Vegende werklozen horen in een markteconomie niet thuis

Oplossingen voor het werkloosheidsvraagstuk worden tegenwoordig alleen serieus genomen als het Centraal Planbureau kan uitrekenen hoeveel banen ze opleveren. Omdat de effecten van echt hervormend beleid met het CPB-model niet te kwantificeren zijn, blijft de belangrijkste categorie oplossingen buiten beeld. De huidige opeenstapeling van kleine stapjes en uitgestelde keuzes levert na verloop van tijd weliswaar net zo'n duidelijk resultaat op, maar het proces van besluitvorming verloopt onopvallender, de keuzes zijn implicieter en de uitkomst is moeilijker te voorspellen. Dit impliciete keuzeproces is op het ogenblik in volle gang en te belangrijk om impliciet te laten.

De eerste onopvallende keuze is al gemaakt door het vorige kabinet en wordt krachtig onderstreept in het nieuwe regeerakkoord. Het is een aanpak van de werkloosheid waarbij met behulp van Sociale Werkvoorziening, Banenpools en het Jeugdwerkgarantieplan een groeiend deel van de laaggeschoolde beroepsbevolking in de collectieve sector wordt ondergebracht. Op het ogenblik zitten er 47.000 mensen in het JWG en de Banenpools en 84.000 in de Sociale Werkvoorziening.

Blijkens de Miljoenennota wil het kabinet dat aantal uitbreiden met 40.000 additionele banen in de zorgsector en 10.000 à 20.000 in het JWG. Daarmee zal het aantal laaggeschoolde werklozen dat in de collectieve sector wordt ondergebracht deze kabinetsperiode in de buurt van de 200.000 komen. Dat is bijvoorbeeld al twee keer zoveel als het aantal rijksambtenaren dat bij de ministeries werkt. De uitstroom is laag: slechts 18 procent van de JWG-ers en 2 procent van de Banenpoolers vindt na verloop van tijd regulier werk.

Het werk in de collectieve sector moet voldoen aan de eis van 'additionaliteit', wat wil zeggen dat het geen regulier werk mag verdringen. Welke vormen dit aan de kleurrijke fantasie van het ambtelijke brein ontsproten additionele werk kan aannemen, blijkt bijvoorbeeld uit het zogeheten 'additionele vegen' dat in veel gemeenten standaardpraktijk is. De gewone gemeentelijke veegploeg veegt de straat precies tot de stoeprand of tot een denkbeeldige markering, waarna een additionele veegploeg van Banenpoolers de stoep of wat daarvoor doorgaat mag doen. De reguliere veegploeg houdt de demarcatielijn scherp in het oog en verdedigt haar desnoods met geweld, uit vrees voor verdringing door de Banenpoolers.

Elk jaar worden op deze manier duizenden nieuwe werklozen creatief aan werk geholpen. Opvallend is ook dat steeds hoger opgeleide werklozen, zoals afgestudeerde academici, via Banenpools buiten de marksector om te werk worden gesteld. Twintig procent van de Banenpoolers hoort tot de hoger opgeleiden.

Het bedenkelijke van deze ontwikkeling is dat de vergoeding voor het werk volledig los staat van de geleverde prestatie. Door de afwezigheid van een prijssignaal is nauwelijks te peilen of en in hoeverre het werk in een behoefte voorziet. Bij groeiende werkloosheid ontstaat op die manier een sluipende collectivering van arbeid. De bijbehorende risico's van bureaucratisering, inefficiency en welvaartsverlies zijn bekend uit de socialistische planeconomie. Als dat niet de bedoeling is zal de overheid een andere oplossing moeten zoeken, of ten minste een prijssignaal inbouwen.

De tweede keuze die sluipenderwijs wordt gemaakt is de stapsgewijze verlaging van het wettelijk minimumloon. Op het ogenblik is het aantal minimumloners (140.000) niet zo erg groot, maar met het aangekondigde einde van de algemeen verbindend verklaring van CAO's zullen het er ongetwijfeld veel meer worden.

De relatieve verlaging van het minimumloon is inmiddels twaalf jaar gaande en wordt door het nieuwe kabinet voortgezet. Dit gebeurt onder verwijzing naar de VS, waar de lonen voor laaggeschoold werk veel lager zijn en de werkloosheid ook. Nu zijn er maar weinig mensen die het verband tussen loonhoogte en werkloosheid zullen betwisten, maar er zijn andere manieren om de lonen voor laaggeschoolden te verlagen dan hun inkomen steeds verder bij het algemene peil te laten achterblijven. Te denken valt aan loonkostensubsidies.

Bijna de helft van het minimumloonbestand is jonger dan 23 jaar. Jongeren krijgen een percentage van het wettelijk minimumloon dat varieert van 30 tot 85 procent, afhankelijk van de leeftijd. Ten minste drie achtereenvolgende onderzoeken naar de hoogte van het minimumloon, waaronder ook een van het ministerie van sociale zaken zelf, concluderen dat het Nederlandse minimumloon in de Westeuropese middenklasse zit en dat het minimumjeugdloon zelfs het laagste van de Europese Unie is. Voor zover de hoogte van het minimumloon dus een barrière is voor de werkgelegenheid van laaggeschoolden - en de concentratie van werkloosheid wijst daar wel op - kan dat dus onmogelijk liggen aan concurrentie binnen West-Europa, maar hooguit aan concurrentie met machines of met lage-lonenlanden.

Achter de aanhoudend relatieve verlaging van het minimumloon schuilt een grote onrechtvaardigheid: de levensstandaard van deze groep werknemers wordt stukje bij beetje verlaagd tot een niveau dat misschien wel concurrend is met andere delen van de wereld, maar waarvan in een hoogontwikkelde westerse samenleving niet rond te komen valt. Hetzelfde geldt voor de hoogte van de sociale uitkeringen.

Deze aanpak leidt misschien wel tot meer werk maar maakt, als hij consequent wordt doorgevoerd, ook een einde aan een van de karakteristieken van de sociale markteconomie, namelijk dat er geen zichtbare armoede is. Voor degenen die voortdurend verwijzen naar de lage werkloosheid als gevolg van loonflexibiliteit in de VS is het misschien interessant te weten dat de inkomensongelijkheid daar de afgelopen twintig jaar sterker is toegenomen dan in enig ander westers land. Amerika maakt zich inmiddels grote zorgen om haar 'working poor' en de gerenommeerde American Economic Association wijdde onlangs zelfs een groot deel van haar jaarlijkse congres aan allerlei varianten van loonkostensubsidies en inkomenstoeslagen die een verdere verpaupering van de laaggeschoolde beroepsbevolking moeten tegengaan.

Ook de impliciete keuzes en uitgestelde beslissingen bij de aanpak van de werkloosheid kunnen op den duur dus grote gevolgen hebben. Voor zover het niet mogelijk is voor een coalitieregering om een krachtige en eenduidige koers uit te zetten (en daar lijkt het op) zou er veel gewonnen zijn als de overheid een aantal hoofdcriteria zou opstellen waaraan alledaagse kleine beslissinkjes moeten voldoen. Op zo'n manier wordt in ieder geval in een expliciet gekozen richting gewerkt. Dat verkleint het risico dat we ongemerkt afdrijven in een richting die we achteraf misschien onwenselijk vinden maar die moeilijk omkeerbaar is.