Helft advocaten in zaak HCS kan toga thuislaten

ROTTERDAM, 24 SEPT. De helft van het legertje advocaten dat in maart de Amsterdamse rechtbank bevolkte voor het proces wegens beurshandel met voorkennis tegen drie vermaarde Nederlandse ondernemers, kan zijn toga aanstaande maandag thuis laten. Dan gaat het hoger beroep van start in de strafzaak wegens handel met voorkennis in het inmiddels failliette automatiseringsbedrijf HCS.

De advocaten van twee van de vier verdachten kunnen in burger in de zaal plaatsnemen wanneer het Amsterdamse Gerechtshof het hoger beroep behandelt. Alleen president J. van den Nieuwenhuyzen van het beursfonds Begemann is, samen met zijn effectenbank (de toenmalige Suez Kooijman) gedagvaard. De twee anderen, E. Albada Jelgersma (eigenaar van groothandel Unigro) en L. Melchior (bouwondernemer-in-ruste), hoeven niet te verschijnen. De advocaat-generaal vond het niet opportuun hen nu te dagvaarden.

De drie ondernemers bezaten samen 40 procent van de aandelen HCS Technology, een beursfonds dat na een imponerende start in de loop van 1991 in steeds nijpender financiële problemen terechtkwam. Eind juli kwam de zaak in een stroomversnelling, toen een afgesproken reddingsplan te elfder ure afketste. In allerijl werden de drie beleggers Van den Nieuwenhuyzen, Albada Jelgersma en Melchior van hun vakantie-adressen teruggeroepen om HCS te redden. De liquiditeitsproblemen bij HCS waren acuut, zo kreeg “de trojka” te horen van mr. R. Groenink, de bestuurder van ABN Amro die bij zijn bank het dossier HCS beheerde. Om HCS te redden was snel nieuw kapitaal nodig. Na wat later als een chaotische vergadering werd getypeerd, gingen de beleggers in de nacht van dinsdag op woensdag 31 juli akkoord met een kapitaalinjectie voor HCS van 50 miljoen gulden.

In verband met het overleg over het reddingsplan was de beursnotering van de aandelen HCS vier dagen lang opgeschort. Woensdagochtend 31 juli kwam HCS terug in de notering. Beleggers kregen anderhalf uur respijt om een persbericht over het reddingsplan te bestuderen. Er werden nieuwe aandelen geplaatst. De prijs waartegen HCS dat zou doen, stond niet in het persbericht. Dat meldde slechts dat de modaliteiten van de emissie nog onderwerp waren van nader beraad.

Voordat de beursnotering werd opgeschort hadden aandelen HCS een waarde van 4 gulden. Na de heropening van de handel kwam grote verkoper in de markt die elk half uur pakketten van 100.000 aandelen dumpte. De koers bereikte een dieptepunt van 1,80 gulden. In de loop van de middag keerde het sentiment. Koopjesjagers wierpen zich op de aandelen HCS, De slotkoers was 2,60 gulden.

De volgende dag hield HCS een - al eerder aangekondigde - aandeelhoudersvergadering. De beleggers waren niet alleen overrompeld door de reddingsactie, de torenhoge omzetten en de onbekende grote verkoper, maar nog meer door twee nieuwe mededelingen. HCS had in het kader van de reddingsactie inmiddels nieuwe aandelen geplaatst tegen een koers van 2,50 gulden. En commissaris voor de notering P. van Outersterp van de Amsterdamse beurs, die toezicht houdt op ordelijke beurshandel, schrapte alle transacties van woensdag in HCS wegens ongelijke informatie.

Een half jaar later bleek dat de reddingsactie was mislukt. Er kwam een tweede financiële reorganisatie, maar ook die bleek onvoldoende en in september 1992 ging HCS roemloos ten onder. De drie ondernemers zaten met een strop van ruim 100 miljoen gulden. De twee banken van HCS, ABN Amro en Credit Lyonnais Bank Nederland, moeten ongeveer 200 miljoen gulden verloren hebben.

Een nauwelijks te becijferen schadepost stond toen nog open: de verdenking tegen de trojka van handel met voorkennis. Van Outersterp was er na bestudering van de transacties al snel achter dat de transacties waren uitgevoerd door Suez Kooijman, het vaste effectenhuis van Van den Nieuwenhuyzen. Die kennis was de aanleiding om de handel in HCS-aandelen van woensdag te schrappen. Van Outersterp had geen vermoeden van misbruik van voorwetenschap, maar wist wel dat Van den Nieuwenhuyzen de maanden daarvoor miljoenen aandelen HCS had verkocht. Het feit dat een grote belegger in alle stilte eerste aandelen verkocht om zich vervolgens publiekelijk aan een reddingsplan te committeren vond hij een vorm van ongelijke informatie.

Gezien de verdachte omstandigheden begon de beurs tevens een onderzoek naar misbruik van voorkennis. Dat liep niet van een leien dakje. De speurneuzen van de beurs dachten al snel dat hen bewust een rad voor ogen werd gedraaid door Suez Kooijman, die de identiteit van zijn cliënt wilde beschermen. Zo verzette het effectenhuis zich tegen de overdracht van het bandje met het gesprek tussen directeur J. Gerritse en de opdrachtgever voor de HCS-handel. Telefoongesprekken worden standaard opgenomen om eventuele misverstanden over transacties op te lossen.

Toen duidelijk was, dat Van den Nieuwenhuyzen de opdracht had gegeven voor de transacties stortte de beurs zich op de Begemann-voorzitter. Die kreeg een ruim geformuleerd briefje of hij maar even inzicht wilde geven in zijn beurstransacties en in die van zijn twee mede-beleggers. Van den Nieuwenhuyzen was woest.

In september stuurde de beurs het dossier met informatie, waaronder de uitgetikte tekst van het gesprek tussen Gerritse en Van den Nieuwenhuyzen, naar het openbaar ministerie. Die startte een gerechtelijk vooronderzoek wegens het vermoeden van handel met voorkennis.

Dat bleek een ongelooflijke klus. Over de handel met voorkennis, die sinds begin 1989 strafbaar is, bestaat geen jurisprudentie in Nederland. Er zijn wel klassieke gevallen van misbruik van voorwetenschap geconstateerd, maar die zijn geseponeerd. Daarbij ging het om aankopen op de beurs van aandelen in een bedrijf, waarvan de kopers vrijwel zeker wisten dat er een bod zou worden gedaan. Omdat het bod aanzienlijk boven de beurskoers lag, streken de kopers met voorkennis een fraaie boekwinst op. Profijt is een van de voorwaarden die de wet aan misbruik van voorwetenschap stelt.

Zo simpel lag het in de HCS-zaak niet. Na meer dan twee jaar onderzoek en rapporten van vier deskundigen kwam de zaak in maart van dit jaar voor de rechtbank. Daar bleek dat het openbaar ministerie niet alleen de handel in HCS op de korrel nam, maar ook de handel van Van den Nieuwenhuyzen in aandelen Begemann zelf. Rondom de overname van de werf RDM in 1991 had hij zelf in aandelen Begemann gehandeld. Dat duidde volgens de officier van justitie op handel met voorkennis. De rechtbank wilde deze zaak echter niet in behandeling nemen omdat er nog teveel onduidelijkheden in het dossier zaten. Dus ging de zaak terug naar de rechter-commissaris voor heropening van het gerechtelijk vooronderzoek.

Ook in de HCS-zaak kon de officier de rechtbank niet overtuigen. Zijn stelling was dat de partijen wisten dat de aandelen voor de reddingsactie alleen geplaatst konden worden tegen een fors lagere koers, van bijvoorbeeld 2 gulden. Gewapend met die voorkennis hadden de drie beleggers met massale verkopen de koers omlaag gestuurd.

De vier verdachten werden na een proces van vier dagen vrijgesproken. In het vonnis gaf de rechtbank twee overwegingen. Allereerst was tijdens het beraad over de reddingsactie geen sprake geweest van een geheimhoudingsplicht voor de deelnemers. Het schenden van niet-openbare informatie is juist een voorwaarde die de wet stelt, wil er sprake zijn van voorwetenschap.

Misschien belangrijker was de overweging van de rechters dat er pas sprake is van voorwetenschap bij een duidelijke wijziging van de koers en bij een duidelijke aanwijzing van de richting die de koers zal opgaan. Daar was in dit geval geen sprake van, meende de rechtbank, omdat de aanwezigen het tijdens het reddingsberaad oneens waren over het koersverloop dat verwacht mocht worden.

Justitie ging in hoger beroep en versterkte daarmee de indruk dat de HCS-zaak is uitgegroeid tot een proefproces. De beslissing om slechts twee van de vier verdachten in hoger beroep te dagvaarden bevestigt dat alleen maar. Nu de RDM-zaak steeds weer vertraging oploopt, is het HCS-proces ook maatgevend geworden voor vervolging in die zaak.

De wig tussen de verdachtenbankjes splijt ook het leger advocaten. Het vonnis van de rechtbank leunde zwaar op de pleidooien van Melchiors advocaat mr. Th. Sandberg en van mr. D. Doorenbos, een van de advocaten van Albada Jelgersma. Doorenbos geldt ondanks zijn jeugdigheid als een absolute expert in voorwetenschapszaken. Zij moeten nu met hun armen over elkaar zitten en hopen dat de drie advocaten van Van den Nieuwenhuyzen het pleit winnen. De advocaten van Albada Jelgersma hebben nog bezwaar gemaakt tegen het feit dat hun cliënt niet hoeft voor te komen. Zij vrezen dat Albada Jelgersma geen eerlijk proces meer zal krijgen, als het Hof Van den Nieuwenhuyzen al heeft veroordeeld. Ook een poging om Doorenbos toegelaten te krijgen tot het verdedigingsteam van Van den Nieuwenhuyzen wees justitie van de hand.

De ironie wil dat scheiding van de verdachten ontketend is door Sandberg. De advocaat-generaal, die de dagvaarding uitbrengt, bleek gevoelig voor het argument dat Melchior een aparte positie heeft omdat hij het nachtelijk beraad over de redding van HCS eerder had verlaten. Melchior kon er op goede gronden van uitgaan dat alle informatie over het beraad de volgende dag publiek bekend werd gemaakt, meende Sandberg.

Op de achtergrond speelt voor justitie nog een tweede argument een rol: angst voor oplopende kosten en schadeclaims. Het legertje advocaten heeft de verdachten tot nog toe al enkele tienduizenden guldens gekost. Als zij ook het hoger beroep winnen, is de kans gering dat justitie in cassatie gaat. Dan volgt onmiddellijk een claim bij justitie voor een vergoeding van de gemaakte kosten. Door nu minder verdachten te dagvaarden, beperkt justitie bij voorbaat de kostenpost. Er volgen waarschijnlijk ook schadeclaims: wegens bezoedeling van de goede naam (Melchior en Albada Jelgersma) en schade voor het bedrijf (Van den Nieuwenhuyzen). Van den Nieuwenhuyzen schermt met een bedrag van half miljard gulden. Over zijn kans van slagen wordt nu al gespeculeerd. Sommige juristen denken dat hij weinig kans maakt omdat hij zich vol overgave in de publiciteit heeft gestort en daarmee vrijwillig heeft bijgedragen aan de commotie. Zo bezien zou Melchior, die zich van elk commentaar onthoudt, betere papieren hebben.