Zwart-wit films van wisselende kwaliteit in Utrecht; De kunst van de suggestie

UTRECHT, 23 SEPT. In zwart-wit filmen in dit tijdperk van digitale hoogstandjes is niet zomaar de bokkewagen verkiezen boven het vliegtuig. Zwart-wit is wat je noemt een statement, het is het herkenningsteken van de geus, die het zonder de luxe van kleur kan stellen. Stiekem weet hij natuurlijk dat het in licht en donker en het grijs ertussen vertelde drama bij voorbaat mysterieus is, en introvert en spannend. Eigenlijk is kleur nouveau-riche en ordinair en heeft zwart-wit de eenvoud van de ware chic.

Gisteren, de eerste dag van het Nederlands Film Festival, werden ten minste vier zwart-wit films vertoond. Of dat een trend verraadt is de vraag: het heeft dus nog zin om te hopen van niet. Drie van de vier filmers weten het gevaar van de fraaie eenvoud niet te bezweren - en worden akelig pretentieus. De al eerder elders vertoonde film Venus in furs, van Maartje Seyferth en Victor Nieuwenhuijs, wedijvert in verhevenheid met de splinternieuwe korte film Fenceless in grace, van Janneque Draisma, in 1992 met een Gouden Kalf onderscheiden voor haar rol in Kyodai makes the big time.

Op papier heeft Draisma's film met dans te maken, in de praktijk zien we een enkel danspasje, veel naakt, nog meer gedool door onbestemde ruimtes - ruïnes uiteraard - en, meer in het algemeen, excessief vertoon van desolaatheid. Dat alles zet Draisma nog kracht bij met een opzettelijk ongerijmde montage, een overdaad aan dramatische muziek en, het raffinement ten top, een enkel beeld in kleur. Geen genoegen, deze LSD-trip.

Aan de speelfilm Laura, in kleur, van Barbara Meter, kleven vergelijkbare bezwaren. Hij bestaat uit een reeks momentopnames uit het leven van een jonggestorven meisje, van elkaar onderscheiden door donkerslagen. De gefragmenteerde structuur schept al afstand, die nog eens vergroot wordt door het weinige dat Meter over haar titelheldin loslaat. Herhaling van indringende close-ups van hoofdrolspeelster Christel Berbers heeft een averechts effect, als we niet verder dan een vermoeden komen omtrent het drama dat haar droeve ogen suggereren. Er is iets met drugs en verslaving - de doodsoorzaak laat zich raden - en onbeantwoorde liefde, maar dat is het dan. Meter bladert zo'n beetje in het foto-album van een vreemde en wat je daarvan begrijpt, boeit zo weinig, dat je het naadje van de kous ook helemaal niet weten wilt.

Meter en Draisma verstaan de kunst van de suggestie niet - Frans Weisz wel. In Crankybox voert hij in een scenario van Judith Herzberg een groot aantal personages op, die we ook niet nader leren kennen, maar voldoende om zicht te krijgen op wat de filmer beweren wil. Zijn film is een ironiserend werkstuk over wisselende contacten, als in een estafette wordt het amoureuze stokje doorgegeven. Springt de liefde uit het raam, dan aanschouwt ze in haar val hoe haar achtergebleven minnaar het een verdieping lager al weer aanlegt met een ander. Het onrealistische, enigszins houterige spel van leerlingen van de Toneelacademie Maastricht is een stilering op zichzelf en contrasteert mooi met de wervelende montage en de weelderige door Jan Roelf en Ben van Os ontworpen kamer, waarin het kaleidoscopische cursiefje zich afspeelt. Terecht duurt Crankybox slechts een half uur: net lang genoeg om charmant en luchtig te blijven.

Vooral charmant is ook Lespeki Mama, van Francis Vrij. Haar documentaire schetst de culturele tegenstellingen tussen Suriname en Nederland aan de hand van een portret van de Creoolse 'oma' Doorson. Enkele van haar kinderen wonen in Paramaribo, een paar ook in Nederland. Schitterend is de scène bij de Vreemdelingenpolitie, waar haar in Nederland wonende dochters een verblijfsvergunning voor haar proberen te krijgen. Op de achtergrond van het gerommel met papieren en documenten spreekt de blik van oma Doorson boekdelen. Ze wil terug, ze hoort hier niet. Shots van, in vergelijking met het Surinaamse groepje, kleurloze en benepen Nederlanders in een strandtent maken duidelijk waarom. Lespeki Mama zit rijkelijk chaotisch in elkaar, maar is alleen al daarom geen pamflet geworden. Vrij biedt een reeks impressies, met een paar prachtige momenten en zonder dwingende conclusies.