schandelijke woorden, zoals Plenel na een overtuigend gewetensonderzoek aantoont. Twee jaar lang had hij niets gedaan met de feiten die hij had ontvangen over de renteloze lening, die Bérégovoy als minister had ontvangen van Mitterrands vriend sinds zijn krijgsgevangenschap Roger-Patrice Pelat. Hij verzaakte zijn plicht en deed ongeveer het tegendeel van wat een journalistieke bloedhond zou hebben gedaan. Totdat Bérégovoy als minister-president in een gerechtelijk vooronderzoek naar de geldlening tegen de lamp liep, en bovendien in de Péchiney-zaak (misbruik van voorkennis bij handel in aandelen in een groot staatsbedrijf) op de blaren kwam te zitten. Waarschijnlijk meer door domheid dan door geldzucht.

Grandeur

Plenels boek is veel meer dan een persoonlijk antwoord op Mitterrands beschuldiging. Plenel schetst met gezag en een weging van zijn eigen normen een beeld van het morele failliet van het mitterrandisme. Grandeur van de natie en van de man en zijn hovelingen, het is onontwarbaar verweven. Van de affaire-Greenpeace tot schandalen met Afrikaanse ontwikkelings-politiek, de financiering van de socialisten - waarbij Plenel de oude en nieuwe corruptie in het rechtse politiek-commerciële milieu niet over het hoofd ziet -, François Mitterrand heeft het niet willen zien. Of met zijn onnavolgbare gevoel voor oude vriendschappen recht gepraat. Onder meer door systematische aanvallen op de vrije pers te doen en te sanctioneren.

Zo mogelijk nog dodelijker zijn de ontboezemingen van zijn jarenlange 'minister van pret', François de Grossouvre. Donderdag 7 april 1994 schoot deze 'president van het presidentieel jachtcomité' zich in zijn werkkamer op het paleis door de hersens. De locatie was een teken aan de wand. De journalist Jean Montaldo was, net als Plenel, een regelmatig bezoeker van Grossouvre in diens door de president ter beschikking gesteld appartement buiten het Elysée (in het gebouw waar Mitterrand ook zijn meest persoonlijke leven leidt). Zelfs als maar tien procent waar is van wat hij deze oude hoveling over de presidentiële verwording op diens uitdrukkelijk verzoek postuum laat vertellen - voldoende andere bronnen suggereren dat die schatting voorzichtig is - dan wordt het raadsel-Mitterrand alleen maar vergroot.

Hoe kan een man, die met zoveel toewijding een levensloop van zeer rechts naar overtuigd links heeft afgelegd, zo de fundamenten van de rechtsstaat uit het oog verliezen? Hoe kan een man met zo'n gevoel voor geschiedenis, met zo'n visie op Europa, zo'n inzicht in het wankel evenwicht tussen de onstuimige en tegenstrijdige driften van al die Franse volken, zo borgiaans raken?

Is het dan toch allemaal laster, om Links weer van de weg te drukken? Het is nauwelijks aan te nemen. Daarvoor heeft Mitterrand te veel begrip voor het rechtse Volksempfinden. Daarvoor zijn er te veel verontrustende feiten. Het enigma Frankrijk heet François. Daarom heeft hij het zo ver gebracht. Daarom worstelt Frankrijk via hem zo met zichzelf.