Verliefdheidspoëzie

Jan Hanlo beklaagde zich er tegenover mij over dat bijna alle liefdesgedichten door mannen over vrouwen zijn geschreven. Hijzelf was nu juist niet zozeer in vrouwen of meisjes als wel in jongens geïnteresseerd, jongens op een zeer jeugdige leeftijd, kinderen eigenlijk nog maar. Het was hem in zijn voorkeur niet te doen om seks (het meest misbruikte woord van onze eeuw), waarop voor hem, wat jongens betrof, een taboe rustte, maar om erotiek. Onder erotiek verstond Jan Hanlo een toelaatbare vorm van bewondering en verering die zich niet op een exclusief fysieke manier uitte (een enkele handoplegging buiten beschouwing gelaten), maar die in samenzijn, uitgaan, tracteren, kortom in het bedenken van leuke of aardige dingen werd beleefd. Noodgedwongen kwamen bij Jan Hanlo de vooral speelse kwaliteiten van het geslachtelijk verkeer aan bod, verschijnselen die wij als een gepassioneerde vorm van gezelligheid kunnen beschouwen en waarover weliswaar altijd met waardering of zelfs innigheid wordt gesproken, maar die niet tot het grote eigenlijke liefdeswerk worden gerekend. In de poëzie van Jan Hanlo zal men dan ook vergeefs zoeken naar het hooggestemde woordvertoon waarmee vanouds liefdesbetuigingen gaan gepaard. Zijn spaarzame liefdesgedichten, misschien niet meer dan twee, bestaan uit hartveroverend gestamel dat zich in elk opzicht, dus ook taalkundig, in een geraffineerd voorstadium bevindt.

Nu is gestamel in de taal der liefde allerminst ongebruikelijk, juist niet wanneer beminden zich aan het grote werk wijden. De liefde is een verkinderlijking waardoor wij in staat zijn ons van alle bedachtzame overwegingen en beperkingen te ontdoen, teneinde ons over te geven aan het blinde ogenblik waarin de tijd, de tijdelijkheid lijkt overwonnen. Maar bestaat er wel zoiets als liefde? Houden wij van de mensen van wie wij houden? vroeg Henri de Montherlant zich af aan het eind van een lang leven dat voor een niet gering deel aan nasporingen op het gebied van de amoureuze betrekkingen was besteed. Er is alle reden ons dat af te vragen. Liefde is minder een gevoel dan wel een 'syndroom', waarin ook de grootste tegenstrijdigheden schuil gaan. Een belangrijk deel van de liefdespoëzie, vooral die uit vroegere eeuwen of tijden, is dan ook eerder verliefdheidspoëzie. De minnaar verlangt, hoopt, verwacht, vreest, ziet reikhalzend uit, maar hoe dan ook, er is bijna altijd sprake van een scheiding, een mate van onbereikbaarheid of onvervuldheid, al is het slechts voor een dag, een uur, om de dringende woorden, de beeldrijke taal te doen vloeien. Misschien is dat nog altijd het geval voor wat men liefdespoëzie 'in engere zin' zou kunnen noemen. Toch is in onze 'post-romantische' eeuw ook de liefdespoëzie meegeëmancipeerd, niet slechts doordat vrouwen in grotere getale dan vroeger over aanbeden soortgenoten schrijven, maar vooral ook doordat uitgebreidere aspecten van het liefdesleven worden bezongen. Vroeger raakte een vrouw, wanneer de dichter met haar was getrouwd of een vergelijkbare verbintenis had aangegaan, vrijwel geruisloos hors concours. Ik herinner mij dat ik, langgeleden, mevrouw Greshoff breiend in de huiskamer van haar zuster aantrof, kort nadat ik in een gedicht van haar man de volgende versregel had gelezen: 'Zij is zo pienter en ze omhelst zo heerlijk'. Zou dat wel waar zijn? dacht ik onwillekeurig, toen ik haar zag. De confrontatie met de werkelijkheid leidt alras, in welk opzicht ook, tot twijfel en ongeloofwaardigheid. Günter Grass heeft het, ruim veertig of vijftig jaar na Greshoff, gewaagd een minder stellig maar daarom ook plausibeler gedicht van maar liefst 37 versregels te schrijven over zijn huwelijk met de Zwitserse danseres Anna Schwarz, van wie hij nu al weer twintig jaar gescheiden is. Philip Larkin schreef ooit een gedicht over 'praten in bed' en hoe pijnlijk of problematisch dat kan zijn in een verhouding die maar voortduurt.

In dergelijke gedichten is de tijd niet zozeer overwonnen als wel verbloemd of geïntegreerd, ten goede of ten kwade, of in beide opzichten. Zijn de gedichten van Grass en Larkin nu ook liefdesgedichten? Jazeker, misschien zelfs meer dan de dithyrambische uitingen die als zodanig te boek staan. Het gaat in de liefde niet om definities of declamaties maar om verkenningen en beproevingen. De liefde is een groot allermenselijkst vaderland dat onze planeet lichtzinnig omspant en ons, ongeacht onze afkomst, taal of zelfs leeftijd, gelukzalig en wanhopig aan elkaar verwant maakt.