Gestrande grandeur

Edward P. de Groot: Varen op de Oost. Incidenten, rampen en nostalgie op de vaart naar Indië 224 blz., geïll., De Alk 1994, ƒ 69,90

Ooit was de reis per zeilboot en later stoomschip naar Nederlands-Indië een avontuur, alsof het een expeditie betrof naar een andere planeet. Men was maanden onderweg. Op volle zee was het gevaar van averij niet denkbeeldig, de schepen konden uitbranden of lek stoten en soldaten sloegen soms aan het muiten. De glorietijd van de vaart op de Oost met passagiersschepen duurde een kleine eeuw, van 1871 tot in het begin van de jaren zestig. Het begon met een ramp: het eerste stoomschip dat van Den Helder uitvoer naar Batavia, de Willem III, brandde ter hoogte van Portsmouth uit. Het was een schip van de Stoomvaart Maatschappij Nederland, mat 3000 ton en had 1600 effectieve paardekrachten. Een passage naar de Oost kostte in de eerste klasse duizend gulden, in de tweede driehonderdvijftig. De Maatschappij kondigde de vaart naar Java geestdriftig aan: “Het Schip en de Machines zijn geheel naar de nieuwste vindingen gebouwd en vervaardigd. De kajuiten en hutten, welke laatsten geheel van de eersten zijn afgescheiden, zijn met het meest mogelijke comfort ingerigt. Het beddegoed, tafelgoed en tafelgereedschap worden kosteloos verschaft. De bediening, waartoe o.a. bedienden worden geëngageerd, zal niets te wensen overlaten. Een Scheepsdoctor zal de reis meemaken. Verder bevinden zich aan boord eene ijskamer, badkamers en alle verdere gemakken, die op stoomschepen voor lange lijnen, ingerigt voor Eerste Klasse Passagiers, behooren.” Zo'n zestig passagiers gingen aan boord, meer dan tachtig bemanningsleden en honderddertig militairen voor het Nederlandsch Indische Leger.

Het schip verliet op 18 mei 1871 de haven van Den Helder. De volgende avond al werd brand ontdekt in de kolenvoorraad. Toen ging alles snel: vrouwen en kinderen moesten in de sloepen, daarna de mannelijke passagiers. In nachthemd, blootsvoets en met de slaapmuts nog op kwamen de passagiers in Portsmouth aan, vanwaar ze een paar dagen later werden verscheept naar Nederland. De Maatschappij zette meteen een nieuwe boot in en nog in hetzelfde jaar vertrok de Prins van Oranje met Indië als bestemming.

Schroefbladen

In het goed gedocumenteerde boek Varen op de Oost van Edward P. de Groot krijgen de rampen en incidenten die de passage naar Indië begeleidden veel aandacht. Zo schrijft de auteur met liefde voor het dramatische detail over het breken van schroefassen of het verlies van schroefbladen. De weergave van de lotgevallen van passagiers die na een ramp in krappe reddingsboten soms dagenlang over de wijde Indische Oceaan dobberden, dorstig en gewond doen de lezer nu nog huiveren.

De Prins van Oranje verloor in 1872 achtereenvolgens alle vier bladen binnen tien dagen. In die tijd voeren de schepen zowel op stoom als op de zeilen, dat laatste ook om de stabiliteit te verhogen. De Prins van Oranje had nu geen water meer op het roer en dreef stuurloos af in de richting van de rotsachtige kust bij Aden. Er stond te weinig wind om te zeilen. Een vrachtschip kon uiteindelijk het schip en de opvarenden naar veilige haven slepen.

Is Nederlands-Indië beladen met nostalgie, de overtocht erheen is helemaal gedrenkt in sentimenten. De talrijke foto's in het boek geven zicht op een wereld die voorbij is. Er waren winkels aan boord. Men flaneerde over het promenadedek. Bij het diner werden kostbare wijnen geschonken. De Christiaan Huygens bijvoorbeeld, in de vaart genomen in 1928, is met recht een zeekasteel te noemen. Een foto van het verandadek toont de passagiers in de zachte zon net na vertrek uit Genua. Een Indische jongen bedient. Vrouwen en mannen zijn gekleed in zomerkleren; ze lezen een boek of verdoen de tijd met kletsen en naar de golven staren.

Port Said aan de monding van het Suezkanaal markeerde zowel op de uitreis als de thuisreis de ommekeer. Op weg naar Indië begon hier de Oost al. Passagiers deden zich te goed aan cafébezoek en dansen tot diep in de nacht. Aan dek verscheen men voorbij Port Said in Indische kledij. Op de terugreis verwisselde men hier de luchtige Indische dracht voor de donkere Europese.

Lyriek en romantiek horen bij dat reizen. In het proza van Couperus, P.A. Daum, Maria Dermoût en anderen komen fraaie beschrijvingen voor over de bootreis. Maar het meest verrukt van allen is de veel onbekendere C.K. Elout die in 1925 met de Prins der Nederlanden de overtocht maakt. Hij schrijft in zijn reisdagboek: “De Prins is in elk geval een zeer gerieflijk en gezellig en bovendien een heel vastliggend schip; daarover waren allen, die met andere schepen hadden gevaren, het volkomen eens.” Hij noemde de reis zelf een 'wereld van blauw': “Er mogen eens wat witte wolken langs de hemel zeilen en de zee moge welhaast steeds met witte watjes spelen, 't al beheersende is blauw. We reizen door blauwe paleizen waarvan blauwe koepels over ons heen glijden en over wier blauwe vloeren wij rijden op het zware ritme van de Oceaan.”

Zoutwaterliefdes

Een passagiersschip op de Oost was eigenlijk Indisch grondgebied. Men deed aan typisch koloniale tijdspasseringen als roddelen, kletsen, zich verliezen in vetes en intriges. Men cultiveerde onderlinge spanningen en vormde clubjes en clubs. Er werd in de ligstoelen over geld en politiek gesproken. Vanzelf ontstonden er op de weken durende reis zoutwaterliefdes, zeker tussen degenen die alleen reisden. De maatschappijen waren allesbehalve gelukkig met wat zich stiekem in de hutten afspeelde. Het was slechte reclame als op een schip de zeden al te los werden. De kapiteins kregen dan ook opdracht streng toe te kijken en wie zich compromitteerde kon rekenen op een fikse terechtwijzing. Er is geen reisbrief uit die tijd of er staat wel in dat die en die juffrouw of dame zich tegen het einde van de reis niet 'waardig' had gedragen en dat het hele schip er schande van sprak.

De Rotterdamse Lloyd en de Stoomvaart Maatschappij Nederland beconcurreerden elkaar niet alleen met steeds luxueuzere schepen, ook prezen de maatschappijen de feestelijke sfeer aan boord aan. Er werd van alles gedaan om de verveling te verdrijven met dansavonden op het dek, verkleedpartijen, cabaret, zeepkistracen, schaakwedstrijden, hombre en bridge. Op de boten naar Indië speelde gezelligheid een grote rol, heel anders bijvoorbeeld dan tijdens de vaart op New York. Voordat men het schip verliet in Batavia kende men elkaar en vormden de passagiers een kleine gemeenschap. Wie naar New York vertrok, bleef daarentegen strikt op zichzelf.

Trots, elegantie en stoerheid: dat zijn misschien de beste woorden om schepen als Grotius, Rembrandt, Slamat, Baloeran, Dempo en zoveel andere te typeren. Tegelijk waren ze in de weidsheid van de oceaan kwetsbaar. Het zijn dan ook tot verdriet stemmende foto's van brandende, half gezonken of op zandbanken vastgelopen schepen. Dat is gestrande grandeur. Het laatste hoofdstuk heet 'Nooit meer zoals het was'. De oorlog is voorbij, Indonesië is onafhankelijk geworden. De laatste Indiëvaarders waren de Willem Ruys, Johan van Oldenbarnevelt en de Oranje. De laatste twee vergingen onder buitenlandse vlag; de ene vloog in brand en de andere zonk.

De tijden waren veranderd, evenals de passagiers. Niemand verscheen meer in Indisch negligé aan boord. Met een snelheid van tweeëntwintig knopen voer men in achttien dagen naar Tandjong Priok, de havenplaats van Jakarta. De Willem Ruys maakte haar laatste overtocht in het begin van de jaren zestig. In 1964 werd ze aan Italië verkocht en maakt ze sindsdien als Achille Lauro cruises, onherkenbaar verbouwd. Haar thuishaven is Napels. In 1985 is ze nog twee dagen door Palestijnen gekaapt.