Zegetocht van Kirov Opera beëindigd met fluisterende finale

Concert: Glinka, Ouverture 'Roeslan en Loedmilla'; Prokofjew, Klassieke symfonie; Sjostakowitsj, Symfonie nr. 13. Door: Kirov Opera-orkest en -koor o.l.v. Valery Gergjev met Sergej Alexasjkin (bas). Gehoord 22/9, Concertgebouw Amsterdam

Met een verstilde strijkersklank beëindigden de Russische dirigent Valery Gergjev en zijn musici van het Kirov-theater in St. Petersburg gisteravond hun zegetocht door Nederland en België. Aan het eind van de tournee speelden zij in het Amsterdamse Concertgebouw de zachte slottonen van Sjostakowitsj' Dertiende symfonie: een paar tonen van de heldere celesta, een motiefje op de harp en één slag op een buisklok, en dat alles ingebed in een geleidelijk wegstervend gefluister van de strijkers.

De Dertiende symfonie van Sjostakowitsj, genoemd naar het beroemde gedicht 'Babi Jar' van Jewgeny Jewtoesjenko over anti-semitisme, is weliswaar een groots werk, maar geen symfonie voor veel uiterlijk vertoon. Daarvoor zijn de emoties die door Jewtoesjenko's teksten worden opgeroepen (elk van de vijf delen is op een gedicht van hem gebaseerd) te beladen. Er zijn wel heftige uithalen, helse climaxen die door Gergjevs orkest met veel geweld over het publiek werden uitgestort. Maar zelfs die zijn in zekere zin introvert, alleen al doordat ze van het ene op het andere moment zijn verdwenen.

De musici van het Kirov Opera-orkest mochten hun virtuositeit vooral voor de pauze uitleven. In de razende Ouverture 'Roeslan en Loedmilla' lieten ze, ondanks de snelheid, horen hoe warm de celli kunnen klinken, hoe lyrisch de violen en hoe helder en genuanceerd de blazers. Prokofjews Klassieke symfonie klonk, zoals het hoort, als een subtiele grap. De componist laat de instrumenten alle voorspelbare loopjes van het klassieke orkest uitvoeren, maar dan in de vergrotende en soms zelfs overtreffende trap. Gergjev leidde het orkest zeer strak, hij stond iets voorover gebogen om de timing, waar in dit werk alles op aankomt, goed in de hand te houden. Het werd een vrolijk spel van kwekkende fagotten, tetterende trompetten, soepele strijkers en vrolijke fluiten.

Het contrast met Sjostakowitsj' werk na de pauze kon nauwelijks groter zijn. De zilverachtige lichtheid maakte plaats voor een loden geluid. De zware, donkere bas Sergej Alexasjkin zong in afwisseling met het sombere mannenkoor de teksten van Jewtoesjenko. Het eerste deel 'Babi Jar', over de moord op 20.000 joden tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd door Gergjev met een grote directheid geïnterpreteerd. Extreme pianissimo's bleven achterwege. Het accent lag op de wrange samenklanken. Ook in de andere delen koos Gergjev telkens voor één ondertoon. Het tweede deel, 'Humor', was briljant; in deel drie, 'In de winkel', klonk alle tederheid door die iemand kan overvallen als hij 'de vrouwen van Rusland' geduldig in een rij voor de winkel ziet wachten. De 'Angsten' van het vierde deel waren onheilspellend introvert.

Het laatste deel leek een soort beginselverklaring van Gergjev, die in een paar jaar is uitgegroeid tot een van de grote 'maëstro's' van deze tijd. Jewtoesjenko spreekt in het gedicht 'Carrière' zijn bewondering uit voor Galilei, die tegen de verdrukking in bij zijn standpunt blijft en juist daardoor een plaats kreeg onder de groten. Gergjev lijkt in zijn interpretaties een voorbeeld te nemen aan Galilei. Waarheid is ook in muziek belangrijker dan uiterlijke schoonheid. Dat maakt hem zo groot.