Tanige blauwe viooltjes; Tekstmontages van Peter Yvon de Vries

Peter Yvon de Vries: Oesters en orakels. Uitg. Querido, 224 blz. Prijs ƒ 39,90

Het bundelen van eerder gepubliceerde (krante-)artikelen kan een verrassing inhouden. De auteur kan door selectie, rangschikking of bewerking van het bestaande materiaal alsnog een structuur aanbrengen die zijn zienswijze verheldert. Op zichzelf staande teksten kunnen een onvermoede eenheid vormen. Voor de verschijning van de bundel Oesters en orakels had ik nooit iets van Peter Yvon de Vries gelezen, dus van zijn eventuele tekstmanipulaties heb ik geen weet.

De bundel is samengesteld uit kunstrecensies, die eerder in Het Parool, De Tijd en HP/De Tijd verschenen, reisverslagen, reportages, brieven en dagboeknotities. Een groot deel van de door De Vries behandelde onderwerpen werden ooit gedecreteerd door de (tentoonstellings-)actualiteit. Hij schrijft over dichters als Wiel Kusters en Marc Reugebrink en beeldend kunstenaars als Boucher, Gustave Moreau, Otto Dix, Egon Schiele, Gabrielle Münter, Beuys, Clemente, Carel Visser of Pieter Laurens Mol. Soms trekt hij zijn floret naar aanleiding van een uitspraak van een collega-schrijver. Boosaardig is hij overigens niet; zijn aanvallen hebben de hevigheid van een speldeprik. Zijn vervaarlijkste scheldwoord is 'izegrim'.

De Vries heeft op zijn heterogene, ruwe materiaal zichtbaar de montagetechniek toegepast. Een kunstenaars-signalement gaat over in een dagboeknotitie, een tentoonstellingsbespreking in een persoonlijke, literair getinte ontboezeming, een reisverhaal in een kunstbeschouwing. Het lijkt alsof de montage moet benadrukken dat De Vries beeldende kunst, literatuur en het leven als een eenheid opvat.

Zijn tekstmontage blinkt echter niet altijd uit door evenwichtigheid. De kunstbeschouwingen van de 'eigenzinnige essayist', zoals de achterflap van de bundel vermeldt, bestaan soms voor driekwart uit opsommingen van biografische gegevens en citaten van anderen; het persoonlijke, kunstbeschouwelijke deel kan zich tot enkele alinea's beperken. Een uitgesproken visie op de kunst komt er niet uit naar voren, ook al komt De Vries tot tal van aardig geformuleerde, losse observaties. Zo noemt hij de Amerikaanse beeldend kunstenaar Ellsworth Kelly 'een instelling voor dakloze vormen' en 'een liefdevolle hoeder van veronachtzaamde vlakken'. Bij Bruce Nauman, eveneens een Amerikaan, valt hem in dat diens centrale thema 'de vermetele liefde (-) van een cirkel voor een vierkant' is.

Een deel van Oesters en orakels is gewijd aan 'Taal en beeld'. Dit deel omvat zowel boekbesprekingen als polemische aanzetten die hun doel soms volledig voorbijschieten. De Vries meldt bijvoorbeeld zich 'groen en geel te ergeren' aan de 'annexatiedrift' van onder anderen Kees Fens. Fens schreef in zijn literaire column in De Volkskrant dat het hem een genot leek om te kunnen tekenen, maar dat er helaas 'geen leven' in een door hem neergezette lijn zit. 'Het is gewoon een lijn van A naar B. Hij verraadt geen handschrift', aldus Fens.

De Vries grijpt Fens' verlangen om mooi te kunnen tekenen aan om hem eens flink de oren te wassen. Fens zou hiermee namelijk een groot aantal moderne tekenaars 'zonder handschrift' zoals J.J. Schoonhoven, Hanne Darboven, Frank Stella, Cy Twombly en nog een paar anderen naar de 'prullemand' verwijzen. De Vries heeft zijn voorbeelden slecht gekozen. Het 'handschrift' van Hanne Darboven is weliswaar vrijwel tot een samenstelsel van verbindingslijnen gereduceerd, maar dat van Cy Twombly is wel degelijk als zodanig herkenbaar.

De Vries verwijst in zijn kunstbeschouwingen steeds naar de literatuur. De citaten die hij kiest, zijn vaak mooi. Een enkele keer meende ik een bepaald citaat al eerder in een catalogus te hebben gelezen maar dat kan op toeval berusten. Met het veelvuldig citeren van schrijvers demonstreert Peter Yvon de Vries zijn belezenheid. Dit ijdel vertoon belemmert, naar mijn mening, het zicht op de achtenswaardige poging van de schrijver om onverwachte kruisbestuivingen tussen leven en kunst tot stand te brengen. Het citeren brengt bovendien een hoeveelheid name dropping met zich mee die niet van de lucht is - jammer dat er geen naamsregister in de bundel is opgenomen.

Een ander aspect van een bundel dat tenslotte niet onvermeld mag blijven, is het bindmiddel stijl. In Oesters en orakels wordt de stijl gekenmerkt door de hang van de schrijver naar dichterlijke metaforen waarin hij niet altijd excelleert. Zijn metaforen zijn vaak gekunsteld of ronduit onnavolgbaar. Zo ontdekt de Vries in de Haute-Savoie, op weg naar de door hem bewonderde schrijver en kunstcriticus John Berger, 'wilde blauwe viooltjes' die 'gedrongen en tanig' zijn 'net als de bevolking'. Daaraan voegt hij toe: 'Overigens heb ik tot nu toe nog geen mens gezien, iedereen zit binnen'. Op de terugweg ziet De Vries 'alpen-anemoontjes' die 'bleekblauw als Bergers ogen' zijn en herkent hij de 'kreukels' in Bergers gezicht in 'de wirwar van de grassprietjes'.