Ex-PvdA-politicus Ger Klein, 'de man die uit de band sprong'; Diep in mijn hart denk ik nog altijd dat ik de Messias ben

Vijftien jaar geleden werd PvdA-politicus Ger Klein (69, voormalig lid van Nieuw Links, ex-kamerlid en bewindsman in het kabinet-Den Uyl) manisch depressief. Daarmee begon een lange lijdensweg. Volgende week verschijnt het boek dat hij aan zijn ziekteproces wijdde: Over de rooie. 'Op een gegeven moment zie je jezelf in je nakie door de vrieskou rondjes om het huis rennen. Daar gaat de man die staatssecretaris onderwijs was: geschift.'

'Over de rooie' door Ger Klein, uitgeverij Balans, ƒ 35,- ISBN 9050182607.

“Ergens onder mijn schedel brak als het ware een grote, verse sperzieboon in tweeën. Knak. Ik hóórde het knappen. Op hetzelfde moment kreeg ik een optater, te vergelijken met de schok van 2250 volt die ik ooit als student wis- en natuurkunde in een laboratorium had opgelopen. Ik sloeg mijn handen tegen het hoofd. Mijn God, een hersenbloeding?

Ik trapte op de rem van mijn oude BMW. Daar stond ik, op de brug bij Spijkenisse, midden in de nacht, 17 november 1978. Door het halfopen raampje woei de stank van raffinaderijen naar binnen. Ik kon dus nog ruiken. Nog denken. Geen pijn - ja, van binnen: ik had net dat ellendige debat over het oorlogsverleden van Aantjes achter de rug. Daar was ik volledig over mijn toeren uitgerold: persoonlijk en politiek vereenzaamd.

Wrijvend over mijn kop reed ik naar huis. De volgende morgen belde ik vloekend en snikkend Marcel van Dam. Dit konden we niet pikken! Zo ging het land naar de knoppen! Hij probeerde me te kalmeren. Tevergeefs. Mijn hoofd leek een straalkachel: gloeiend heet. In mijn brein was een diaprojector op hol geslagen. Ik keek in de spiegel en zag iemand die de controle over zichzelf had verloren.

Ik kan slechts gissen wat er achter mijn voorhoofd is gebeurd. Een knel geraakte zenuw? Een hormonale explosie? Gesprongen vaten? Mijn logboek illustreert dat de manisch-depressieve spiraal begint met een snel escalerende euforie. Ik slaap in die tijd hoogstens drie uur - ik heb belangrijke dingen te doen. Moties van wantrouwen tegen de regering opstellen. Nota's schrijven waarin ik het wanbeleid aan de kaak stel. De eerste dagen zijn mijn gedachten nog coherent. Maar al gauw ga ik uit m'n bol. Ik maak bijvoorbeeld een waslijst van rotzakken die moeten worden opgehangen. Schuimbekkend en verward beland ik in de pre-manische periode: ik ontdek complotten, ik denk over het denken, ik noteer dat Sartre en Heidegger mini-filosofen zijn.

Hoogtepunt van die fase was het bezoek dat ik met collega's als Ria Beckers en dominee Abma aan koningin Juliana bracht. Hare Majesteit had nauwelijks iets gezegd over de bewerktuiging van de Tweede Kamer of ik startte daar in Paleis Voorhout een woedende monoloog van een uur. Het kabinet beschikte 'potverdomme' over een enorm apparaat, terwijl kamerleden het moesten stellen met een handjevol medewerkertjes... Onderbrekingen stond ik niet toe. Ik draafde maar door. De cocksureness! Juliana - met wie ik eerder als staatssecretaris uiterst charmante gesprekken had gevoerd - keek me moederlijk aan. Wat was er met Ger Klein aan de hand?

Kort voor de uiteindelijke manische fase heb je nog heldere momenten. Het lijkt me vergelijkbaar met dementie: even ben je in staat tot zelfreflectie. Je geheugen is niet kapot, en dus herinner je je dat je daarnet vreemde capriolen uithaalde. Je schrijft het nota bene gedetailleerd op. Tien seconden later raak je weer in die trance-toestand. Om gek van te worden. En jawel: in het volgende stadium slaan de stoppen volledig door. Een paar weken lang meende ik dat de mensheid vijfduizend jaar had zitten niksen, en dat ik een Ziener was die het hele universum in no time kon ordenen.

Ik verwachtte elk moment bezoek uit Zweden. Vijf Nobelprijzen was wel het minste voor de redder van onze planeet, de man die het mondiale leiderschap toekwam. Ondertussen werkte ik aan een artikel dat de Tweede Kamer duidelijk moest maken hoe het bestaan in elkaar stak. Daarvoor gebruikte ik aanmerkelijk minder ruimte dan de achthonderd pagina's die Mulisch nodig had voor De compositie van de wereld. Op mijn 23 velletjes passeerde zo ongeveer alles de revue. Van de 'basiswet voor het menselijk gedrag' tot de tweede hoofdwet van de thermodynamica. Alleen maar onzin kan het niet geweest zijn: Ed van Thijn liet me in de wandelgangen weten dat het een 'prima stuk' was.

Zo denderen veel patiënten door naar een uitbarsting van de manische fase. Naast de geestelijke gekte ontstaan problemen van zintuiglijke aard. Mijn waarnemings- en oriëntatievermogen ging kapot. Ik verdwaalde met mijn auto; thuis herinnerde ik me een tocht door een maanlandschap. Op het strand vlogen vogels in gelid aan mijn zijde. Ik dacht dat het zomerweer was én vroor. Zie je die staartklok? De wijzers gingen achteruit. Mijn tijdsbeleving werd chaotisch: vandaag was gisteren, gisteren vandaag. Absurd genoeg bleef ik binnen mijn krankzinnigheid de slimme jongen. Aan de ene kant dacht ik dat vileine wetenschappers verbindingen in mijn hersens hadden verwisseld, en dat ze elektronica hadden ingebouwd om mij als eerste volledig geprogrammeerde mens uitwendig te kunnen sturen. Aan de andere kant zei ik: Ik laat me niet als een proefdier manipuleren.

Pillen en injecties remden me nauwelijks af. Op een gegeven moment zie je jezelf in je nakie door de vrieskou rondjes om het huis rennen. Daar ging de man die een getalenteerd fysicus en staatssecretaris onderwijs was: geschift. De uiteindelijke climax kwam met een droom. Een dreunende stem verkondigde dat ik, een atheïst van hier tot gunter, de God der Goden was. Maar ik was de God der Goden niet, onzin. Ik was wie ik was: Ger Klein. De jongen die vroeger al Gekke Gerrit werd genoemd.

De overgang van de manische naar de depressieve fase voelt als een crash. Mijn huisarts vergeleek het proces met een desastreuze vlucht van een straaljager. Je vliegt eerst op normale hoogte, schiet dan verticaal de lucht in, blijft daarboven even hangen, en flikkert dan als een baksteen naar beneden. Eén nacht bleek voor mij voldoende om van een superactief figuur te veranderen in een lege accu. Ik kampte met een totaal gebrek aan energie. Mijn denken stagneerde. Ik was een zombie met een hoofd vol watten.

Ineens ben je de grootste kneus op aarde. Ik kreeg last van allerlei paranoia- en doemscenario's. Ja, op zeker moment was ik bang dat ik de Amerikaanse president ertoe zou brengen een nucleair Armageddon te ontketenen. Vervolgens rende ik naar de Postbank om een nieuwe hypotheek af te sluiten, want we stonden zogenaamd op het punt failliet te gaan. In overleg met mijn psychiater Mojet besloot ik de Tweede Kamer te verlaten. Ik krabbelde langzaam maar zeker op en kreeg zelfs een steengoeie baan: vice-voorzitter van de Raad van Bestuur van TNO. Mijn pech was dat het vreselijk botste met de voorzitter, een nare vent met jaren-vijftig-ideeën over het democratisch gehalte van de organisatie.

Conflicten hebben een negatief effect op het herstelproces van manisch-depressieve mensen. Voor ik het wist, was ik weer in de bonen. Tijdens een bestuurlijke retraite in Ermelo trad ik in discussie met mussen en lieveheersbeestjes. De reactie in mijn werkomgeving: eens een gek, altijd een gek. Je bent gebrandmerkt. Ook in je normale doen word je aangestaard en vinden mensen je eng. Sommigen deden het in hun broek als ik in de buurt kwam. Van dat gegeven maakte de plompe voorzitter met wie ik overhoop lag misbruik. Roddelend en stokend probeerde hij me definitief over de rooie te helpen. Ik hield het voor gezien. In mijn ogen bewijst de gang van zaken dat je alleen op straffe van uitgerangeerd worden manisch-depressief kunt zijn. Onze samenleving treedt zieken met een steeds hardere hand tegemoet. We geven het niet graag toe, maar Nederland ontaardt in een survival of the fittest-maatschappij.

De jaren na het roemloze eind van mijn loopbaan voelde ik me een jojo, heen en weer slingerend tussen manisch en depressief. Je staat erbij als je eigen toeschouwer, en wat je ziet is geen leuke opera maar een treurspel. De depressiviteit duurde meestal lang: van maanden tot een jaar. Erg diep zonk ik niet. De korte manische buien waren daarentegen intens. Ik schreef binnen achtenveertig uur een swingende, avondvullende one man-show over mezelf. Ik heb 'm nog - Paul de Leeuw kan er wat van leren.

High zijn is op zich geen onaangename geestelijke toestand. Maar het doet zo zeer als je landt. Gelukkig zijn de fluctuaties in de loop der jaren sterk afgenomen. Daaraan draag je zelf bij door opwinding in de kiem te smoren. Ik heb de zaak in de knuisten, maar het vermetel vertrouwen ligt op de loer. Af en toe sla ik de waarschuwingen van m'n echtgenote en jongste dochter in de wind. Dan ga ik op mijn bek.

Het klinkt belachelijk, maar je dient permanent op je hoede te zijn voor... jezelf. Je moet verstandig leven. Goed slapen, je handen lekker laten wapperen, afzien van alcholholgebruik. Ik drink geen druppel meer. In het laatste jaar van mijn staatssecretarisschap zóóp ik. Een avondje aan de boemel met Marcel van Dam betekende gegarandeerd een kanjer van een kater.

Sinds '79 slik ik dagelijks vierhonderd milligram lithiumcarbonaat. Daarnaast nam ik aanvankelijk 10 milligram Haldol. Momenteel zit ik op een halve milligram - niet slecht. Die middelen temperen je gemoed. Een mirakel. Godzijdank zijn het alleen mijn gedragingen die worden beïnvloed. Mijn persoonlijkheid blijft intact - geloof ik.''

“Wie is Ger Klein? Het antwoord op die vraag, ben ik gaan begrijpen, is deels het antwoord op de vraag waarom ik ziek ben geworden. De aard van het beestje - daar begint eigenlijk het verhaal over de man die uit de band sprong.

Mijn ouders maakten deel uit van de rode familie. Ze waren actief lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, de VARA, de zangvereniging Kunst aan het Volk, enzovoorts. De bewuste arbeidersklasse streefde naar 'de verlossing uit de slavernij'. Mijn moeder was een felle, maar mijn vader gaf tegenwicht: rustig, op het romantische af. Vergeleken met veel partijgenoten was hij een genuanceerd denker. 'Colijnianen', zoals hij de gereformeerden spottend noemde, zagen óók weleens iets goed.

In Den Helder zat vrijwel iedereen bij de marine. Pa was eerst hofmeester, vervolgens militair werkman, en na zijn degradatie in 1933 oppasser van adelborsten. Dat jaar begon de vervolging van ons gezin. Bemanningsleden van de Zeven Provinciën waren vanwege salariskortingen gaan muiten, en omdat de regering alles wat links was schuldig achtte, werd de SDAP voor marinepersoneel een verboden organisatie. Mijn vader moest diverse keren tegenover een bloedraad-achtige commissie verantwoording afleggen over zijn politieke voorkeur.

Wij werden doelwit van intimidatie en spionage. Sommige klootzakken zongen mij, een jochie van acht, hatelijk toe: 'Rooie' komt op je graf te staan. Als je een exemplaar van Het Volk mee naar huis smokkelde, moest je moeder uitkijken dat ze die krant niet per ongeluk meegaf aan ophalers van oud papier: marinemensen in burger controleerden zo of wij wel zuiver op de graat waren. De narigheid hield pas op toen mijn vader met vervroegd pensioen ging. Hij werd broodbezorger bij een coöperatie. Eindelijk konden we weer doen en laten wat we wilden. Het was een bevrijding.

Ik ben een cholericus. Emotioneel, primair, actief. Mijn traumatische jeugd - machteloos in een vijandige omgeving - heeft m'n haantje-de-voorste-drift versterkt. Uit angst opnieuw gekwetst te worden, probeer je iedere situatie naar je hand te zetten. Je maakt een egocentrische en dictatoriale indruk, terwijl je juist een onzeker manneke bent. Je incasseringsvermogen is gering. Bij het minste of geringste spring je over het bureau van de directeur heen.

Mijn psychiater zei eens: 'Wanneer ging het goed met u? Toen u in het Natuurkundig Laboratorium van Philips werkte. Toen u als hoogleraar aan de Technische Hogeschool in Delft doceerde. Toen u staatssecretaris onderwijs was. U moet een eigen toko hebben, min of meer zelfstandig kunnen zijn. U wilt de richting aangeven, u bent geen type dat braaf in een Tweede Kamer-bankje afwacht of het de minister behaagt u tegemoet te komen.' Mojet zag het goed. Zodra ik in een afhankelijke positie kom, maakt zich een negatieve, soms destructieve spanning van mij meester.

Er is een groot oorzakelijk verband tussen mijn ervaringen in de politiek en mijn ziekte. Mijn vrouw en mijn vrienden riepen van meet af aan dat ik geen beroepspoliticus moest worden. Ze beseften dat de leiding van de PvdA mijn soort niet kon uitstaan. Omdat ik niet tractable was, niet volgzaam, te eigenzinnig. Maar ik had het heilige moeten met de moedermelk meegekregen, hè. De top van de Partij van de Arbeid, merkte ik, dichtte the human factor weinig waarde toe. Kinnesinne en ellebogenwerk waren troef. Het stond haaks op de pretenties van de partij - misselijkmakend. Nieuw Links was de uitzondering die de regel bevestigde. In dat clubje beleefde ik de ware kameraderie.

Joop den Uyl, onze antipool, personifieerde een aantal slechte PvdA-trekjes. Zijn idealisme was authentiek, maar hij werd wel héél sterk gedreven door die Wille zur Macht. Hij omgaf zich met ja-knikkers. Den Uyl had bovendien geen humor. Serieuzen maken de fout niet-serieuzen niet serieus te nemen. Ze hebben geen oog voor het feit dat organisaties wel varen bij de aanwezigheid van een stel ballonnendoorprikkers.

Den Uyl had geen tijd voor menselijkheid, hij was te druk met het instrueren van zijn volgelingen. Onze karakters verdroegen elkaar niet, waar bij kwam dat we inhoudelijk van mening verschilden. Ik vond hem een in- en uitprater. Den Uyl wilde mij in '73 niet opnemen in zijn kabinet. Partijvoorzitter André van der Louw, een van mijn geestverwanten, zette hem het mes op de keel: 'Klein doet mee, of ik blaas de hele zaak af.' Schoorvoetend ging Den Uyl akkoord. Later moest ik meemaken dat hij me tegenover de KVP liet vallen. Je eigen voorman die een dolk in je rug zet... Verraad!

De kwestie-Aantjes was de druppel die de emmer deed overlopen. In mijn hoedanigheid van staatssecretaris Onderwijs en Wetenschappen waakte ik vier jaar over het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en zijn directeur, Loe de Jong. Wat een gesodemieter! Wat was die man arrogant! De hogepriester van het verzet, het geweten der natie - zo'n houding. Hij trok zich niets aan van de politici die boven hem waren geplaatst. Hij was extreem publiciteitsbelust, deed wat hem goeddunkte. Ik vond dat oorlogsleed zich niet leende voor die aanpak.

Een jaar na de val van het kabinet-Den Uyl - ik zat inmiddels in de Kamer - presenteerde De Jong op eigen houtje een rapport over de scheve schaats die Aantjes tijdens de Tweede Wereldoorlog zou hebben gereden. Hij maakte er een spektakelstuk van. Met alle schijnwerpers op zich gericht sprak De Jong een aanklacht én een veroordeling uit. Dat was zijn taak niet. Hoe hoort het te gaan? Het RIOD doet een ontdekking, waarop de verantwoordelijke bewindslieden worden ingelicht. Als de Kamervoorzitter op de hoogte is gesteld, moet een parlementaire vertrouwenscommissie een nader onderzoek verrichten. In het kader van hoor en wederhoor kan de 'verdachte' zijn lezing geven. Dán pas verschijnt het eindrapport.

In de zaak-Aantjes zijn de procedures die in onze rechtsstaat gelden met voeten getreden. Of je nou goed of slecht over de man denkt: hij heeft geen enkele kans gekregen zich te verweren. Hij is eenvoudigweg geslachtofferd door De Jong, met instemming van de regering: Van Agt, De Ruiter, Pais. Ik heb tot op de dag van vandaag te doen met Aantjes.

Zijn drama luidde mijn drama in. Aan de vooravond van het cruciale debat wees de PvdA-fractie niet mij maar Joop Voogd aan als woordvoerder. 'Ger', zei Den Uyl, 'jij moet je gedeisd houden.' Misschien speelde mee dat ik die dagen al een opgefokte indruk maakte. Hoe dan ook: onze fractie gedroeg zich als een verzameling kippen zonder kop. Geëmotioneerd, onderling verdeeld, helemaal in de war. Zwaaiend met papieren poogde ik achter de interruptiemicrofoon duidelijkheid te scheppen. Den Uyl stond in mijn nek te hijgen: 'Ophouden, stóppen.' Ik stampvoette. Ik brieste. Ik kon ze wel villen. Het haalde niks uit. Een paar uur later knapte die sperzieboon in mijn hoofd.''

“De landelijke PvdA heeft me laten barsten. Je zet je veertig jaar in voor de partij, de bliksem slaat in je hoofd, en dan... stilte. De solidariteitsgedachte houdt blijkbaar in dat zieken en zwakken met de vuilnisman mee mogen. Het is mij een raadsel waarom linkse mensen elkaar niet opvangen. Misschien gebruiken hervormingsgezinde Draufgängers zoveel energie voor het creëren van rechtvaardige maatschappelijke structuren dat ze geen puf meer hebben om hun naaste bij te staan. Maar eerlijk gezegd lijkt die verklaring me te vriendelijk. In de PvdA is de carrièredrang minstens zo groot als in de VVD en het CDA. Menigeen loopt te koop met idealen die bij nadere beschouwing van bordkarton blijken.

Het yuppendom rukt op in de Partij van de Arbeid. Zo'n Melkert. Zo'n Rottenberg. Waarom wordt het voorzitterschap in godsnaam uitbesteed aan een blabla-figuur? Amsterdamse lef, meer is het niet. Inhoudelijk stelt hij geen donder voor. Mijn PvdA-lidmaatschap heb ik opgezegd na Rottenbergs onbeschofte uitlatingen over Nieuw Links. Ik stem tegenwoordig GroenLinks. Mag ik het eens op z'n vooroorlogs zeggen? De Partij van de Arbeid verwordt tot een vrijzinnig-democratische beweging. Jaren geleden zei ik al dat de meeste PvdA-ers feitelijk kapitalisten zijn die het stoomschip Free Enterprise op koers houden. Neem het nieuwe kamerlid Rik van der Ploeg, een econoom. Hij toont zich hoogstens bereid wat pleisters te plakken op de ergste wonden die het huidige stelsel bij mensen slaat. Vergeleken met hem is Bolkestein een linkse rakker.

Ik sta ervan te kijken dat Kok deze tendens toejuicht. Waarschijnlijk heb ik me op hem verkeken. Aárdige man, bekwáme man - maar een op en top pragmatist. Kok is te weinig begeistert om in compromis-situaties een herkenbaar progressief profiel te behouden. In een paars kabinet zal hij alle kleur verliezen.

Ik mag dan bitter zijn, ik heb Over de rooie niet geschreven om af te rekenen met de PvdA. Ik wil een bijdrage leveren aan de emancipatie van geesteszieken. Mijn hoop is dat buitenstaanders door het lezen van dit boek meer begrip krijgen voor de manisch depressieve medemens.

Le plaisir de se voir imprimé, ik kan het genoegen nauwelijks beschrijven. Dit boek is een zelfoverwinning, een wederopstanding. De komende weken moet ik uitkijken dat ik me niet laat meeslepen door die triomfantelijke gevoelens. Ik ben een ex-patiënt die nooit zal genezen. Als ik vergeet m'n pilletjes te nemen, ontspoor ik. Ik weet dat ik mezelf tot aan mijn sterfbed op kunstmatige wijze in toom zal moeten houden.

Mijn ziekte heeft genomen, mijn ziekte heeft gegeven. Professioneel ben ik erop achteruit gegaan, persoonlijk vóóruit. Ik heb leren relativeren, ik ben de betrekkelijkheid van dingen en mensen - inclusief Ger Klein - gaan inzien. Prediker heeft gelijk: ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdel. Ons past nederigheid. Toch denk ik diep in mijn hart nog altijd dat ik de Messias ben. Ik kan zo mijn handtekening zetten onder de woorden van Willem Kloos. 'Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten.' Het zat al in me toen ik werd geboren. Ook in mijn normale doen dacht ik voortdurend: De wereld zou eens wat beter naar Ger Klein moeten luisteren. Dat kruis draag ik tot mijn dood.''