Als een pikkie van dertien volleyballen met een stel dertigers

Het Nederlands volleybalteam, dat vanaf volgende week donderdag om de wereldtitel speelt in Griekenland, is een echte nationale ploeg. De twaalf geselecteerde spelers komen uit alle delen van het land. Wat zijn de achtergronden van de internationals en hoe kwamen ze bij het volleybal terecht? “In het begin vond ik het maar een wijvensport”, zegt Jan Posthuma.

Twee internationals speelden als kind eerst nog bij de plaatselijke fanfare voordat ze in de ban raakten van het volleybal. Guido Görtzen sloeg in Landgraaf op de trom, Ronald Zoodsma deed hetzelfde in Sneek. Het was in beide gevallen maar van korte duur. Voetballen deden de meeste volleyballers daarentegen gedurende een veel langere periode. Liefst acht van de twaalf selectieleden waren lid van een vereniging.

De drie Friese internationals Van der Meulen, Posthuma en Zoodsma speelden het langst bij een voetbalclub. Uit het toenmalige elftal van Zoodsma bij Hubert Sneek reikten een paar jongens tot de profs. De vader van Olaf van der Meulen schijnt ooit een jeugdtalentje bij Heerenveen te zijn geweest. “Maar hij is zijn plakboeken kwijtgeraakt en kan het me dus niet laten zien.” Van der Meulen en Zoodsma waren beiden laatste man. Ze waren lang voor hun leeftijd en hadden een behoorlijk overzicht.

De meeste Nederlandse kinderen beginnen hun sportieve leven met voetballen. De latere topvolleyballers waren geen uitzondering. Het is voor een kind nu eenmaal gemakkelijker tegen een bal te schoppen dan een bal hoog te houden met de handen. Van de huidige selectie zag eigenlijk alleen Henk-Jan Held geen heil in voetbal. Hij deed als kind aan gymnastiek en vooral aan tennis, waar hij zich acht jaar mee bezighield. “Ik kon het niet echt goed. Ik heb één keer samen met mijn zus een D-toernooitje gewonnen.”

Voor vier internationals was volleybal wel hun eerste sport. Ron Zwerver begon zijn carrière op zesjarige leeftijd bij het Amsterdamse Rangers. Zijn vader volleybalde ook. Zwerver wilde eigenlijk liever voetballen en was twaalf toen hij van sport wisselde. Hij werd lid van voetbalclub DCG. Het bleef maar bij één seizoen. “Je bent lang, dus word je in de spits geduwd. Met koppen ging het goed, maar over de grond kwam ik techniek te kort.”

Nog een groter probleem vond hij de vele afkeuringen en de afmeldingen van teamgenoten “om niets”. Zwerver keerde snel terug naar het volleybal. Hij ging naar Martinus - de club waar de basis werd gelegd voor de latere successen van het Nederlands team - en kwam onder de hoede van Bert Goedkoop, de huidige bondscoach bij de vrouwen

Ook Peter Blangé en Brecht Rodenburg begonnen meteen met volleybal. Beiden hebben een broer die een stuk ouder is en hen enthousiast maakte voor de sport. Fred Blangé speelde zelf ook voor de nationale ploeg. “Hij nam vaak spullen voor me mee: shirtjes, oude volleyballen. Daar gaf je ook weleens een schop tegen, maar mijn interesse ging vooral uit naar volleybal.” Blangé meldde zich op 9-jarige leeftijd meteen aan, toen zijn moeder in de krant had gelezen dat er een mogelijkheid was tot gratis mini-volleybal bij Tonegido in zijn woonplaats Voorburg. Rodenburg was nog twee jaar jonger. Hij had bovendien de weelde dat hij en zijn broer Jan later de beschikking kregen over een eigen volleybalveldje op het terrein van de kwekerij van hun ouders in Nieuwekerk aan den IJssel. Daar was het bijna elke middag spelen geblazen.

Dat vrijwel alle internationals door vaders, broers of zussen met volleybal in aanraking kwamen, toont aan dat het een echte familiesport is. De vader van Rob Grabert was in het Limburgse Horn één van de oprichters van de club De Plekkers, later omgedoopt tot VC Horn. Spelverdeler Misha Latuhihin werd de eerste twee jaar door zijn vader getraind. Held volgde zijn broer die in Renswoude ook zijn eerste trainer werd. Volgens Posthuma kon het niet uitblijven dat hij ging volleyballen, omdat zijn twee oudere zussen het ook deden. Hij vond het eerst “een wijvensport” en had niet de intentie om het fanatiek te gaan bedrijven.

Al snel bleek dat hij aanleg had en toen was ook Posthuma verkocht. De keuze van iemand tussen twee of meerdere sporten wordt meestal bepaald door waar hij of zij goed in is. Bij de huidige internationals speelde de lengte een doorslaggevende rol. Ze waren als tiener al groter dan hun leeftijdgenoten. Dat betekende bovendien dat ze te houterig en te traag waren om goed te kunnen voetballen. Maar met volleybal stond een aantal leden van de selectie van Alberda al op vijftienjarige leeftijd in het eerste team van hun vereniging. Ze kwamen in nationale selecties terecht en verhuisden uiteindelijk naar een topclub.

Aanvoerder Blangé was “een pikkie” van dertien jaar toen hij al in het achtste mannenteam van zijn club speelde. De meeste teamgenoten waren de dertig al gepasseerd. “Ik vond het prachtig om met ouderen te spelen. Er was maar één probleem, we trainden om half tien 's avonds. En dat is geen tijd voor een jongen van dertien.”

Spelers als Held, Van der Meulen en Zoodsma begonnen pas uitzonderlijk laat, op 15-jarige leeftijd, met volleyballen. Volgens Rob Grabert is het geen nadeel als een volleyballer in zijn jeugd eerst nog andere sporten heeft bedreven. Hij vindt het zelfs verstandig eerst te basketballen, badmintonnen, zwemmen of turnen. Een lange speler wordt er leniger door en krijgt een betere houding en lichaamscoördinatie. “Ik heb bijvoorbeeld mijn hele leven met stenen gegooid. Daar heb ik echt profijt van”, aldus Grabert. Jan Posthuma noemt het feit dat hij op het CIOS met verscheidene sporten in aanraking kwam “een belangrijke ommekeer” voor zichzelf.

En wat is er bij de volleyballers gebeurd met de liefde voor het voetbal? Die is er bij de meesten nog steeds. Behalve passieve interesse voor de sport, schoppen de in Italië spelende volleyballers nog regelmatig tegen een bal. Bij hun clubs wordt er op de training gevoetbald. Helemaal ongevaarlijk is dat niet. Blangé blesseerde zich een keer ernstig en beperkt zich tegenwoordig tot keeperswerk, “om in de weg te kunnen liggen”. Blangé bekijkt in Parma regelmatig wedstrijden van de plaatselijke voetbalclub, momenteel de koploper in de Serie A.

Als ze thuis in Sneek zijn, spelen Van der Meulen en Posthuma regelmatig met vrienden op een grasveld. “Ik zou best weleens met een goede voetbalploeg willen meetrainen”, aldus Van der Meulen. Zwerver: “Wat er zo mooi is aan voetballen? Die graslucht.”

Het blessuregevaar is de belangrijkste reden dat er op de trainingen van het nationale team nooit wordt gevoetbald. “We zijn lichamelijke contact niet meer gewend”, zegt Bas van de Goor, wiens neef Jürgen in de voetbalselectie zit bij eerste-divisieclub TOP. “Volleyballers lijken een gedisciplineerd volkje, maar als ze gaan voetballen doen zich bij de geringste overtreding problemen voor.” Van de Goor herinnert zich dat hij in zijn studietijd op de sportacademie in Zwolle eens meedeed aan een 'grote' partij van elf tegen elf. “Iedereen wist dat ik me geen blessures kon veroorloven, maar toch werd ik van achteren op mijn achillespezen geschopt.” Hij kon zich niet beheersen en nam maatregelen. “Ik ben weggelopen.”

“Je bent”, zegt Zwerver, “geen supertalent en dus ga je rossen. Daar komen blessures van. Het is vergelijkbaar met campinggasten die voor het eerst gaan volleyballen. Dat gaat ook niet goed. Ik vind het hartstikke leuk om bij Treviso te voetballen. Lichamelijk contact? Fantastisch. Het is voor een volleyballer weer eens wat anders.”

Naam, leeftijd, lengte, club, spronghoogte

MISHA LATUHIHIN, 23 jaar, 1.90 meter, Rentokil ZVH, 3.30 meter

GUIDO GÖRTZEN, 23 jaar, 1.98 meter, Alcom Capelle, 3.40 meter

RONALD ZOODSMA, 28 jaar, 2.00 meter, Montichiari (I), 3.40 meter

ROB GRABERT, 30 jaar, 1.98 meter, Rentokil ZVH, 3.47 meter

HENK-JAN HELD, 26 jaar, 2.00 meter, Bologna (I), 3.47 meter

OLOF VAN DER MEULEN, 25 jaar, 2.01 meter, Napoli (I), 3.25 meter

RON ZWERVER, 27 jaar, 2.00 meter, Treviso (I), 3.47 meter

BRECHT RODENBURG, 26 jaar, 2.02 meter, Rentokil ZVH, 3.47 meter

PETER BLANGÉ, 29 jaar, 2.05 meter, Parma (I), 3.40 meter

BAS VAN DE GOOR, 23 jaar, 2.09 meter, Modena (I), 3.40 meter

JAN POSTHUMA, 31 jaar, 2.09 meter, Milano (I), 3.51 meter

PETER MURPHY, assistent-coach

JOOP ALBERDA, bondscoach