1984 (1)

Hofland geeft een indrukwekkende analyse van de westerse samenleving; haar plaatsend in Orwelliaans perspectief komt hij tot een uiterst somber beeld van heden en toekomst van onze maatschappij.

Terecht vestigt Hofland de aandacht op de falende overheid, vooral tot uiting komend in haar onvermogen tot beheersing van het geweld. Evenals de individuele burger verkeert zij in een crisis, een gezagscrisis. Hoe zou het anders kunnen? De afwijzing van een overkoepelende, transcendente moraal en van de door deze moraal gedragen instituties moest wel leiden tot dat wat Hofland zo fraai typeert als de gewatteerde dictatuur. Het vrijheidsstreven van de westerse mens is dialectisch omgeslagen in onvrijheid, weliswaar een onvrijheid die zich in zachte vormen hult, maar zij is en blijft onvrijheid. Een met deze onvrijheid samenhangend verschijnsel is het geloof bij vele burgers en hun middenveld (kerk, school, vereniging etc.) in de beheersbaarheid van alle aspecten van het leven. Hierbij speelt het bij vele nog steeds magische geloof in computers een grote rol. Dit komt tot uiting in de talloze beleidsplannen, die elke zichzelf respecterende instelling of vereniging (van kerk tot plaatselijke tennisvereniging) tegenwoordig meent te moeten opstellen. Hierbij wordt niet zelden analyse verward met oplossing. De door Hofland beschreven en door de televisie voortgebrachte trivialisering en hysterisering is inderdaad een van de opvallendste en nog steeds niet diepgaand genoeg geanalyseerde tijdsverschijnselen, een weerzinwekkend verschijnsel. Niets is veilig voor de almachtige televisie. Al het essentiële, mooie en dramatische, al het waardevolle van het leven wordt door haar vervormd en misvormd. Dit kan ook niet anders, want als massamedium is zij belust op effect, en uit effectbejag kan niets goeds voortkomen! Ondertussen kunnen velen geen weerstand bieden aan de verleidingen van die medium, ook intellectuelen niet die zich zo graag beroemen op hun kritische zin. Velen weten ook geen onderscheid meer te maken tussen de werkelijkheid van het leven en de eigen emoties en de uitbeelding er van door de televisie. Zo ontstaat een schijnwereld, en raakt de mens vervreemd van zichzelf en de ander. Tussen hem en de wereld staat het grote televisiescherm. Een oplossing voor de crisis van onze westerse samenleving zie ik voorlopig niet, maar misschien zal uit de as van de puinhopen van onze tot ondergang gedoemde beschaving een nieuwe en betere verrijzen. Wat dat betreft is het jammer dat de grote ideologieën hun tijd hebben gehad. Hoeveel terechte kritiek men hierop ook kon hebben, zij boden in ieder geval aan velen toekomstperspectief en konden het individu boven zichzelf doen uittillen.