Ideologie is een geloof; Poppers felle pleidooi voor voorzichtige politiek

Karl Popper, die vorige week op 92-jarige leeftijd overleed, was een van de grootste wetenschapsfilosofen van deze eeuw. Maar zijn belangrijkste idee, het falsificatieprincipe, roept psychologisch verzet en irritatie op. “Wie krijg je zo gek dat hij de door hem gekoesterde hypothese zelf gaat ondergraven?”, schrijft Jaap van Heerden. Popper was ook de gepassioneerde politieke filosoof die “op basis van zijn kentheoretische uitgangspunten, opkwam voor de vrijheid van het individu”, stelt Hendrik Spiering.

Drie maanden is Karl Popper marxist geweest. Zestien jaar was hij, een scholier in het chaotische Wenen van 1919. De stad werd geteisterd door hongerrellen en burgeroorlog. Na de val van het eeuwenoude keizerrijk beschoten opstandige soldaten de net geïnstalleerde voorlopige regering op de trappen van het parlement. De Weense communisten bepleitten sociale politiek en een einde aan het geweld. En zo werd de sociaal voelende Popper marxist.

Cruciaal voor Poppers verdere politieke leven was dat een paar maanden later bij een communistische demonstratie een aantal ongewapende socialisten en communisten door de politie werden doodgeschoten. 'Als marxist' voelde de jonge scholier zich medeverantwoordelijk voor hun dood. Maar zo niet Poppers 'wetenschappelijk-socialistische' vrienden, die de dood van hun kameraden als 'onvermijdelijk' bleken te beschouwen. Want de klassenstrijd moest verhevigd worden om de komst van het socialisme te versnellen en die verheviging zou altijd nog minder slachtoffers eisen dan het voortbestaan van het kapitalisme, luidde de redenering.

“Ik stelde mij de vraag of een dergelijke winst- en verliesrekening ooit op 'wetenschap' gefundeerd kon zijn”, schrijft Popper later in zijn autobiografie Unended Quest. Hoe betrouwbaar was eigenlijk de marxistische pretentie de toekomst te voorspellen? “Ik was geschokt toen ik mijzelf moest toegeven dat ik niet alleen enigszins onkritisch een gecompliceerde theorie had aanvaard, maar dat ik eigenlijk best wel heel wat van de fouten van zowel de theorie als de praktijk van het communisme had opgemerkt. Maar ik had dit alles verdrongen. (-) Het was werkelijk verschrikkelijk een soort van kennis voor jezelf te claimen die je verplicht het leven van anderen in de waagschaal te stellen voor een kritiekloos aanvaard dogma, voor een droom die wel eens niet realiseerbaar kan blijken te zijn.”

Ballingsoord

Popper werd anti-marxist, maar publiceerde daarover pas veel later “want anti-marxisme was in Oostenrijk toen erger dan marxisme”. Popper stortte zich op de kennisfilosofie. De machtsovername door de nazi's in de jaren dertig veranderde dat. Popper vluchtte naar Nieuw-Zeeland, waar hij een betrekking aan de universiteit kon krijgen. Daar begon hij onder moeilijke omstandigheden zijn individuele war effort: de universiteit van Christchurch zag liever niet dat Popper iets publiceerde - dat bracht een goede voorbereiding van zijn colleges maar in gevaar. Toch schreef hij in zijn ballingsoord op het zuidelijk halfrond The open society and its enemies, een gepassioneerde verdediging van de vrijheid van het individu tegen het collectivisme, op basis van zijn kentheoretische uitgangspunten. Het boek begon als een afsplitsing van zijn veel technisch-filosofischer The poverty of historicism.

De grote ideologieën, marxisme voorop, berustten op een denkfout, vond Popper. De wetenschappelijke pretentie is misplaatst: de schema's zijn op geen enkele manier te weerleggen. Popper ontmaskerde hierdoor de grootste kracht van het marxisme: het feit dat het overal een antwoord op had. Want juist die immuniteit voor weerlegging, zo toont Popper aan, ontkrachtte het wetenschappelijk gehalte van de marxistische theorie. Een ideologie is slechts een geloof en daarom geen betrouwbare leidraad voor politiek handelen of wetenschappelijk onderzoek. Popper bedoelde The open society vooral als 'waarschuwing', in de verwachting dat door de grote invloed van het marxisme na de oorlog ook in het Westen dirigisme en planning een grote rol zouden gaan spelen.

In 1943 werd Karl Popper door spionnenjagers nog even verdacht van sympathieën voor totalitaire regimes: 'Consider Enemies Better' had hij zijn Londonse uitgever per telegram laten weten. Maar na verschijning van The open society and its enemies in 1945 - met dankzij het telegram het fellere enemies en niet het door de uitgever voorgestelde opponents in de titel - was zo'n argwaan tegen de auteur ondenkbaar. De 'open maatschappij' is de democratie van het vrije debat, haar vijanden zijn de ideologieën van vooral Plato en Marx.

Volgelingen

De 'oorlogsinspanning' van de tot dan toe slechts in kleine kring bekende kennisfilosoof sloeg in. De historisch-filosofische analyse werd in de loop der jaren in ruim twintig talen vertaald, waaronder in 1950 in het Nederlands. Poppers onderbouwing van de fundamentele waarde van het vrije debat, gecombineerd met zijn analyse hoe deterministische ideologieën onherroepelijk leiden tot onverdraagzaamheid en onderdrukking, viel na de overwinning op het nazisme en bij de opkomende angst voor het communisme op vruchtbare bodem - vooral in Amerika en Engeland. Via illegale vertalingen vond het boek zijn weg naar lezers in het Oostblok en China. En ook in India en Japan waren fanatieke volgelingen van Poppers 'kritisch rationele' politiek te vinden.

In feite is Popper, die na zijn communistisch avontuur nog jaren sociaal-democraat bleef, een gematigde sociaal-liberaal - zijn nadruk op voortdurende vernieuwing van de ideeënwereld heeft hem nooit echt populair gemaakt in conservatieve kring. Hij bepleit vooral voorzichtigheid in de politiek: door de onzekerheid van de menselijke kennis zullen grote projecten meestal aan hun onzekerheden ten onder gaan.

In de ideologisch getoonzette jaren zestig en zeventig, waarin de sociale wetenschappen zich laafden aan de wetenschappelijke pretenties van het marxisme, raakten de ideeën van Popper op de achtergrond. Zijn nauwe band met de liberale econoom Hayek maakte hem verdacht, en Poppers kritisch-rationele manier van denken stond haaks op de toenmalige 'geëngageerde' sociale wetenschap.

Popper, die zich na de oorlog weer vooral bezig was gaan houden met kennistheorie, deed ook weinig om zijn invloed te vergroten. Hij kwam niet met nieuwe politieke boeken en evenmin bemoeide hij zich met politieke discussies, ook al omdat hij zich in 1919 had voorgenomen nooit meer politieke invloed na te streven. Sinds begin jaren vijftig verhinderde een groeiende allergie voor tabaksrook trouwens veel publieke optredens.

Maar Popper is oud genoeg geworden om weer een wending ten gunste van zijn denkrichting mee te maken - dankzij de verdwijning van het communisme en de crisis van pretenties van de verzorgingsstaat. De Duitse bondskanselier Kohl zei in 1992 in een lofrede ter gelegenheid van Poppers 90ste verjaardag zelfs dat de “innerlijke kracht” waarmee Popper zich had verzet tegen de (marxistische) tijdgeest, had geresulteerd in “de triomf van vrijheid en democratie in Europa”. En in China probeerden eind jaren tachtig gematigde partijleden met behulp van Poppers ideeën de fouten van de Culturele Revolutie te analyseren. Zelfs bij de hardnekkig marxistische intelligentsia van Frankrijk vinden zijn ideeën nu gehoor, bijvoorbeeld bij de jong neo-liberale filosofen Ferry en Renault, die mede dankzij Popper afscheid konden nemen van structuralisme en post-modernisme. Een van de verdiensten van Popper is dat hij “een soort burgerlijk respect heeft afgedwongen voor het universum waarin fouten worden gemaakt” schreef Rudy Kousbroek in 1990. Perfectie bestaat niet.