Het bombardement

Het menselijk geheugen is een onberekenbaar 'orgaan', dat net als een auto na elke tienduizend kilometer even in onderhoud zou moeten om ons voor fabuleren te behoeden. Wat we ons herinneren van ons eigen verleden, herinneren we ons op onze eigen manier, veelal onbewust en niet eens met de bedoeling het verleden mooier te maken dan het was. We herinneren ons meer dan een ander met wie we een gemeenschappelijk verleden delen, of we herinneren ons juist niet wat die ander zich met absolute zekerheid herinnert. Het geheugen geeft en het geheugen neemt: zodra het begint te werken, laat het wat weg of verzint het er wat bij, zonder dat we weten waarom of waardoor dat gebeurt.

Alfred Kossmann heeft zich van die verraderlijke eigenschap rekenschap gegeven in een mooie ontleedproeve van zijn herinnering aan het bombardement van Rotterdam in zijn autobiografische Rotterdammer, zo ik iets ben (Querido, 1993). Kossmann had vaak over het bombardement verteld en er meer dan eens over geschreven, want het was een gebeurtenis die grote invloed op zijn schrijverschap had gehad en hem tot Rotterdammer had gestempeld. Onuitwisbaar, zeggen we van zo'n ervaring. We geloven dat onuitwisbare indrukken de authentieke bronnen van het geheugen vormen.

Wie het bombardement, zoals Fred Kossmann, heeft meegemaakt, vergeet nooit meer wat er gebeurde: “In de heel vroege ochtend van 10 mei 1940 stonden mijn vader en ik in de loggia van onze flat aan de Statensingel in Blijdorp en keken naar rechts. Ver weg in de hemel gebeurde van allerlei. Er was vuur, er was lawaai. Mijn vader, die ik om zijn oriëntatievermogen zeer bewonderde, zei: 'Het is boven Waalhaven'. En ik besefte, geschokt en verblijd: 'Het is dus oorlog'.”

We hoeven er niet aan te twijfelen dat de toen 18-jarige boekhandelvolontair Kossmann met eigen ogen zag wat hij er in de vorige zin over heeft geschreven, maar de intussen veel ouder geworden schrijver Kossmann noemt het in een opstel getiteld 'Vijftig jaar later' een dubieus verhaal. “Ik zou me kunnen herinneren hoe mijn vader daar stond maar ik kan me natuurlijk mijn eigen beeld niet herinneren. Wie heeft ooit zichzelf zien staan? We zeggen allemaal, met nonchalant gemak, telkens weer: 'Ik zie me daar nog staan of liggen of wandelen', maar dat is onzin, we hebben onszelf nooit ofte nimmer zien staan, liggen en wandelen. Ik zié daar in die loggia een jongen in een geruit jasje, een lange lelijke jongen met rechts van zich een vrij gezette kleine man, met snor en baardje en de mooie brede hand waarmee hij naar Waalhaven wees. Als op een foto, maar die is niet gemaakt.”

Hij vraagt zich af of hij daar wel alleen met zijn vader stond. 'Hoogst onwaarschijnlijk.' Wist hij dat het oorlog was? Waarschijnlijk niet. Had hij al naar de radio geluisterd? Hij kan het zich niet herinneren. Les één van Kossmanns vertelkunst: een schrijver die uit zijn herinneringen put, moet zijn geheugen wantrouwen. “Bij alles wat ik tot nu toe verteld heb,” (in zijn opstel heeft hij intussen zijn belevenissen op de eerste dagen na de inval van de Duitsers gereconstrueerd) “behoren beelden - die ik wantrouw, want ik kan ze aan foto's en films hebben ontleend.” Hij weet maar al te goed dat die beelden trouwens niet erg precies zijn. “Hoe vaag ook, ze roepen stemmingen op - die ik wantrouw.”

De nu 72-jarige schrijver stoft nog enkele herinneringen af die bij nadere inspectie niet helemaal blijken te kloppen. “Je ziet, op een herinneringsbeeld of op een foto, een vlakte van puin met een nog brandende ruïne. Je kijkt er aandachtig naar en je kunt je stemming sturen. Je kunt denken: 'Wat liepen we neerslachtig en verslagen door al dat puin.' Je kunt ook denken: 'Wat was het een mooie fik.' Ik zou niet weten wat voor stemming overeenkomt met de stemming van vijftig jaar geleden.” Kossmann weet het niet, maar is er zeker van dat zijn geheugen hem voorliegt. Rotterdammer, zo ik iets ben is naar omvang slechts een nietig aanhangsel bij het omvangrijke literaire oeuvre van Alfred Kossmann, maar het is een onmisbaar geschrift, want het bevat de sleutel op Kossmanns dubbele identiteit. Rotterdammer in de eerste helft van zijn leven, Amsterdammer daarna.

Wat Jan Prins ook over de eeuwige verbondenheid van een Rotterdammer met zijn stad mag hebben gedicht, voor Kossmann was Rotterdam zowel de stad 'waarnaar men geen heimwee heeft' (wat hij als dwangarbeider in Duitsland ondervond) als de stad 'waaruit geen innerlijke bevrijding mogelijk is'.

Zonder zich aan clichés te bezondigen, geeft Kossmann, die in de jaren zestig kunstredacteur was bij de grote winstgevende Rotterdamse editie van het verlieslijdende Amsterdamse dagblad Het Vrije Volk, aan de hand van zijn eigen ervaringen een markante typering van de klassieke controverse Amsterdam-Rotterdam. “Op de Amsterdamse, landelijke redactie van de krant werd de Rotterdamse editie, de enige van succes, niet gelezen. Wij Rotterdammers ergerden ons wanneer ons uit Amsterdam artikelen werden opgedrongen over beroemdheden van de grachtengordel die wij niet kenden en beroemde kroegen waarvan we nooit hadden gehoord. Zij in Amsterdam weigerden met dédain ieder artikel waarin Hofplein of Coolsingel werden genoemd.” Het verschil werd hem pas goed duidelijk na zijn overstap naar de Amsterdamse redactie: daar bleek alles ondergeschikt aan politiek. “Mensen lieten zich chef maken in plaats van te schrijven en gingen de volgende dag overbodige aanwijzingen geven of trokken zich terug in vergadering wanneer ze iets hadden moeten beslissen. Angst, jaloezie, gewichtigdoenerij, ik voelde mij ontheemd.”

Toen ze hem zijn krant afpakten (omdat die te lang verliezen had gemaakt) vochten twee zielen in zijn borst een verloren broederkrijg uit: “Wanneer na de oorlog het bedrijf zich op Rotterdam had gericht, waar de echte lezers woonden, waar met minder poeha werd gedacht, waar zorgvuldiger werd gerekend, waar het ging om kracht niet om bluf, zou het nooit in zo miezerige paniek zijn ondergegaan.” Maar zonder die ondergang zou een deel van Kossmanns schrijverschap in het dagelijkse werk voor de krant zijn verdampt.