Voor mij telt nog steeds de vraag van Kaïn

Maar Kaïn zeide tot zijn broeder Abel: (Laten wij het veld ingaan). Toen zij nu in het veld waren, stond Kaïn tegen zijn broeder op en doodde hem. Toen zeide de Here tot Kaïn: Waar is uw broeder Abel? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder? En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem. En nu, vervloekt zijt gij, ver van de bodem, die zijn mond heeft opengesperd om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen. Wanneer gij de aardbodem bewerken zult, zal hij u zijn volle opbrengst niet meer geven; een zwerver en een vluchteling zult gij op de aarde zijn.Genesis 4: 8-12

De broers Rijk, Jos en Evert van Vulpen hebben jarenlang orgels gebouwd, voordat de fakkel werd overgedragen aan de tweede generatie. Over de strijd voor het authentieke orgel en het vakmanschap, de geschiedenis van Kaïn en Abel, het huisorgel van Jelle Zijlstra en de 'cirkelzaag des geloofs'.

UTRECHT, 23 SEPT. Voor de orgelbouwer Rijk van Vulpen was het orgel boven alles muziek. Rijk de Artiest, noemden zijn broers hem, ook al omdat hij zelf orgel speelde. Tegen het geringste reisje zag hij op als een berg en hij kwam dan ook zelden buiten van het statige bedrijfspand in de binnenstad van Utrecht. Daar, op de bovenverdieping, wijdde hij zich aan de klank, aan de zachte metalen pijpen die dank zij een kleine insnede kunnen zingen. Rijk sprak niet veel, bemoeide zich niet met de klanten en evenmin met het andere handwerk in het orgelbouwbedrijf.

Voor zijn iets jongere broer Jos, die eigenlijk Adriaan heet, was de orgelbouw bovenal een ambacht. Jos bemoeide zich overal mee, met het houtsnijden, pijpen maken, timmerwerk en vooral met het ontwerpen van het complete orgel, waarvoor hij met zijn opleiding aan de avondtekenschool goed was toegerust. En Jos verkocht de orgels, sprak met kerkbesturen, met orgelcommissies en met architecten.

Rijk en Jos waren voor ieder de helft eigenaar van het orgelbouwbedrijf, dat zij gezamenlijk waren begonnen en tot bloei hadden gebracht. Op een dag liet een rijkscommissaris voor de orgelbouw zich echter ontvallen, dat Jos recht had op een groter aandeel. Jos verzette immers meer werk dan zijn broer, althans meer werk met een direct economisch nut.

Jos echter was net als zijn broer grootgebracht in een protestants milieu en had zijn les geleerd uit het bijbelboek Genesis. Daarin doodt de landbouwer Kaïn zijn broer Abel de schaapsherder uit afgunst, omdat het opperwezen zijn offer niet en dat van zijn broer wel heeft aanvaard. “Voor mij telt nog steeds Kaïns vraag 'Ben ik mijn broeders hoeder?' en mijn antwoord is: natuurlijk ben ik dat. Nooit heb ik een overwogen mijn aandeel te vergroten, ook al was dat zakelijk misschien onjuist. Het feit dat wij broers zijn, weegt zwaarder dan wat dan ook”, zegt Jos van Vulpen.

Evert van Vulpen, de jongste van de drie broers, knikt instemmend. In de jaren vijftig kwam hij als een manusje-van-alles bij zijn broers werken in loondienst, maar werd nooit firmant. “Het ging goed met twee broers en ik was bang dat met de komst van een derde broer te verstoren. Doordat ik geen mede-eigenaar was, bleef ik onafhankelijk en kon ik tussen mijn broers staan als dat nodig was”, verklaart Evert. Het is een van de zeldzame keren dat hij zelf het woord neemt tijdens het vraaggesprek in het kantoortje bij de werkplaats. Het gesprek laat hij grotendeels over aan de welbespraakte Jos van Vulpen, die niet alleen het woord voert voor Evert maar ook voor Rijk die door ziekte afwezig is.

Ambachtstraat is de toepasselijke naam voor de plek, waar het zeventiende-eeuwse van zwaar gebint voorziene bedrijfspand van Van Vulpen is gevestigd. Dichtbij de oude Janskerk en het beeld van de middeleeuwse geloofsverspreider Willebord, werken 17 mensen aan de bouw van nieuwe en het herstel van oude orgels. “We doen dat op dezelfde manier als in de vijftiende eeuw. Die kunst is gehandhaafd in de klassieke achttiende eeuw, sporadisch nagevolgd in de romantische negentiende eeuw en in de industriële twintigste eeuw bijna verdwenen”, zegt Van Vulpen nadrukkelijk. De broers zijn alledrie in ruste, maar zijn nog vaak te vinden op de werkplaats.

In de tekenkamer - de 'kraamkamer' - hangt aan de muur een tekening van een orgel, dat gedeeltelijk is herbouwd. Het orgel is oorspronkelijk in 1720 gebouwd in Delft, maar staat nu in Hendrik Ido Ambacht. Bij de verhuizing indertijd is net als bij het schilderij De Nachtwacht een stuk van het orgel gezaagd. Van Vulpen: “Met behulp van schilderijen en literatuur hebben we de registers en disposities kunnen reconstrueren.” Op tafel ligt een tekening van een orgel dat geheel nieuw wordt gebouwd voor een kerk in Ouddorp.

De bouw van een orgel vergt enkele jaren, soms zelfs vijf jaar, vooral doordat alles met de hand wordt gemaakt. De kosten voor een nieuw orgel kunnen dan ook oplopen van 200.000 gulden tot ruim een miljoen gulden. De opdrachtgevers zijn katholieke en protestantse kerken in Nederland, Duitsland (onder meer de Dom in Bremen), België, Engeland, Oostenrijk en Scandinavië. Ook in concertzalen moet wel eens een orgel worden gebouwd of gerestaureerd.

Voor particulieren is er het huisorgel, zoals voor de oud-premier en voormalige bankier Jelle Zijlstra die onlangs een orgel bij Van Vulpen kocht: “De man heeft veel liefde voor oude muziek en voor oude orgels, waarvan hij ook veel verstand heeft. Hij speelt bovendien ook heel verdienstelijk.” Het huisorgel mag niet worden verward met het harmonium waarop protestanten in huiselijke kring hun psalmen en - voor de meer verlichten - gezangen plachten te begeleiden. “Het harmonium is de cirkelzaag des geloofs”, klinkt het gekweld.

Met de ontkerkelijking in Europa en het bijzonder Nederland is de markt voor de ongeveer twintig orgelbouwers in Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog teruggelopen. In de hoogtijdagen werkten bij Van Vulpen ongeveer 40 mensen, nu minder dan de helft daarvan. “Het einde van de orgelbouw is vaak voorspeld, maar eerlijk gezegd gaat het nu beter dan tien jaar geleden. De monumentale kerken worden gerestaureerd en er is meer oog voor de kwaliteit van oude, traditionele zaken dan voorheen.”

Pag.15: 'Vader vond het niks, die snotneuzen met een eigen zaak'

De klassieke stijl is af te lezen aan de orgels zelf, die niet meer de zakelijke, rechte vormen hebben. Het orgel voor Ouddorp is gebouwd in een renaissance-stijl en verrijkt met weelderige ornamenten. Het klavier met de koeiebenen toetsen (vroeger ivoor) is omlijst met een inlegwerk van koeiebeen, ebbenhout en palmhout. Als alle orgels van Van Vulpen is het geheel van eikenhout.

De geschiedenis van de kleine orgelfabriek is begonnen in 1934, toevallig ook in de Ambachtstraat. Daar in een kerkje bespeelde de toen 12-jarige Rijk van Vulpen een klein orgel en vatte een grote liefde op voor het monumentale instrument. Zijn drie jaar jongere broer Jos, die eigenlijk Adriaan heet, en hij besloten toen samen om zelf een orgel te bouwen. “We namen het kerkorgel als voorbeeld en bestudeerden het, net als veel Duitse en Nederlandse literatuur en ook andere orgels”, vertelt Van Vulpen.

Her en der werden oude pijpen opgekocht en het lichaam werd gemaakt van grenenhout dat in een eikenhouten motief werd geschilderd door een oude schilder. Van Vulpen; “Mijn vader was loodgieter en smid, van mijn moeders kant waren het allemaal schrijnwerkers. Het ambacht was dus bij mij ingebakken.”

Toen het orgel klaar was, toonde de van rijkswege ingestelde orgelcommissie zich enthousiast en vond uiteindelijk een koper: een kerkje in Willemsoord. “In de dagen dat wij het orgel daar inbouwden zongen wij bij de predikant thuis voor het ontbijt gezangen aan het harmonium. In de wc hing de dominee een gedicht over de twee broers met hun orgel”, herinnert Van Vulpen zich.

De orgelbouwfirma werd in 1940 formeel opgericht met een beetje kapitaal van vader. “Die vond het niks, die snotneuzen met een eigen zaak, vooral omdat hij gehoopt had dat wij zijn zaak zouden overnemen”, zegt Van Vulpen. In de oorlog hielden de broers zich onder meer in leven met het repareren van harmoniums. Pas na de oorlog kwam de bloei, vooral toen de watersnoodramp van 1953 in Zeeland talloze kerken vernietigde. Van Vulpen: “Kerkbesturen konden voor een orgel geld krijgen uit het nationale rampenfonds, maar niet als de restauratie werd gedaan door een dorpstimmerman en een aannemer. Een goede architect was een vereiste, net als een vakkundige orgelbouwer.”

Toen de broers Van Vulpen begonnen was er geen belangstelling voor de mechanische orgels, die als ouderwets werden gezien. De heersende mode was pneumatisch (op luchtdruk) of elektronisch, reden waarom Rijk en Jos van Vulpen niet ergens in de leer wilden. Van Vulpen: “Bij een pneumatisch orgel hoor je een soort plop, terwijl een elektronisch orgel in een keer doorschiet. De organist heeft zo op zijn klavier geen contact met de toon, zoals op een mechanisch orgel. Het waren orgels als een plastic viool: goedkoop hout in eiken geschilderd, zinken pijpen uit een fabriek met zilverbrons bedekt.”

De ware pijpen zijn gemaakt van een legering van lood en tin. In een grote kamer liggen deze pijpen opgestapeld in rekken, te wachten op het 'intonen'. Nu 'slapen' ze nog; ze geven geen geluid. Op een grote tafel snijden enkele medewerkers in een pijp 'mondje', een inkeping die de lucht zodanig vervormd dat er een toon ontstaat. Een medewerker blaast met een apparaat lucht door een 'opgesneden' pijp. Van Vulpen luistert en constateert: “Klinkt te hard en agressief, te schetterig. De toon moet ronder, spreekt nog niet direct.” De medewerker vervormt in het 'bekje' de onder- en de bovenlip en luistert weer.

Het lood en het tin worden op de begane grond gesmolten, vermengd, verrijkt met een geheime toevoeging en uitgewalst tot platen. De platen worden bijgesneden en opgerold tot pijpen, die van onder iets breder zijn dan van boven. De grootste pijpen - die 16 voet of 5 meter kunnen zijn - worden gemaakt van hout, omdat het zachte metaal de neiging heeft in te zakken.

De grootste pijpen behoren tot de groep die vooraan het orgel - met 54 of 56 tonen - staan en daarom is getooid met de naam prestante. Deze pijpen zijn van boven open en hebben vaak meervoudige of vulstemmen. Daarnaast zijn er fluiten, in sommige gevallen konisch of cilindrisch. Deze kunnen gesloten zijn of ook 'halfgedekt', met een beweegbare dop van papier of leer. De vulstemmen zijn onder meer een cornet. Tenslotte zijn er tongstemmen, waarbij een klepeltje trilt in een schuitje van koper, als een tong in een koperen keel. De stemmen zijn altijd enkelvoudig en kunnen bijvoorbeeld een bazuin zijn, of een hobo, een trompet, een schalmei of een vox humana, een menselijke stem.

De pijpen worden geplaatst op een houten voet met gaatjes, die met een beweegbare 'sleeplade' worden geopend of afgesloten voor de luchtstroom. De lucht komt uit een blaasbalg, die als enige elektrisch wordt aangedreven. “Heel vroeger werden de balgen aangetrapt en dat ging dan mooi op en neer, als het in- en uitademen van een mens”, zegt Van Vulpen.

Toen Rijk en Jos van Vulpen begonnen met hun ambachtelijke handwerk, genoten ze bij hun herschepping van het klassieke orgel steun van een vermogende arts. “Tijdens een vergadering van kerkbestuur, waar werd gesproken over de soorten orgels, verscheen hij in begrafenispak. Hij zei de aanwezigen dat hij was gekomen om het pneumatische en elektronische orgel ten grave te dragen. Sommigen lachten, maar de meesten werden boos”, vertelt Van Vulpen.

Het tekent de wat moeizame verhouding van Jos van Vulpen met de kerk, die hij alleen nog bezoekt voor bestuursvergaderingen over orgels: “Rijk en ik zijn niet kerkelijk meer, we zijn daarvoor te individualistisch. Het religieuze gevoel is er wel, maar er zijn ook bezwaren tegen het geloof. Mijn jongste broer, die gaat nog wel trouw.” En voor de laatste maal knikt Evert van Vulpen instemmend.