Ans van Dijk

In haar recensie van Koos Groens boek over de joodse verraadster Ans van Dijk (boekenbijlage 17 september) noemt Anneke Visser het 'opmerkelijk' dat de procureur-fiscaal, mr. Gelinck, tijdens het proces opmerkte dat de joodse slachtoffers van Ans van Dijk geweten moesten hebben dat zij de vernietiging tegemoet gingen. “Opmerkelijk omdat nauwelijks bekend was wat de joden te wachten stond nadat zij op transport werden gesteld.” Tegen deze opinie valt wel wat in te brengen.

Om te beginnen, de opmerking van mr. Gelinck had betrekking op de periode vanaf het voorjaar van 1943; toen begon Ans van Dijk namelijk met haar verraad. Reeds medio 1942 was in Londen door berichten uit bezet gebied bekend dat de Duitsers begonnen waren met de massale vernietiging der joden. Vanaf juni 1942 besteedde de BBC aandacht aan de vergassingen in Polen. Een weerklank daarvan treft men bijvoorbeeld aan in de dagboekaantekening van Anne Frank onder de datum 9 oktober 1942 over joodse gedeporteerden: “Wij nemen aan dat de meesten vermoord worden. De Engelse radio spreekt van vergassing; misschien is dat wel de vlugste sterfmethode.”

Voor Radio Oranje richtte koningin Wilhelmina zich op 17 oktober 1942 tot het Nederlandse volk met de woorden: “Ik deel van harte in Uwe verontwaardiging en smart over het lot onzer Joodse landgenoten; en met mijn gehele volk voel ik de onmenselijke behandeling, ja het stelselmatig uitroeien van deze landgenoten (...) als ons persoonlijk aangedaan.”

Niet alleen via de radio bereikten dergelijke berichten Nederlanders in bezet gebied. In de winter van '42/'43 waren joden uit hospitalen, weeshuizen en krankzinnigengestichten op transport gesteld ten behoeve van de 'werkkampen' in Polen, zoals het officieel nog heette. Die daad moet weinig ruimte voor illusies hebben gelaten temidden van nazi-uitingen dat het 'jodenprobleem opgelost' zou worden.

Uit berichten die het bureau Inlichtingen te Londen in 1943 uit bezet Nederland ontving, bleek dat men daar over het algemeen weinig illusies had over het lot der gedeporteerde joden. Een samenvattend rapport uit 1943 verwachtte de totale ondergang van de Nederlandse joden binnen enkele maanden. In 1942 circuleerden er in kringen van NSB'ers en Nederlandse SS'ers vrijelijk berichten over de uitroeiing der joden in Polen. Die kennis kan niet tot de eigen kring beperkt zijn gebleven.

Een voorbeeld daarvan ontlenen we aan een door Rotterdammer F.A. de Graaff tijdens de oorlog bijgehouden kroniek (Op leven en dood, uitgegeven in 1946). Bij het tweede jodentransport uit de Maasstad eind augustus 1942, waarvoor overigens maar drie- van de negenhonderd opgeroepenen verschenen, noteerde hij: “Dr. Spruyt, de NSB-directeur van den Geneeskundigen Dienst (...) werd door een der doktoren aangevallen over deze transporten. Hij zeide hierop: 'Och ja, 't is wel erg, maar die Jodenkwestie moet nu maar eens radicaal worden opgelost.' Toen hem daarop werd gezegd, dat men dan den moed moest hebben om mannen, vrouwen en kinderen den kogel te geven, daar vernietiging toch het einddoel was, zeide dr. Spruyt na eenig nadenken: 'Ja, bijvoorbeeld, op de gaskamer of zoo'.”

Ook Nederlandse arbeiders en ontslagen gevangenen uit Auschwitz en Birkenau keerden naar Nederland terug met hun ervaringen. Onder een bezetting krijgen, bij gebrek aan werkelijk en betrouwbaar nieuws, geruchten vleugels. Geruchten over een massale vernietiging van landgenoten houden geen halt bij de voordeur.

De bekendheid met het lot van de gedeporteerde joden is in de periode tussen voorjaar 1943 en het eind van de oorlog dan ook waarschijnlijk wijd verbreid geweest. Men kon of wilde het echter niet geloven. L. de Jong schreef al (deel 7, pag. 350): “Voor de meeste mensen geldt dat zij geloven wat zij willen geloven; feiten die daarmee diametraal in strijd zijn, worden eenvoudig niet voor waar gehouden..”

Illustratief is een dagboekaantekening van 24 januari 1945 van een boerenzoon uit een tamelijk geïsoleerd dorp in het juist bevrijde zuiden van Nederland: “De pater had het vanmorgen ook even over de verdreven bezetters. 'Honderdduizenden, vooral Joden, zijn in speciale kampen door hen als beesten vergast', riep hij. Wij weten niet goed of wij dit wèl of niet met een korreltje zout moeten nemen. Honderdduizenden is wel gauw gezegd. Dat er iets van waar is, hebben wij al vaker gehoord, maar of 't nu werkelijk zó erg is, zullen wij pas na de oorlog horen.” (Piet Geerts, Dagboek).

Drie maanden later op 19 april schreef de auteur: “Via de radio worden er verschrikkelijke gruweldaden bekend die wij nauwelijks kunnen geloven. Er worden nu dagelijks kampen bevrijd waar duizenden mensen zijn doodgemarteld of in gaskamers zijn omgebracht. Hun lijken werden daarna in ovens verbrand. Wij hebben dergelijke geruchten al eens eerder gehoord, maar nu blijkt het echt waar te zijn.”

Wat gold voor individuen, gold ook voor de verzetspers. Het communistische blad De Waarheid dat eind februari '43 schreef over 'de volledige uitroeiing van alle Nederlanders van Joodse afkomst', had er al op 12 december 1942 blijk van gegeven te beseffen dat het moeilijk zou zijn de kennis daarvan ingang te doen vinden bij de lezers: “Het lijkt ondenkbaar, doch het is waar.” Ondenkbaar en onpubliceerbaar bijvoorbeeld voor de illegale bladen Trouw en Vrij Nederland die in het voorjaar van '43 wel over informatie over de gaskamers in het oosten beschikten. Het Parool van 27 september 1943 publiceerde wel een gedetailleerd verslag over de gaskamers. Ons Volk schreef in augustus 1944 over de gedeporteerde jood: “geen mens (hoort) meer van hem. Alleen heel vaag horen wij iets van honger, van mishandeling en van gaskamers.”

Al vóór het voorjaar van 1943 en zeker in de nog resterende bezettingstijd, waarin Van Dijk haar verraad pleegde, was in ruime kring bekend dat joden die op transport werden gesteld de dood tegemoet gingen. Het is geenszins opmerkelijk dat een procureur-fiscaal degene die daar door haar verraad toe bijdroeg, bij haar berechting voorhield dat zij net zo goed als haar slachtoffers wist dat de laatsten de vernietiging te wachten stond. Indien men wil spreken van een tragiek van de verraadster, dan is het wel dat haar joodse achtergrond het haar onmogelijk maakte, zoals veel niet-joodse Nederlanders, ondanks de beschikbare kennis passief te blijven.