Het veilinghuis van de verbeelding; Stijloefeningen en sprookjes van Salman Rushdie

Salman Rushdie: East, West. Uitg. Jonathan Cape, 216 blz. Prijs ƒ 33,95. Ned. vertaling verschijnt in november bij uitg. Contact.

East, West: met de titel van zijn eerste verhalenbundel verwijst Salman Rushdie ondubbelzinnig naar de landkaart van zijn geest. Lezers van Midnight's Children en The Satanic Verses kennen het gebied: het India van zijn jeugd, het Engeland van tegenwoordig, en de onvermijdelijke gespletenheid van de man die in twee verschillende culturen opgroeide. Zijn innerlijke verdeeldheid lijkt Rushdie in zijn nieuwste boek nog eens te willen benadrukken, want de negen verhalen die hij heeft verzameld - drie ervan werden nog niet eerder gepubliceerd - zijn keurig in drie afdelingen ondergebracht: 'East', 'West' en 'East, West'.

Zo'n rigide verkaveling van een schrijverschap door een man die in heel wat essays de migrant als culturele bastaard heeft bezongen, lijkt in eerste instantie nogal koket. Maar de schrijver Rushdie is werkelijk in zichzelf verdeeld: hij is niet van de ene dag op de andere naar een vreemde cultuur overgeplant, maar gevormd door zowel India als Engeland. In beide culturen voelt hij zich thuis. In beide culturen blijft hij een buitenstaander. Rushdies werk ademt het bewustzijn van die gespletenheid.

De afdeling 'East' heeft een herkenbare Indiase sfeer. De drie verhalen zijn geschreven in de ironische traditie waarvan R.K. Narayan de grootmeester is. Het zijn mooie kleine schetsen van 'kleine' mensen: een misverstand tussen een vrouw die een visum voor Engeland komt aanvragen en een beroepsoplichter die voor haar valt, een knappe riksjarijder die zich heeft later steriliseren en droomt van de daarvoor beloofde gratis transistorradio, en een laconieke parabel over een gevaarlijk relikwie, een haar van het hoofd van de profeet Mohammed; een verhaal waar je zonder al te veel moeite Rushdies gedachten over het islamitisch fundamentalisme doorheen ziet schemeren.

De drie verhalen in 'West' zijn postmoderne sprookjes, die met hun nadrukkelijke kunstigheid toch vooral de indruk geven van stijloefeningen. In 'Yorick' wordt Shakespeare's Hamlet nog eens dunnetjes overgedaan in de losgeslagen stijl van Sterne's Tristram Shandy.

In 'At the Auction of the Ruby Slippers' houdt de schrijver onbeschaamd een pleidooi voor de kunst, hoge en lage, in de vorm van een parabel. De magische schoentjes uit Rushdies lievelingsfilm The Wizard of Oz - waar hij eerder een lang essay over schreef - worden geveild in het veilinghuis van de verbeelding: “We gaan naar de veilingmeesters om de waarde van onze verledens, van onze toekomsten, van onze levens vast te stellen.” Wie de schoentjes - lees: verbeelding - in zijn bezit heeft, kan net als Dorothy zijn thuis terugvinden. Tussen de regels door verwijst Rushdie naar zijn eigen tragische omstandigheden: “Vandaag (-) bied ik - misschien wel letterlijk - voor mijzelf. Buiten op straat klinkt een explosie. We horen hollende voetstappen, sirenes, gekrijs. Zulke dingen zijn gewoon geworden. Wij blijven waar we zijn, in de ban van een hoger drama.” Het slot laat geen twijfel over Rushdies bedoelingen bestaan: de verbeelding stelt iedereen ('kat, hond, man, vrouw, kind'), in weerwil van alle twijfels en ongeluk die het leven ons voorschotelt, in staat iemand te zijn.

Startrek

De laatste drie verhalen verschijnen nu voor het eerst en wat mij betreft zijn het de mooiste. Alledrie gaan ze over het oosten in het westen, in alledrie maakt de jolige verteltrant gaandeweg plaats voor een weemoedige toon van vergangelijkheid en verlies. Mensen die elkaar vinden, raken elkaar onherroepelijk weer kwijt.

'The Harmony of the Spheres' beschrijft de teloorgang van de romantische vriendschap tussen een Indiase schrijver en een Engelse studiegenoot, van wie de laatste zich verliest in occultisme en uiteindelijk zelfmoord pleegt. 'Chekov en Zulu' zet vrolijk in met een onweerstaanbare dialoog in het Indiase Engels dat Rushdie als geen andere schrijver op papier kan laten klinken. Maar de twee Indiase vrienden - beide Sikhs en diplomaat in Engeland, beide voor altijd vast aan de bijnaam uit hun Indiase schooltijd, naar de wat kleurloze onderofficieren van het starship Enterprise uit Startrek - worden uit elkaar gedreven door hun verschillende loyaliteiten.

In het laatste verhaal van East, West beschrijft Rushdie een aarzelende liefde in het Londen van begin jaren zestig: de bejaarde kinderjuffrouw van een Indiase familie in Engeland en de Oosteuropese conciërge van het appartementengebouw waarin ze wonen. Ook die liefde loopt ongelukkig af, want de ayah zit te vast aan India om ooit in Engeland gelukkig te worden en de conciërge wordt het slachtoffer van geweld. De jonge verteller zelf laaft zich aan de Londense popcultuur en heeft aan het slot een Brits paspoort op zak: “En het paspoort gaf me inderdaad in veel opzichten mijn vrijheid. Het stelde me in staat te komen en te gaan, om keuzes te maken die anders waren dan degene die mijn vader gewenst zou hebben. Maar ook ik heb touwen om mijn nek, tot op de dag van vandaag, die me nu eens de ene en dan weer de andere optrekken, Oost en West, de lussen steeds strakker, bevelend, kies, kies.

Ik bok, ik snuif, ik hinnik, ik steiger, ik trap. Touwen, ik kies niet tussen jullie. Lasso's, lijnen, ik jullie geen van beiden, en allebei. Horen jullie dat? Ik weiger te kiezen.'

Rushdie heeft zichzelf vanaf het begin een verteller genoemd, maar zijn schrijverschap leek me altijd te expansief voor het korte verhaal. Wie aan Rushdie denkt, ziet nou niet bepaald een schrijver van miniaturen voor zich. Zijn grote kracht is het opeenstapelen van ontelbare verhalen, het jongleren met een duizelingwekkend aantal personages en gebeurtenissen. Iedere roman van hem tot nu toe was een hoorn des overvloeds, een panorama zonder horizonten. Maar in East, West laat hij zien dat hij in staat is tot beperking. Met dezelfde achteloze flair waarmee hij zijn romans laat uitdijen tot in de oneindigheid, heeft hij dit keer zijn thema's in een notedop weten te stoppen.