Ik heb mijn jeugd gevoeld, niet begrepen; Gesprek met Doris Lessing, gastvrouw, communiste, egomaniac

Het leven, zegt Doris Lessing, is 'very hard work'. De Engelse schrijfster (75) publiceert volgende week in Nederland 'Onder mijn huid', het eerste deel van haar autobiografie dat haar jeugd in Rhodesië beschrijft. In Engeland verschijnt het boek in oktober. “In onze tijd had communisme iets te maken met idealen.”

Doris Lessing: Onder mijn huid. Autobiografie tot 1949. Vert. Sjaak de Jong en Christien Jonkheer. Uitg. Bert Bakker, 370 blz. Prijs ƒ 49,90. Verschijnt begin volgende week.

Under my skin. Uitg. HarperCollins. Prijs ƒ 65,60. Verschijnt in oktober.

“Het was toen,” schrijft Doris Lessing ergens in Under my skin over die ene keer dat ze met drugs experimenteerde, “het was toen dat ik doorkreeg hoe sterk in mij de persoonlijkheid is die ik De Gastvrouw noem. Deze Gastvrouw-persoonlijkheid, opgewekt, hulpvaardig, aandachtig, gericht op wat er van haar verwacht wordt, is werkelijk zeer sterk. Zij is een bescherming, een schild, voor het eigen ik. Wat heb ik veel aan haar gehad, en nóg, tijdens interviews en fotosessies. Een publieke persoon voor publieke consumptie.”

Doris Lessing (Kermanshah, Perzië, 1919) staat bovenaan de trap van haar huis in Londen en mompelt dat ik boven kan komen. De Gastvrouw is klein, in den vleze niet de formidabele gestalte die je zou verwachten op grond van de portretfoto's in haar boeken. Daarop ziet ze eruit als de leidster van een Krishnamurti-kring ergens in het Gooi, een beetje ouderwets met een lakens boerenbloesje en vlechten om het hoofd. Die dracht blijkt onveranderd. Het gezicht daarboven valt op door prachtige ogen en relatief geringe rimpeling voor een 75-jarige. De blik is koel en lijkt bij voorbaat te waarschuwen: veel te lachen valt hier niet.

De schrijfster staat op het punt naar Duitsland en dan naar Nederland te vertrekken omdat om voor haar onnaspeurbare redenen uitgerekend in deze twee landen het eerste deel van haar autobiografie het eerst van de persen komt. In Under my skin beschrijft ze haar jeugd, ver weg van het Engeland dat als een onbereikbaar paradijs in de uitspraken van haar moeder doorklonk.

Lessing poogt iets - maar niet te veel - te laten zien van wat haar 75-jarige zelf nu vindt van dat springerige kind van vroeger, die dolle meid die voor intimi 'Tigger' heette, “een naam die ik na Afrika nooit meer heb willen horen.” De noodzaak daartoe kwam voort uit dromen. “Nachtmerries,” zegt Lessing. De spoken van vroeger werden uit de kast gehaald en aan hernieuwd onderzoek onderworpen.

Nadenkend over de dingen die geweest waren - de jeugd in Perzië en Afrika, de relatie met haar ouders en haar broer, de bevrijding toen ze in aanraking kwam met buitenstaanders die de intellectuelen van de dag leken, idealisten die geloofden aan het verheffen van de zwarte broeder - kwamen beelden en uitspraken met een opmerkelijke helderheid terug. Lessing zegt dat het vele verhuizen in haar jeugd haar zintuigen moet hebben aangescherpt. “Ik voelde mijn jeugd, meer dan dat ik hem begreep.”

Met de helderheid die Lessings bewonderaars van haar gewend zijn, roept ze de nadagen op van een kolonie onder Brits bewind: Zuid-Rhodesië tussen het eind van de Great War in 1919 en het jaar 1949, toen de jonge Doris Afrika eindelijk kon verlaten. En met al de eerlijkheid die ze op kan brengen, analyseert ze haar eigen wezen en de betrekking met haar gehate moeder, haar geadoreerde, maar altijd zieke vader, en haar volgzame jongere broertje. Ze voert de lezer mee naar wat bijna onafwendbaar lijkt: het enthousiasme van de jonge Doris voor de communistische partij.

Het huis staat in een straat in Noord-Londen, nét niet helemaal Hampstead, maar ook niet voluit volkser Cricklewood. Hier woont Lessing al tientallen jaren met, naar ze in het gesprek vaag zal aanduiden, een wisselend gezelschap aanhangenden, een soort uitgebreide familie, die nu vertrokken lijkt. Het is tenminste doodstil.

Dit moet ook het ouderlijk huis geweest zijn voor zoon Peter, de baby waarmee Lessing in 1949 uit Rhodesië in Engeland aankwam, het manuscript voor The Grass is singing in haar koffer. Zijn vader was Gottfried Lessing, haar tweede echtgenoot, een Duitser die, inmidels hertrouwd, na de oorlog hoog zou stijgen in de Oostduitse partijhiërarchie. Doris Lessing zegt te geloven dat hij KGB-agent is geworden. Haar eerdere kinderen, John en Jean, liet ze achter bij hun vader, haar eerste echtgenoot Frank Wisdom, toen ze Lessing leerde kennen. Gottfried Lessing was de godheid van de plaatstelijke communistische partij, gevreesd door iedereen en dus moest ze hem hebben.

Er zijn in Doris Lessings autobiografie veel van dit soort koppige opmerkingen te vinden. “Ik had op deze reis een liefdesaffaire verdiend,” schrijft ze bijvoorbeeld, of “Ik voelde: ik moest weer een baby hebben.” Het kleine meisje dat zich zo verzette tegen haar burgerlijke moeder, met haar uit Engeland meegebrachte koffer vol Liberty-stofjes voor jurken die in Afrika nooit nodig bleken, eigende zich als jonge vrouw meteen alles toe waarop ze in haar nieuw verworven vrijheid recht dacht te hebben. Ze moest weg uit de benauwend provinciale sfeer in Zuid-Rhodesië, ze moest naar Engeland en ze kon daarbij haar twee eerste kinderen gewoon niet gebruiken.

In Under my skin stapt ze daar aanzienlijk gemakkelijker overheen dan over haar toetreding tot de Communistische Partij, die ze trouw bleef tot de Sovjet-Unie in 1956 Hongarije binnenviel. Zó gemakkelijk, dat het in vergelijking met de al te uitvoerige beschrijvingen van de communistische scene in de oorlogsjaren in Afrika haast irritant is. Wanneer dat in omzichtige bewoordingen aan de orde komt, is ze razendsnel in het weerleggen van onuitgesproken kritiek. “Als je vraagt of ik toen een egomaniac van jewelste was, dan is het antwoord: ja.”

Chattering classes

Een veelbewogen leven heeft ze geleid, Doris Lessing. Daarvan heeft ze verslag gedaan in tientallen romans, essays en gedichten, waarvan de gevariëerdheid in stijl groot is. Door de kritiek is ze de hemel ingeprezen voor sommige, waaronder haar bekendste roman The Golden Notebook, en neergesabeld voor andere, waaronder haar recente science fiction-achtige verhalen in de Canopus in Argos-serie.

De schrijfster reageert geïrriteerd op de opmerking dat zij - met voorbijgaan aan Iris Murdoch - opnieuw wordt genoemd als de enige mogelijke kandidate die Groot Brittannië zou kunnen voordragen voor de Nobelprijs voor literatuur. “Dat gaat nu al twintig jaar zo. Schrijvers zijn niet geïnteresseerd in prijzen. Schrijvers zijn geïnteresseerd in schrijven. Dat gedoe over de Booker Prize hier, wie hem wel krijgt en wie niet, belachelijk. Wie kan het iets schelen?”

“Ik hoor bij de schrijvers uit de vroegere koloniën die in Engeland zijn komen wonen,” antwoordt Lessing op de vraag waar zij past in het Britse literaire establishment. “Bij Fay Weldon, die een Nieuw-Zeelandse is, bij Timothy Mo, een Chinees, bij Salman Rushdie. Ik ben zoiets als Nadine Gordimer, onderdeel van de Britse letterkundige traditie.” Maar de suggestie dat ze als persoon om die reden iets te maken zou hebben met die auteurs vindt ze duidelijk belachelijk. “Ik háát groepen.”

Ze zegt ook niet bij de Hampstead-kliek te horen, de socialistisch aangeleunde groep schrijvers die in de jaren van Labours diepste onpopulariteit bijeen placht te komen in het huis van Harold Pinter en Lady Antonia Fraser om over de terugkeer van de droom te praten. Heeft haar jeugd in 'de kolonieën' haar geïsoleerd van puur-Britse tijdgenoten als Kingley Amis of John Braine of Auberon Waugh? De Amissen (vader Kingsley en zoon Martin), de A.N. Wilsons, de Malcolm Bradburys zorgen door hun optredens in de Britse pers voor verstrooiing van de chattering classes, maar Doris Lessing zul je nooit tegenkomen met haar favoriete gerecht of vakantiebestemming.

Ze benadrukt dat Londen haar internationale contacten heeft geschonken, “zodat ik al de mensen die elkaar hier belangrijk vinden, dat stel schoolkinderen dat in Engeland de politiek bepaalt, niet hoef te kennen. Ik ken nog steeds veel mensen in Zimbabwe en ik ga regelmatig terug, maar het provincialisme daar is zo beperkend. Ze denken daar echt dat ze het middelpunt van de wereld zijn. God forbid, dat ik daar weer zou moeten leven.”

De Hampstead-groep van socialistische schrijvers mag dan 'een verzinsel van de media' zijn, ze impliceert heimelijk lidmaatschap door later in het gesprek achteloos de naam van Hampstead-prominente 'Maggie' Drabble te laten vallen. En nog later die van Drabbles echtgenoot, Michael Holroyd. Holroyd wordt voorlopig nog geheel in beslag genomen door leven en werk van George Bernard Shaw, aangespoord door het grootste voorschot dat een Britse uitgever een biograaf ooit in het vooruitzicht heeft gesteld, maar Lessing zegt dat hij te zijner tijd ook haar geautoriseerde biograaf zal worden.

Dit is het curieuze aan Doris Lessing: uit haar rijke leven heeft ze al geput voor uiteenlopende boeken als The Grass is singing en Martha Quest, The Golden Notebook en The Good Terrorist. En nog steeds levert deze ader stof op voor nieuwe boeken. “Er staat altijd wel ergens een nieuw boek op een pitje te sudderen.” Dan is er de autobiografie, die uit drie delen zal bestaan, gevolgd door een biografie - leven en werk nu eens van deze kant belicht, dan weer van een andere. Ze lijkt niet aan de mogelijkheid te denken dat het onderwerp zijn glans kan verliezen.

Wat er in haar hoofd omgaat, kan Doris Lessing op een fascinerende manier op papier overbrengen. Niet voor niets is haar aanhang groot en internationaal. The Golden Notebook is door een hele generatie geclaimd als het boek dat hen de ogen geopend heeft voor een feministisch standpunt - al heeft Lessing het boek nooit zo bedoeld.

“Toen ik het manuscript aan de uitgever en vrienden had laten lezen kwam ik snel tot de ontdekking dat ik een verhandeling over de oorlog tussen de seksen had geschreven,” probeerde ze ruim twintig jaar geleden al uit te leggen, “en niets wat ik daar tegenin bracht kon die diagnose nog veranderen.” Nu, in Londen herhaalt ze wat ze toen ook schreef: “Sommige mensen schrijven dat het een boek over de oorlog tussen de seksen is, anderen dat het een boek over politiek is en soms krijg ik brieven van iemand aan wie alleen maar het thema van de geestesziekte is opgevallen. Waarom ziet de één juist dat patroon en de ander niet?”

Patronen, verschuivende percepties - dat zijn de thema's die Lessing zelf steeds weer in het gesprek ter sprake brengt. Ze vertelt over een vriend die literatuur doceert aan de universiteit in Zimbabwe. “Zijn studenten waren verbaasd dat communisme in onze tijd iets te maken had met idealen. Zij dachten dat communisme was bedoeld om voor jezelf zoveel mogelijk geld te verdienen. Dat is wat zij in Afrika om zich heen zien.”

Pot goud

De behoefte om eindeloos de balans op te maken van haar eigen leven, zozeer dat het zelfs in de autobiografie Under my skin soms iets teveel lijkt te worden, heeft te maken met het zoeken naar patronen. Waarom haar eigen 'innerlijke emigratie', weg van haar dominante moeder, die toch alleen maar aan haar kinderen probeerde goed te maken wat ze in haar eigen jeugd had moeten doorstaan? Waarom Lessings instinctieve keuze, haar hele leven lang, voor vrienden die 'anti-autoriteit' waren? En waarom de algemene verwachting “dat er een pot goud aan het eind van de regenboog op ze wacht”? Of, zoals ze schrijft: “Waarom is het dat we op iets rekenen, dat we iets verwachten en dan teleurgesteld zijn als iets niet doorgaat?”

Op een aardser niveau is er een andere reden voor Under my skin: het “claimen van mijn eigen leven” voor anderen er mee aan de haal gaan. Alleen al in Amerika zijn vijf schrijvers bezig haar te ontleden en te beschrijven en het merendeel kent ze niet eens. De schrijfster huivert bij de gedachte dat haar een soortgelijk lot te wachten staat als wijlen Graham Greene: elkaar beconcurrerende biografen, geautoriseerd en ongeautoriseerd, die elkaar vliegen afvangen door onthullingen te creëren over het seksleven van hun subject. “Ik vind het hoogst onwaarschijnlijk dat hij een homoseksueel zou zijn geweest,” zegt Lessing over Greene. “Daar was hij helemaal de man niet naar.” De schrijfster heeft Greene eenmaal vluchtig ontmoet.

“Er zijn niet veel mensen meer over uit de periode van mijn leven die ik nu heb beschreven,” zegt Lessing. “Ik was altijd de jongste. Ik kan dus niet veel mensen meer kwetsen. Bij een volgende episode zal dat moeilijker worden.”

Ik breng haar kinderen ter sprake, John, die boer is geworden in Rhodesië-Zimbabwe, Jean, die in Zuid-Afrika woont en Peter, die volgens zijn moeder “een van die zwervende levens leidt.” Heeft ze hen het manuscript laten lezen, zodat ze wisten hoe hún levens gedeeltelijk publiek gemaakt werden?

Lessing schrijft in haar boek dat het ergste dat John ooit tegen haar gezegd heeft over de manier waarop ze hem in de steek liet: “Ik begrijp het, maar dat betekent niet dat ik het je niet kwalijk neem.” En over Jean: “Ze neemt me kwalijk dat ik niet het type bezitterige moeder ben.”

“Voor Peter,” zegt Lessing nu, “is het moeilijk. Als hij bij zijn vader op bezoek ging, nam die hem mee naar een Duits kuuroord, en tussen al die pracht kreeg hij dan voor de voeten geworpen dat hij een vertegenwoordiger was van een decadent systeem. Dat was heel...” Ze zoekt naar een neutraal woord. “Lastig.”

Vlammenwerpers

Gottfried Lessing is uiteindelijk gestegen tot ambassadeur voor Oost-Duitsland in Oeganda tijdens het bewind van Idi Amin. Toen Amin, die door Rusland en dus door Oost-Duitsland werd gesteund, was gevlucht en Tanzaniaanse troepen Kampala binnenstroomden om de orde te herstellen, trachtte Gottfried Lessing met zijn derde vrouw en twee personeelsleden te ontsnappen, tegen alle adviezen in. De Tanzanianen waren trigger happy en overmoedig. Toen Lessings auto voorbijracete, richtten ze er vlammenwerpers op. Alle inzittenden verkoolden.

En John?

Lessing kijkt me strak aan. “John is achttien maanden geleden gestorven.”

Ze wimpelt uitingen van medeleven af. “Hij is doodgegaan van de zorgen. Er was een verschrikkelijke droogte in Zimbabwe. Zijn dieren gingen dood, het gewas verschrompelde en hij was een verschrikkelijke binnenvetter. Daarbij dronk hij natuurlijk teveel. Hij kreeg een hartaanval en een week later begonnen de regens.”

Ze rondt het antwoordt definitief af: “Kinderen van schrijvers vinden het vreselijk als hun ouders over hun eigen leven schrijven wegens de combinatie van feit en fictie. Het feit dat andere mensen worden geraakt door wat jij opschrijft, houdt je dan ook terug. Er zijn dingen die ik niet ga vertellen. Ik wil niet toegeven aan de nieuwe mode om mensen zo schunnig mogelijk te laten uitkomen.”

De Gastvrouw is weer terug bij haar uitgangs-strategie: het beantwoorden van vragen door zo snel mogelijk een aantal theoretische tegenvragen te stellen. Waarom is het dat ze bij nalezing niet het verschil kan terugvinden tussen boeken die met de meest intense barensweeën tot stand zijn gekomen (The Four-Gated City) en de romans die haar als het ware vanzelf uit de pen vloeiden, zoals The Good Terrorist?

“Descent into Hell, vind ik zelf één van mijn betere boeken. Maar ik kon de vorm maar niet goed krijgen. Toen ik African Laughter schreef had ik zo weinig energie, dat ik het twee keer moest doen. Maar ik zweer je dat ik aan het werk niet kan aflezen dat het me zoveel moeite heeft gekost.”

Het leven, zegt Lessing, is very hard work. Dat is een antwoord op de vraag of ze, terugkijkend, gelukkig is geweest in haar bestaan als Doris Lessing. De ondervrager kan er niets aan doen dat haar soms een lichte scepsis bevangt over wat als pseudo-diepgang gezien kan worden. Achteloze tussenwerpsels, geponeerd als de grootste vanzelfsprekendheden, zoals: “Ik probeer heel erg geen hekel te hebben aan religie” en “mij ontbreekt elk nationalistisch gevoel” roepen dan opeens associaties op met die strofe in Under my skin waar Lessing suggereert dat het met Het Westen zo slecht gaat omdat luide stampmuziek bij de mens een soort innerlijke orde verpulpt heeft.

“Ik studeer bij de Soefi's,” antwoordt Lessing op de vraag of ze zich werkelijk 'bekeerd' heeft tot een oosterse vorm van wijsheid. “Ik probeer de noodzaak van antwoorden op al die vragen - waarom gebeuren sommige dingen? en waarom zo? - van me af te werpen. Ik probeer te geraken tot een geestesgesteldheid waarin je een nieuw soort perceptie ontwikkelt.”

U begrijpt dat veel mensen zullen menen alles van uw innerlijk te weten, wanneer ze Under my skin hebben gelezen, zeg ik.

Lessing lacht een eerste lach, vol zichtbare binnenpret: “Nee. Dat zullen ze dénken, dat ze me heel goed kennen. Maar nee. Zo is het niet.”