Geschokt door 2000 jaar oude misdrijven

H.T. Wallinga (red.): J.H. Thiel, Studies in Ancient History 174 blz., J.C. Gieben 1994, ƒ 80,-

Naar het woord van Leopold von Ranke is het niet de taak van de geschiedschrijver 'die Vergangenheit zu richten'.

Wie ook maar één bladzijde gelezen heeft van het werk van Johannes Hendrik Thiel (1896-1974) weet dat deze voormalige Utrechtse hoogleraar in de Oude Geschiedenis zich aan dit gebod niet veel gelegen heeft laten liggen. Wie bijvoorbeeld een gedeelte uit Thiels Punica Fides uit 1954 onder ogen krijgt (nu voor het eerst, samen met tien andere stukken, verschenen in een Engelse vertaling, ingeleid en bezorgd door Thiels opvolger in Utrecht, Wallinga), merkt onmiddellijk dat Thiel het ten beste geven van waarde-oordelen niet schuwde: “Het was geen oorlog, maar vreedzame afpersing”, zegt hij over het conflict tussen Rome en Carthago in 238 v.Chr. De Romeinse handelwijze noemt hij 'weerzinwekkend' en “van een valsheid, die zelfs in de Romeinse geschiedenis nauwelijks haar weerga vindt”. Over het uitbreken van de tweede Punische oorlog in 218 v.Chr. (volgens Thiel de schuld van de Romeinen) merkt hij op: “Er zijn moderne historici, die dit allemaal wel toegeven, maar die desondanks tot de conclusie komen, dat Hannibal door zijn aanval op Saguntum de tweede Punische oorlog ontketend heeft en dat hij hier de verantwoordelijkheid voor draagt. Men kan daar alleen maar op zeggen, dat het jammer is, dat het zulke lieden aan het meest elementaire rechtsgevoel ontbreekt.” Ranke moet zich in zijn graf hebben omgedraaid toen hij dit las.

Misdaad

Voorbeelden ter illustratie van Thiels engagement zouden, behalve uit Punica Fides, uit vrijwel elk ander geschrift van deze geleerde gekozen kunnen worden. Of het nu zijn studies betreft over de Griekse maatschappij, of over de psychologische doorgronding van grote persoonlijkheden (de keizers Tiberius en Claudius, bijvoorbeeld) of die op het gebied van de zeegeschiedenis - vooral op deze drie gebieden van onderzoek heeft hij zich geconcentreerd - alle getuigen van zijn sterke betrokkenheid bij het door hem behandelde onderwerp en zijn behoefte om partij te kiezen. “In zekere zin is de geschiedschrijver ter dege rechter”, schreef Thiel in 1960 in zijn 'Vergoelijkende en sneerende geschiedschrijving', een uitspraak die probleemloos gelegd kan worden naast deze, uit het tweede deel van zijn Romeinse zeegeschiedenis: “Ik leef zo intens mee met het verleden dat ik wil beschrijven, dat ik dikwijls hevig geschokt ben door misdaden of verraderlijk optreden in dat verleden... een misdaad die 2.000 jaar geleden is gepleegd is en blijft wat zij in aanvang was: een misdaad.”

Thiel was zich volledig bewust van de gevaren die scholen in een aanpak als de zijne. Maar die nam hij voor lief. In een van de zeldzame gevallen waarin hij zich overgaf aan theoretische ontboezemingen over geschiedschrijving (die lagen, zei hij zelf, niet in zijn lijn) stelt hij eerst: “Subjectiviteit is in de geschiedschrijving niet alleen onvermijdelijk, omdat de geschiedschrijver mens is, maar ook onmisbaar, omdat het verleden door de geschiedschrijver heen moet om tot leven te komen en het de hoogste taak van de geschiedschrijver is om het verleden, zoveel mogelijk, te doen leven, te evoceren. Met andere woorden de geschiedschrijver moet zoveel hij kan in de schoenen van het verleden gaan staan, met het verleden participeren.” Maar hij betoogt vervolgens: “... deze onmisbare participatie moet zoveel mogelijk worden geobjectiveerd, doordat de geschiedschrijver, al participerende met het verleden, zich er tevens voortdurende bewust van distantieert... Een combinatie van participatie en distantie (+ een stevige dosis fatsoen, fairheid, rechtsgevoel), daar komt het voor de historicus op aan.”

'Een combinatie van participatie en distantie': de paradox die Thiel als richtsnoer voor zijn werk als geleerde gekozen heeft, typeert ook de mens Thiel. Trachtte de historicus tegengestelde waarden als subjectiviteit en objectiviteit met elkaar te verbinden, de mens Thiel was zelf een combinatie van tegenstellingen. Om dit te illustreren een citaat van Thiels leerling en vriend Van Unnik: “Hij was verlegen, zodat hij zich moest overwinnen om te spreken, maar tegelijk 'outspoken' en onbewimpeld voor zijn mening uitkomend. Hij was zeer emotioneel, soms driftig èn volstrekt redelijk; nu eens stormachtig bruisend, dan weer van een serene rust. HIj hield ervan te chargeren, maar was fair en mild in zijn oordeel, vooral als het mensen betrof. Hij had zijn stokpaarden, maar wist eigen voorkeur te relativeren. Hij genoot van het bonte leven, maar was voor zichzelf sober. In hem gingen progressiviteit en een zeker conservatisme, democratie met aristocratie des geestes gepaard.”

Julius Caesar

Thiel was democraat in hart en nieren. “Zo ik iets ben, dan democraat; zo ik iets verfoei, dan de dictatoren van welke signatuur ook.” Deze woorden staan in de inleiding van Thiels in 1962 verschenen boekje over Julius Caesar. Thiel heeft in de inleiding daarvan verantwoording afgelegd voor zijn beslissing om zich aan een biografie van de Romeinse dictator te wagen. “Het is voor een bona fide historicus niet eenvoudig om over Caesar te schrijven; ik althans heb daar mijn noden mee”, schrijft hij, om vervolgens uit te leggen dat een van de redenen van zijn aarzeling gelegen is in het feit dat een antieke dictator exponent kan zijn van een moderne dictatuur. Hij verwijst hiervoor naar de wijze waarop in de jaren dertig keizer Augustus tot de exponent bij uitstek was gemaakt van het Italiaanse fascisme en vreest wat betreft Caesar iets dergelijks: “Het fascisme, dat in Italië de gore kop weer voorzichtiglijk begint op te steken, ziet ook in hem een top-exponent.”

Dit is Thiel ten voeten uit. Hij zou, denk ik, anders dan de heer Lubbers, vast niet op bezoek zijn gegaan bij een Italiaanse premier die er geen been in had gezien om fascisten in zijn regering op te nemen. Daarvoor hebben fascisme en nationaal-socialisme te diepe sporen nagelaten in zijn leven - ik moge eraan herinneren dat hij in 1942 uit eigen beweging zijn ontslagaanvrage heeft ingediend bij de Universiteit van Leiden, waar hij sinds 1927 werkzaam was geweest, eerst als privaat-docent, sinds 1930 als bijzonder hoogleraar, beide functies combinerend met een leraarschap aan het Stedelijk Gymnasium in Haarlem. Zijn vrijwillig ontslag in 1942 kostte hem ook zijn baan als leraar. De rest van de oorlog is hij ambteloos geweest.

Uitingen van Thiels afschuw van totalitaire regimes treft men in zijn geschriften veelvuldig aan. Ze zijn tekenend voor zijn engagement. Om een enkel voorbeeld te geven: Plato's genie erkende hij volmondig, maar “Plato's staatstheorie heeft het mensdom onnoemelijk veel schade gebracht”. Refererend aan de oligarchen die in 403 v.Chr. tijdelijk een eind hadden gemaakt aan het democratisch bestel in Athene spreekt hij van 'het nazi-bewind der dertig'. Elders vergelijkt hij lieden die tijdens het schrikbewind van deze dertig niet gedeugd hadden met Nederlanders die niet gedeugd hebben tijdens de Duitse bezetting, eraan toegevoegend dat men in Athene niet naliet zulks aan iemand voor de voeten te werpen, maar dat het in het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog anders lag: “Wij zijn in dit opzicht veel te slap.”

De anti-democratische gezindheid van zijn vakbroeders veroordeelde Thiel niet minder scherp dan die van Plato en de dertig tirannen in Athene. Eén voorbeeld: de Duitser Schultze, die in 1937 een boek geschreven had over de zeevaart, was volgens Thiel weliswaar 'geen onbekwaam man', maar een 'racist' en 'een maniak'.

Democratie

Hoezeer de democratie Thiel ter harte ging en hoezeer hij consequent heden met verleden verbond komt ook fraai tot uiting in een rede die hij in 1965 gehouden heeft voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (waarvan hij sinds 1938 lid was.) Het betoog, gewijd aan de wijze waarop de voorzitter van de Atheense volksvergadering werd aangewezen in Athenes bloeitijd, werpt een helder licht op de structuur van het democratisch staatsbestel van het Hellas van de vijfde en vierde eeuw voor Christus, maar het zit ook vol met terzijdes als dit: “Men vergelijke deze activering van het burgerrecht met onze democratie, waarin de rol van de doorsnee-burger wordt beperkt tot het eens in de vier jaren invullen van een hokje in een hokje: voor de rest moet hij volstaan met het volgen in de krant van de gedragingen onzer vertegenwoordigende lichamen! Als hij dit doet! Wij kunnen niet tot het Atheense systeem terugkeren, maar wij kunnen wel van hen leren om intelligente aandacht te wijden aan de activering van het burgerrecht van de gewone burger in een democratie. De aandacht daarvoor is in onze moderne democratieën veel te gering.”

Mij dunkt dat wat Thiel in 1965 neerschreef vandaag de dag nog net zo gezegd zou kunnen worden, al betwijfel ik of er veel aanhangers te vinden zijn voor zijn oplossing: “zo al niet afschaffing (wij kunnen moeilijk tot het oude districtstelsel terugkeren), dan toch ingrijpende modificering van de evenredige vertegenwoordiging”. Hoe dan ook, in 'De voorzitter van de Atheense volksvergadering' laat Thiel zich eens te meer kennen in de hoedanigheid waarin ik hem hier wil presenteren, die van een geëngageerd historicus. Het is een goede gedachte geweest een representatief gedeelte van zijn werk beter toegankelijk te maken, ook voor een internationaal lezerspubliek.