Speurtocht naar de zwarte zwaan; De verstrekkende gevolgen van Poppers falsificatie-principe

Karl Popper, die vorige week op 92-jarige leeftijd overleed, was een van de grootste wetenschapsfilosofen van deze eeuw. Maar zijn belangrijkste idee, het falsificatieprincipe, roept psychologisch verzet en irritatie op. “Wie krijg je zo gek dat hij de door hem gekoesterde hypothese zelf gaat ondergraven?”, schrijft Jaap van Heerden. Popper was ook de gepassioneerde politieke filosoof die “op basis van zijn kentheoretische uitgangspunten, opkwam voor de vrijheid van het individu”, stelt Hendrik Spiering.

Ik weet dat overal waar Karl Popper kwam, hij het roken wilde verbieden. Als je hem zou uitnodigen voor een lezing, zou hij beginnen met zo'n verbod te eisen voor hij de invitatie zelfs in overweging nam. Dat was natuurlijk verstandig van Karl Popper. Het afdwingen van die maatregel kan er toe bijgedragen hebben dat hij zo oud is geworden. En hoeveel mensen willen niet stoppen met meeroken? Die mensen steunde hij. Maar het psychologisch effect van zijn eis is toch dat je er toe neigt hem te karakteriseren als een dwingeland, ook al had hij goede redenen.

Het is een neiging, die ik niet alleen bij mijzelf bespeur. Hij heeft zich bij veel aardige mensen de reputatie verworven van een dogmatische, starre en weinig inschikkelijke man. En dat is gek, als je bedenkt dat zijn filosofisch werk juist elke vorm van dogmatisme bestrijdt, een nauwgezette argumentatie bevat voor een open, onbevangen en kritische discussie en ons aanspoort tot het ontwikkelen van een groot incasseringsvermogen. Het veronderstellen van zo'n frictie tussen persoon en werk is mogelijk heel onrechtvaardig, want kan gemakkelijk berusten op een verkeerde indruk of op kwaadsprekerij van mensen die het debat van hem niet konden winnen. Ik hou het erop, dat niet zozeer zijn persoon als wel zijn filosofisch werk psychologisch verzet en irritatie oproept.

Voor een beter begrip van dat werk moeten wij terug naar de jaren twintig, toen zich in Wenen een filosofische revolutie voltrok. Verenigd in de zogenaamde Wiener Kreis probeerde een groep filosofen de filosofie systematisch te ontdoen van haar metafysische ballast en zinloze speculatie, en in nauwer verband te brengen met de natuurwetenschap. De groep had een agressief programma van eliminatie van alle voorheen eerbiedwaardig geachte tobberijen. Moritz Schlick, Rudolf Carnap en Otto Neurath zijn sprekende namen uit het gezelschap. De filosofie van de Wiener Kreis werd ook wel omschreven als het logisch positivisme of het neo-positivisme. Hoewel Popper met hun werk sympathiseerde en ook contact had met hen, kan men hem niet tot de neo-positivisten rekenen.

Veel van zijn baanbrekende ideeën zetten eerder een domper op de filosofische vernieuwingen die de neo-positivisten hoopten te bereiken. We zien hier Popper meteen al in een aansprekende dubbelrol: die van criticus en die van verbeteraar. Popper heeft er altijd een grote hekel aan gehad dat hij een neo-positivist werd genoemd, want dat getuigde van een grove miskenning van zijn originaliteit. Men moet eerder zeggen dat Popper aangesproken werd door dezelfde problemen maar daarin een geheel eigen weg ging. De reden waarom men hem niet los kan zien van de Wiener Kreis is simpelweg gelegen in het feit dat hij zijn eigen opvattingen bij voorkeur formuleerde in contrast met de in die kring vigerende en ook de instemming van haar leden zocht.

Ondermijning

De neo-positivisten meenden dat een zin pas betekenis heeft als men kan aangeven hoe men deze in principe empirisch kan verifiëren. Daarmee ontdoe je je van de metafysica als een betekenisloze onderneming. Popper stelde daartegenover dat je wetenschappelijke theorieën nooit afdoende kan verifiëren, zodat het verificatieprincipe naast de metafysica ook de wetenschap in haar wetmatige aanspraken zou elimineren. Hij achtte het bovendien van weinig belang een betekenisleer te ontwerpen. Waar het om gaat is wetenschap van pseudo-wetenschap te onderscheiden. Zijn criterium werd dat een uitspraak wetenschappelijk is, als hij te falsifiëren is. Je bent daartoe wel gedwongen, zodra je beseft dat een algemene uitspraak nooit door een opsomming van ondersteunende voorbeelden afdoende is te bevestigen. Maar wat wel kan is zoeken naar een tegenvoorbeeld, dat de wetmatige uitspraak ontkracht.

Ideeënhistorisch is hiermee de speurtocht naar de zwarte zwaan begonnen. Een uitspraak als “alle zwanen zijn wit” kan nooit volledig bevestigd worden, maar hij kan wel worden weerlegd. Uitspraken die niet kunnen worden weerlegd, helpen ons geen stap verder. Als een algemene uitspraak over bijvoorbeeld de kleur van zwanen niet uit bevestigende instanties kan worden opgebouwd is de enige weg de algemene uitspraak aanmatigend te poneren en te handhaven zolang zich geen tegenvoorbeeld voordoet. Wetenschap krijgt daardoor het karakter van een gissing, die je probeert te ondermijnen. Faalt de ondermijning, dan was het een gelukkige gok. Slaagt de ondermijning, dan kunnen wij de hypothese met een zucht van verlichting als een dwaling beschouwen waarvoor wij door een tijdige falsificatie zijn behoed. Deze hele procedure lijkt contra-intuïtief, vooral ook door zulke merkwaardige uitspraken van Popper zelf, als dat wij de vlag moeten uithangen of op de overwinningstrompet moeten blazen, telkens wanneer een stelling is gefalsifieerd.

Het wordt begrijpelijker dat zijn idee van grote waarde is, als men bedenkt dat confirmatie nooit lukken kan en dat men een hypothese van grotere waarde kan achten als zij de scherpste ondermijnende toets heeft doorstaan. Men kan hypotheses nu ook rangschikken naar de mate waarin zij een weerleggingsrisico lopen en degene, die het grootste risico loopt, verdient de voorkeur. Wie iets poneert, zoekt naar de uitzondering. Noblesse oblige. Kan men die niet vinden, dan heeft men in zijn stoutmoedigheid succes. Maar vindt men de uitzondering wel dan is het succes niet minder, daar men dan van een zwaar belastende visie is verlost.

Dit falsificatiebeginsel heeft tot veel discussie aanleiding gegeven. Het is toch niet iets dat je van een ambitieuze onderzoeker kunt vragen. Wie krijg je zo gek dat hij de door hem gekoesterde hypothese zelf gaat ondergraven. De fysioloog John Eccles werd door Popper overtuigd. Maar illustratief is wel dat Popper de ene fysioloog eens tegen de andere fysioloog hoorde zeggen: die Eccles is een vreselijk knappe man, maar er is beslist een steekje aan hem los. Hij is de godganse dag bezig zijn eigen hypothese te weerleggen.

Poppers standpunt kan men beschavend noemen: niets is zeker, al onze ideeën zijn feilbaar, wij moeten ons ongeloof voeden door het opvoeren van de scherpst denkbare kritiek. Imre Lakatos, een leerling en later een collega van Popper heeft eens de ongelukkige opmerking gemaakt, dat de opsteller van het falsificatieprincipe geen enkele poging onderneemt dat principe aan falsificatie te onderwerpen. Dat had hij niet moeten zeggen. Het falsificatiebeginsel heeft betrekking op empirische uitspraken. De zin waarin het beginsel wordt geformuleerd is een filosofische uitspraak. Popper kan Lakatos vanaf dàt moment niet meer als zijn leerling zien en noemt hem als doorverteller van zijn ideeën volstrekt onbetrouwbaar.

Metafysica

Een ander probleem is of falsifieerbaarheid een kenmerk van een wetenschappelijke theorie is of dat het streven daarnaar een houding van de onderzoeker hoort te zijn. Popper vindt de psycho-analyse bijvoorbeeld onwetenschappelijk omdat de psychoanalytici haar tegen weerlegging behoeden door overal een bevestiging in te zien. Zijn de psycho-analytici nu onwetenschappelijk of is de psycho-analyse dat? Volgens Grünbaum is de psychoanalyse heel goed via een therapeutische verbijzondering te weerleggen. Dan zou de psycho-analyse dus geen pseudowetenschap zijn. Ideaal is natuurlijk als de houding van de onderzoeker samenvalt met een kenmerk van de theorie. Veel mensen hebben een beetje hekel aan Popper, wanneer zij meestal via derden horen dat hun idee niet falsifieerbaar is. Een uitspraak als “wij leven maar eens” is niet falsifieerbaar en dus onwetenschappelijk, maar wat zou dat? Het is een uitspraak die mijn tijdsbesteding zorgvuldig maakt. Men moet echter bedenken dat Popper tegen zo'n uitspraak geen bezwaar heeft. Het is een metafysische uitspraak en metafysica kan heel inspirerend zijn. Ook voor de wetenschap. Popper is over de metafysica veel minder rabiaat dan de leden van de Wiener Kreis. Zijn eigen standpunt dat de wereld echt bestaat noemt hij metafysisch plausibel. Maar metafysica is geen wetenschap.

Toch is het falsificatiebeginsel problematisch. Popper heeft de onttakeling van zijn theorie - die overigens veel meer omvat dan ik hier bespreek - tandenknarsend moeten meemaken. Er zijn voldoende aanwijzingen dat men zich aan tegenvoorbeelden in de wetenschap weinig gelegen laat liggen, als men zo'n tegenvoorbeeld al opmerkt. Bovendien is het voor Popper een vervelende bijkomstigheid dat de negatieve uitkomst van een experiment niet beschouwd hoeft te worden als de weerlegging van de hypothese, omdat de uitkomst ook geïnterpreteerd kan worden als weerlegging van de veronderstelling dat de omstandigheden, waaronder het experiment werd uitgevoerd, optimaal waren. Logisch bezien is die interpretatie een aanvaardbare optie. Thomas Kuhn heeft een andere moeilijkheid opgemerkt. Daarvoor keren wij terug tot de algemene uitspraak dat alle zwanen wit zijn. Deze uitspraak dreigt langzamerhand de zwanezang van de popperiaanse filosofie te worden. Je kunt volgens Kuhn ermee akkoord gaan dat de ontdekking van een zwarte zwaan als een weerlegging van die uitspraak gelden mag. Je kunt zelfs toegewijd op zoek gaan naar zo'n exemplaar. Maar stel je voor dat je een zwarte zwaan vindt, waarom zou je gebonden zijn aan de afspraak dat deze geldt als een weerlegging. Ineens wordt de verleiding levensgroot jezelf uit te roepen tot de ontdekker van een nieuwe vogelsoort. Logisch gezien ben je niet gedwongen tot weerlegging.

Ongetwijfeld is Popper een van de grootste wetenschapsfilosofen van deze eeuw en zonder zijn inbreng waren veel discussies niet eens van de grond gekomen. Zijn levenshouding wordt goed weergegeven door de uitspraak dat wij onze ideeën in onze plaats ten onder moeten laten gaan.