El Greco's hellevaart

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: Het vijfde Zegel (1937)

Toen ik in 1960 op de HBS te horen kreeg dat je voor het eindexamen boeken moest lezen, en ik onze leraar Nederlands smeekte om een lijstje met namen van schrijvers, hoorde ik voor het eerst het toverwoord Vestdijk. De Gereformeerde Evangelisatie-bibliotheek te Maassluis bezat uiteraard geen romans van de godloochenaar Vestdijk, maar de leesbibliotheek van de Nutsspaarbank had twee romans: Rumeiland en Het vijfde Zegel. Tegen betaling van tweemaal een dubbeltje nam ik beide werken mee naar huis. Rumeiland, de eerste roman van Vestdijk die ik ooit las, las ik vrij vlot uit, maar in Het vijfde zegel bleef ik, totaal wanhopig, na amper honderd bladzijden steken. Ik begreep er domweg niets van. Bijna elke zin - en die zinnen waren soms onmatig lang - was op zich al een cryptogram. Met bloedend hart, want het had mij een dubbeltje gekost, bracht ik het werk terug. Zo ik later soms al aanvechting voelde om het alsnog uit te lezen, dan werd ik daarvan weerhouden door het oordeel van Menno Ter Braak: “Een van Vestdijks minst geniale boeken, een van Vestdijks mindere werken.” En blijkbaar deelde Vestdijk dit oordeel, want Mieke Vestdijk vertelde dat Het vijfde zegel de enige roman was die haar man niet aan haar voor wilde lezen.

Wat een geluk dat dit werk, in het kader van dit project, mij werd toebedeeld! Anders zou ik het misschien wel nooit helemaal hebben gelezen. En dan had ik deze zeldzaam rijke, grootse, epische, magistrale roman gemist. Ik had het natuurlijk kunnen weten. Ter Braak zat er vrijwel altijd naast, kleunde meestal mis, en ik had toch ook bij Marsman gelezen: “Het is zonder een zweem van twijfel als prestatie Vestdijk's beste roman geworden; het verwerkt op een superieure manier een enorme historische, culturele, philosophische en theologische kennis, het is op enkele inzinkingen na voortreffelijk geschreven, fors, vrij, met een volmaakte beheersing en zekerheid, zonder iets van merkbare moeite; terwijl men er diep van overtuigd dient te zijn, dat het schrijven van een dergelijk werk een wilskracht, een durf en een meesterschap vergt, die vrijwel geen hollands schrijver tot zijn beschikking heeft.”

Het vijfde zegel verhaalt over El Greco's hellevaart. Koning Philips de Tweede wijst zijn schilderij van de Heilige Mauritius af. Grote vertwijfeling bij El Greco is daarvan het gevolg. Daarbij komt dat men er in hofkringen op uit is hem nog dieper te doen vallen. Daartoe schakelt men de Inquisitie in. Zou men El Greco niet van ketterij kunnen beschuldigen? Heel langzaam worden de duimschroeven aangezet. Als El Greco, eerst nog nauwelijks in staat om zulks te geloven, opmerkt dat men erop uit is hem voor de rechtbank te dagen, wordt een wurgende angst zijn deel. De man die hij aanzag voor zijn verrader, een franciscaanse monnik - en hoe meesterlijk heeft Vestdijk deze figuur beschreven, ook in zijn verhouding tot El Greco - brengt evenwel de inquisiteur om, daarbij het dreigende gevaar afwendend. Al wat in een echte Vestdijk-roman aanwezig is, vinden we hier in een rijke, veelledige vorm terug: de kwelgeesten die iemands leven zuur maken, de (in dit geval) vermeende verrader, de verhouding tussen een meester en een knecht (hier Koning Philips als meester en El Greco als knecht, die niet begrijpen en verkroppen kan dat zijn meester hem afwijst), de verhouding tussen twee vrienden van wie de één een slimme raadgever is met een toch wat bekrompen cerebrale inslag en de ander een door emoties geteisterd gevoelsmens. Het enige wat in deze roman merkwaardigerwijs ontbreekt is een hartstochtelijke liefde. El Greco woont samen met een aantrekkelijke vrouw, maar hun relatie blijft, hoe ongebruikelijk bij Vestdijk, tamelijk schimmig. Het ontbreken van een Ina Damman-achtige liefde moet een van de redenen zijn waarom deze roman in de Vestdijk-canon, naar mijn smaak overigens ten onrechte, als een van de minder geslaagde werken wordt gezien. Zeker, er is sprake van grote overdaad, van een wellicht verpletterend teveel, als bij een diner van tien gangen. Maar wie treft blaam in zo'n geval: de kok die al te weelderig uitpakte, of de fijnproever die het niet op kan? Ik houd het erop dat het luie lezers zijn die tegen deze weelderigheid protesteren, want hoe superieur wordt deze overdaad geregisseerd, hoe meesterlijk worden al die niet ter zake doende spitsvondige theologische gesprekken weergegeven, en hoe schitterend, en met een overweldigende neiging tot detaillering, wordt die hele Spaans-paapse wereld ten tijde van Philips de Tweede opgeroepen! En toch, precies zoals Marsman zegt, 'zonder iets van vertoon'. En ronduit subliem is bijvoorbeeld het dertiende hoofdstuk waarin het verhoor van El Greco adembenemend wordt beschreven. Daarin plotseling dat prachtige inzicht, aldus door Vestdijk beschreven: “Hij geloofde niet meer aan God, maar evenmin geloofde hij aan het niet-bestaan van God, omdat zowel het ene als het andere hem diep onverschillig liet! Dat schonk hem een grote vrede en hij had wel als apostel willen optreden voor dit nieuwe ongeloof, dat zo troostrijk was en zo vanzelfsprekend.”