Het spiegelbeeld van anderen; Essays van Jeroen brouwers over verwante schrijvers

Jeroen Brouwers: Het circus der eenzaamheid. Uitg. De Arbeiderspers, 203 blz. Prijs ƒ 34,90.

Een van de belangrijkste thema's in het werk van Jeroen Brouwers is de gespannen relatie tussen literatuur en werkelijkheid. In bijna al zijn brieven, dagboekaantekeningen, romans en ook zijn nieuwe essaybundel Het Circus der Eenzaamheid schrijft Brouwers over zichzelf: over zijn kippen, zijn vrouw, zijn tuin, zijn boeken en zijn alcoholverslaving. Hij merkt zelfs regelmatig op eigenlijk geen ander onderwerp te hebben, en is dan ook al vaak afgeschilderd als een Narcissus.

Daar staat tegenover dat Brouwers regelmatig heeft verklaard dat alles wat hij publiceert los van zijn persoon moet worden gezien: “Al mijn boeken zijn autobiografisch en niettemin gelogen, - ik schrijf dan ook niet historie, maar literatuur: de mijne. Ik ben de verhalen die ik vertel. Niet ik wil 'overleven', ik zou willen dat mijn boeken mij overleefden: dit is de enige reden waarom ik schrijf,” zoals hij stelde in zijn beginselverklaring 'De voetstappen die ik nalaat'.

Deze ontkenning van de autobiografische elementen in zijn werk hebben ervoor gezorgd dat zijn beweringen over dat onderwerp steeds paradoxaler worden. Brouwers beweert dat zijn teksten altijd 'gelogen' literatuur zijn, maar doet die bewering ondertussen in een tekst waarvan hij zojuist heeft verklaard dat die literatuur is. Daarmee laadde hij vooral de verdenking op zich die tegenstrijdigheid bewust te gebruiken als nooduitgang in zijn vele polemieken.

De vraag in hoeverre een schrijver de historische of biografische werkelijkheid mag manipuleren begint langzaamaan een van de centrale vragen in het oeuvre van Brouwers te worden. In Het Circus der Eenzaamheid, zijn nieuwste en vierde 'Kladboek', waarin hij essays en kritieken van de afgelopen jaren heeft gebundeld, voegt de schrijver daar weer een element aan toe. Net zoals de drie voorgaande kladboeken is ook Het Circus der Eenzaamheid in secties onderverdeeld, in dit geval drie: 'Biografisch/autobiografisch'; 'Het dode punt' en met een sneer naar zijn oude vijand Rudy Kousbroek 'Anathema's'. In de twee afdelingen 'Biografisch/autobiografisch' en 'Het dode punt' bespreekt Brouwers een reeks auteurs die opvallend veel op hemzelf lijken. Daar lijken ze zelfs op uitgekozen: het is alsof Narcissus Brouwers op zijn knieën voor de poel der literatuur is neergeknield om voor de verandering eens niet zijn eigen spiegelbeeld te beschrijven, maar dat van schrijvers van wie hij vindt dat ze genoeg overeenkomsten met hemzelf vertonen: Paul de Wispelaere, Leonard Nolens, Benno Barnard, Daniël Robberechts en André Baillon. Op de literaire merites van hun boeken gaat hij slechts gedeeltelijk in; hun werk wordt plotseling als zuiver autobiografisch beschouwd - het 'literaire filter' dat Brouwers voor zichzelf heeft gecrëerd is voor deze auteurs plotseling niet meer geldig. En dus beschrijft hij het leven van Leonard Nolens als “een opeenstapeling van eenzaamheden, angst, onbegrepenheid, frustratie, verdriet, verveling,” en dat van Daniel Robberechts met: “Robberechts was toen zevenentwintig jaar en had zich op die leeftijd al teruggetrokken in een stil huis in een afgelegen oord, waar hij zichzelf als 'een gevangene' zou gaan beschouwen.' Het is alsof je in Kroniek van een Karakter zit te lezen, waarbij Brouwers de 'kippen', de 'vrouw' en de 'alcoholverslaving' door de namen van schrijvers heeft vervangen: 'mijn Nolens', 'mijn Robberechts' en 'mijn De Wispelaere'. Daarmee degradeert hij zijn collega-schrijvers tot artefacten in zijn autobiografie - zonder het voorbehoud dat Brouwers wel voor zichzelf opeist.

Het is echter opvallend dat de lofzangen op zijn Belgische collega's in buitengewoon ongeïnspireerd proza zijn gesteld. Als Brouwers begint te loven en prijzen is stijl plotseling niet belangrijk meer - hij lijkt nauwelijks te beseffen dat de mooiste ode aan een schrijver nog altijd een stilistisch virtuoos loflied is, net zoals de beste polemiek wordt gevoerd door de tegenstander in superieure stijl neer te sabelen. Voor Leonard Nolens lijkt het me bijvoorbeeld geen compliment dat Brouwers zijn recensie van zijn Blijvend vertrek afsluit met een schoolkrant-zin als: “Ik heb mij door dit dagboek bijzonder aangesproken gevoeld en druk er mijn hoge bewondering voor uit.” Daar spreekt niet bepaald veel passie uit, terwijl je dat wél kunt zeggen van de in Het Circus der Eenzaamheid opgenomen aanvallen op Adriaan Venema, de Angèle Manteau-biografie van Greta Seghers en vooral die op Rudy Kousbroek.

Het essay 'Uit het hiernamaals' is voorlopig de laatste aflevering in de polemiek tussen Brouwers en Kousbroek. Het was in deze polemiek dat de discussie over het waarheidsgehalte van het werk van Brouwers begon naar aanleiding van Kousbroeks kritiek op Brouwers' roman Bezonken Rood. Toen dit boek in 1981 verscheen, werd het positief ontvangen, alleen Kousbroek brak het in een beschouwing tot de grond toe af, voornamelijk omdat hij vond dat in het boek de werkelijkheid geweld werd aangedaan. Kousbroek concludeerde ondermeer dat in het boek 'geen simpele, oprechte uitspraak' te vinden was, en dat het 'allemaal mooischrijverij, gesnoef, vleierij, grote woorden en vals pathos' was. Brouwers, die juist in die jaren iedere tegenstander die zijn pad kruiste genadeloos de grond instampte, liet de aanval van Kousbroek opvallend genoeg langs zich heen gaan - eigenlijk was zijn verklaring in 'De voetstappen die ik nalaat', zijn enige reactie. De grote polemiek tussen Brouwers en Kousbroek over de Japanse kampen begon pas zes jaar later, waarna de Japanse apen, de goocheldozen en dubieuze wetenschappers als ballen in een tenniswedstrijd tussen het tweetal heen en weer zouden vliegen.

In Het Circus der Eenzaamheid veegt Brouwers al zijn kritiek op Kousbroek nog eens bij elkaar, maar weet daarbij steeds minder aannemelijk te maken dat zijn beschouwingen, net als bij de besproken Belgische schrijvers, zijn particuliere werkelijkheid overstijgen. De onderwerpen die Brouwers in zijn stuk aanroert variëren van zijn afkeer van Kousbroeks visie op Hirohito tot het feit dat hij door Kousbroek in diens laatste bijdrage is doodverklaard. Dat doet hij weliswaar in virtuoos proza, maar inhoudelijk weet hij Kousbroeks argumenten nauwelijks te weerleggen. “Hij mag ze houden, zijn cijfers, statistieken en procenten, waarmee hij gelooft aan te tonen dat zijn gestaffel op iets anders neerkomt dan op betutteling en vitterij (-).” Brouwers werkelijkheid begint steeds particulierder te worden.