Vluchten is spelevaren; Latijns-Amerikaanse kunst in Aken

Latijns-Amerika biedt allang geen kunstwerken meer vol exotisme en mystiek. Op de Biennale van Havana, die nu in de Duitse stad Aken is te zien, onderscheiden de meeste werken zich nauwelijks van westerse kunst. “Ware het niet dat engagement voor menig Latijns-Amerikaanse kunstenaar geen filosofische strijdvraag is, maar een vanzelfsprekendheid.”

Ludwig Forum, Jüdlicher Strasse 97, Aken. T/m 10 dec. Di t/m zo 11-19u, do. 11-22 uur. Catalogus DM 60,-.

Als de stad Aken een graadmeter is van de Westerse solidariteit met de Derde Wereld, dan is het einde van die hooghartige, mondiale hiërarchie nabij, dan komt er toch nog iets van de intercontinentale verbroedering terecht. Even leek het er afgelopen zondag op. In groten getale trok de Akense bevolking naar het Ludwig Forum für Internationale Kunst, een museumfiliaal van de Duitse chocoladefabrikant en collectioneur Peter Ludwig, dat nu in het teken staat van kunst uit de Derde Wereld.

Eerst werd er buiten en in de foyer muziek én dans én koopwaar geboden. Fluitgeluiden uit de Andes kregen een stampvoetend onthaal, een Duitse band beukte woest op Afrikaanse trommels en kinderen zagen op de uitgestrekte vloeren van de gerenoveerde paraplu-fabriek hun kans schoon, hollend en vliegend, arm in arm, exotische volksdansjes te imiteren. Handelaren in Nepal-thee en Cuba-honing deden goede zaken. En vanonder de luifel stegen de geuren op van geroosterde maiskolven, voor de gelegenheid toegedekt met overzeese kruiden.

Maar achterin het gebouw lieten diezelfde bezoekers het volstrekt afweten. Hier was ook niets te eten, niets te koop, terwijl de muzikale heksenketel juist was opgezet om dat wat zich op deze plek afspeelde, aan te prijzen: De Vijfde Biennale van Havana, die ditmaal is uitgeweken naar Europa. Het Centro Wilfredo Lam in Havana, de initiator van deze biënnale, en het Ludwig Forum selecteerden 89 kunstenaars uit 26 landen, in totaal 190 kunstwerken.

De aandacht voor de Zuidamerikaanse beeldende kunst heeft mede door de vorige afleveringen van deze biënnale in Amerika en Europa een stimulans gekregen. Wim Beeren organiseerde in 1989 in het Stedelijk Museum UABC (Uruguay, Argentinië, Brazilië, Chili) en de kunsthandel boorde een nieuwe markt aan. Maar wat in 1984 in Havana was begonnen als een tegenwicht voor de veramerikaniseerde kunstwereld, als een opwaardering van tradities en nationale identiteit, die de koloniale cultuur teniet zou hebben gedaan, ontaardde in een bazar. Honderden inzendingen, van huisvlijt tot 'high art', moesten een plekje krijgen.

Dat is voorbij. De bazar kent nu een westers tentoonstellingsconcept, het aantal deelnemers en kunstwerken is binnen de perken gehouden, de duitstalige catalogus, met essays en biografieën, oogt professioneel en de huisvlijt is thuis gebleven. Dat laatste is eigenlijk jammer, want groepstentoonstellingen als deze beloven bij voorbaat verrassingen tussen de folklore, en die hebben westerse musea met hun risicoloze vertoon van merknamen zelden meer in petto. Bovendien zou deze biënnale wel eens een opstapje kunnen zijn naar de tiende Documenta, in 1997 in Kassel, aangezien de Franse directeur Catherine David een voorliefde heeft voor Latijns-Amerika en dat niet onder stoelen of banken zal steken.

Armada

Direct bij binnenkomst dient de actualiteit zich aan. Op de grond ligt een armada van honderden speelgoedbootjes, houten sloepen, die tezamen een groot schip vormen. In de zandkleuren van dor en droog hout ziet de vloot er beeldschoon uit. Kinderspel lijkt het, om van het Cubaanse strand, laverend tussen haaien, naar de kust van Florida te drijven. Vluchten is spelevaren.

Maar tussen al dat hout ligt ook veel zinkklare ellende, van bundeltjes touw en ouwe gympen tot een afwasrek en een theezeef. Op alles wat drijven kan, zelfs op dat wat het nalaat, zijn mijn landgenoten bereid te vertrekken, lijkt de Cubaanse kunstenaar Alexis Leyva ons mee te delen. Hij klaagt ons niet aan; hij legt de toeschouwer alleen de vraag voor hoe het voelt om op zo'n miezerige schoenzool windkracht acht te trotseren.

Een nabije collega laat het esthetische genoegen van verweerd hout achterwege. Hij monteerde in een autoband video-opnamen van een onrustige zee. We kunnen, met onze neus bovenop die band als lotgenoot even meedeinen, totdat er een bootje, niet groter dan een teil, in zicht komt. Er dobbert iemand in die blijkbaar iets uit het water oppikt. Minutenlang is hij in de weer met een touw, een vis misschien. En dan verdwijnt hij geruisloos uit beeld, hij glijdt als het ware onder de autoband vandaan. Wat dat betekent in de Golf van Mexico laat zich goed raden.

Gelukkig komt de politieke actualiteit van Cuba niet voortdurend aan de orde. Of moeten we ook het werk van Marcos Lora Read uit de Dominicaanse Republiek daartoe rekenen, die vijf enorme, krakkemigge sloepen verticaal tegen de wand hing als een cynisch, maar indrukwekkend eerbetoon aan Columbus?

De meeste andere deelnemers laten de actualiteit rusten, en houden zich bezig met ethische en politieke vraagstukken die niet van vandaag of gisteren zijn, zoals het milieu, de kerk, de held Che Guevara, aids en de dood. Dat gebeurt - enkele uitzonderingen daargelaten - zonder veel pathos, ingehouden bijna. Veel lering is blijkbaar getrokken uit de gangbare conceptuele kunstopvattingen van het Westen, terwijl je juist uit het Latijns-Amerikaanse continent twee-, driedimensionale beelden vol exotisme en mystiek verwacht, met in het achterhoofd de geuren en kleuren uit de heftige drama's van Gabriel Garcia Márquez.

Die verwachting komt voort uit een neo-kolonialistisch fabeltje, zeiden de deskundigen al ten tijde van de tentoonstelling UABC (1989). Latijns-Amerika is veel meer verwant met Europa dan Europa beseft. Maar het moest het deze eeuw wel zonder de avant-gardes stellen die aan deze kant van de wereld de toon zetten. Verder was de stilistische veelzijdigheid net zo groot als in het Westen, en dat sommige kunstenaars uit het verleden putten, uit de indianencultuur bijvoorbeeld, was evenmin uitgesproken kenmerkend voor dit continent, want dat gebeurt elders ook.

Regenwoud

De Argentijn Nicolás Garcia Uriburo schilderde een acht meter breed regenwoud, waartussen zich sensueel de Amazone wentelt. Hij noteerde het geboomte van kruin tot kruin, zodat zijn linnen een overweldigende hoeveelheid bladgroen torst. Mooi, zou men zeggen, zo'n ode aan het woud, en zo lijkt het ook op het eerste gezicht, totdat de roestige cirkelzagen opvallen, die zich om de twee meter een weg banen tussen het linnen. Ze reduceren de zee van bladgroen tot parkjes.

Een mooie serie van vier forse schilderijen, De geesten van de vier winden, koos Leonel González uit Costa Rica. Tegen een wisselend decor zweven op besmuikt linnen steeds vier figuren met het steeds identieke hoofd van een icoonachtige apostel en een leeg lichaam, omdat alleen de contouren in variërende kleuren zijn neergezet. De geesten waken over een vurige zonsondergang, over een zeventiende-eeuws aandoend Hollands stilleven, over een dorpje in zwarte verf, dat Van Gogh getekend kan hebben; Landen van melk en honing, zoals een begeleidende tekst meldt. González weet loodzware begrippen als traditie en vernieuwing, kunst en folklore zomaar vederlicht te schilderen, alsof zijn geesten altijd al rondzwierven, maar zich tot nu toe liever niet openbaarden.

Naar verhouding is er weinig schilderkunst op deze biënnale. Het accent ligt op installaties, op fotografie ook, en behalve 'de autoband' is er geen spoor van video of andere elektronica; geld is in deze landen voor velen zeldzamer. Hoewel ook kunstenaars uit Afrika deelnemen, maken de Zuidamerikanen in kwantiteit en kwaliteit de dienst uit.

Het feit dat menigeen elders leeft dan in zijn of haar geboorteland verklaart ook waarom de meeste werken zich nauwelijks onderscheiden van wat in het Westen wordt gemaakt, ware het niet dat engagement voor menig Latijns-Amerikaanse kunstenaar geen filosofische strijdvraag is, maar een vanzelfsprekendheid. Dat engagement is soms van een lijfelijke nabijheid en dat kan snel een averechts en wansmakelijk effect opleveren als de kunstenaar zijn persoonlijke en/of universele probleem er in wil rammen. Grote, dramatische gebaren zijn zelden overtuigend, meestal potsierlijk.

Toch weet de Colombiaan Fernando Aris Gaviria de angst voor de ziekte aids groots en aangrijpend te verbeelden. In een bijna duistere, ijselijk-blauw verlichte zaal ligt midden op een kamerbrede verhoging, als een gekruisigde, de levensgrote foto van een naakte man. Een anonieme figuur, maar dat doet niet ter zake, want het gehele plateau van dit mortuarium is 'betegeld' met duizenden, langwerpige stukjes glas, waarop steeds wat bloed is uitgestreken, zoals in laboratoria voor miscroscopisch onderzoek gebruikelijk is. Sommige geometrische delen hebben in de loop van de tijd een gele of bruine tint gekregen, en dat zorgt ervoor dat deze 'mozaiek' er niet onberispelijk en klinisch uitziet. Elk glasplaatje staat ineens voor een dode, en dat is een griezelige gewaarwording.

Aangrijpend ook is de installatie Tot de dood ons scheidt van Anaida Hernández uit Puerto Rico, een land waar echtelijke ruzies blijkbaar vaak worden beslecht met de dood van de vrouw. Onderaan een metersbrede zwarte wand schreef ze met witte letters de namen van honderd vermoorde vrouwen, hun geboorte- en sterfjaar. Elk van hen kreeg daarboven een vierkante nis, als een plekje op een Zuidamerikaanse begraafplaats die er ook hier ongewoon levenslustig uitziet. Met veel kleur is op die nissen een vluchtige herinnering - een mond, een oog, een bloem of een kaars geschilderd - misschien wel het enige dat rest.

En dat de dood zich zo kan verstoppen dat je er in eerste instantie blij onder door loopt, lukte de Mexicaanse Yolanda Gutiérrez met haar metersbreed uitwaaierende mobiel van witte vogels, zo'n figuurzaag-produkt dat bungelend aan dunne draadjes en zacht wiegend op de tocht, voor vermaak zorgt in de kinderkamer. In Aken wiegen ze ook, maar dan zijn ze wèl samengesteld uit de kaakbotten van runderen, zodat de vleugels uitlopen in een rij flinke kiezen. De vogels markeren zowel het begin als het eind van leven, vindt Gutiérrez. Ik houd het op het einde.

Vrouweborsten

Nu kan de indruk ontstaan dat deze biennale samenhangt van ingehouden schoonheid en keurig uitgewerkte concepten. Dat is maar ten dele het geval. Want als Jezus boos op ons is, wat me mogen afleiden uit de titel van een naderende Nederlandse tentoonstelling van eigentijdse beeldende kunst - een constatering die gezien het grenzeloze menselijk falen ook zeer aannemelijk is - dan zou hij hier af en toe juist door de spot, het cynisme en de lelijkheid van aan hem gewijd werk door dolle heen raken. Want zowel zijn persoon als de katholieke kerk krijgen het er flink van langs. Zijn kruisiging wordt te pas en te onpas ontheiligd en in de zalen van zijn afgezant in Rome duiken tussen renaissancistische schilderingen elk moment twintigste-eeuwse vrouweborsten en -dijen op, zoals bij de collages van de Argentijn León Ferrari. Er balanceren fabrieksschoorsteentjes met rookpluimen op de gespreide armen van zijn levensgrote, gekwelde beeltenis. Hij lacht zich in een neon-aureool te pletter over de puinhoop die nabestaanden op Golgotha aanrichten, zoals op het nagebouwde altaar van Nelson Garrido uit Venezuela, die dood en verderf, de seksuele fantasieën en perversies van Maria, de bloedige geboorte van het Christuskind als een middeleeuwse kermis met een twintigste-eeuwse foto-collage techniek heeft vormgegeven. In een geconstrueerde bidkapel daarachter, is ook nog een hoerig biechthok ingericht met talloze fotootjes uit sado-masochistische sferen, en met schimmige kijkkastjes, die, of de deskundigen het nou willen of niet, grotesk en typisch Marquéziaans aandoen.

Maar deze baldadigheid is hier, zoals gezegd, toch eerder uitzondering dan regel en draagt alleen maar bij aan het avontuur van zo'n biënnale. Een nadeel blijft dat van de meeste kunstenaars maar één of twee werken aan bod komen. Dolgraag zou ik meer willen zien van Rodrigo Facundo uit Colombia, die in een lemen reliëf kleine nisjes aanbracht, opgevuld met wazige paraffine. Daarachter schemeren de piepkleine foto's van willekeurige mensen, geknipt uit tijdschriften en opgevoerd als slachtoffers van geweld, waar in dit werelddeel nooit gebrek aan is. En wat te denken van de Argentijnse Mónica Girón, die een cadeau breidde voor een conquistador dat alleen maar uit vogelkleren bestaat, uit schaapswollen pakjes met vleugels, uit schaapswollen kousen in de vorm van ooievaarstelten?

Wat me vooral zal bijblijven is het in behaaglijk sepia verzonken fotowerk van Luis González Palma uit Guatamala. Hij was ook de enige die royaler aan bod kwam. Geënsceneerde portretten op groot formaat van vrouwen, mannen en kinderen met een Indiaans verleden dat diep in hen geworteld lijkt, met ogen als laserstralen, met echte vogelvleugels aan hun hoofd of schouders, alsof ze allang niet meer van deze prozaische wereld zijn, met verwelkte rozen of een schedel in het haar, en met een geheim dat geen enkele westerling hen kan ontfutselen.