Het kotje van Toorop; Domburgse schilders op een tentoonstelling uit 1912

In 1911 liet de schilder Jan Toorop in Domburg een wankel gebouwtje neerzetten om er schilderijen te tonen van zichzelf en andere kunstenaars die in het Zeeuwse stadje verbleven. De tentoonstelling van 1912 met werken van onder meer Mondriaan is nu, in het Mondriaanjaar, opnieuw te bezichtigen en ook het tentoonstellings- gebouwtje is in oude luister hersteld.

De tentoonstellingen in het Zeeuws Museum te Middelburg en in het Marie Tak van Poortvlietmuseum, Ooststraat 10 a te Domburg zijn geopend van di. t/m vrij. 10-17 u., za. t/m ma. 13.30-17 u. Tot 15 jan. 1995. De catalogus bij beide tentoonstellingen ('Reünie op 't duin, Mondriaan en tijdgenoten in Zeeland') kost ƒ 49,50. Bij de expositie 'Reconstructie van de Tentoonstelling van Schilderijen Domburg, Juli-Augustus 1912' verscheen het boekje 'In het licht van Toorop en Mondriaan. Een cultuurhistorische wandeling door Domburg', geschreven door Fransisca van Vloten. Prijs ƒ 9,-.

In het badplaatsje Domburg kwam de Zeeuwse dichter J.C. van Schagen (1891-1985) voor het eerst van zijn leven in aanraking met 'de grote wereld'. Hij zag hier, in 1912 in 'het houten tentoonstellingsgebouw van de schildersbent die ons enkele jaren omhoogtilde in de vaart der volkeren', de doeken van Jan Toorop, Piet Mondriaan, Lodewijk Schelfhout en Jacoba van Heemskerck. Tientallen jaren later herinnerde Van Schagen zich nog de sensatie die hem toen overviel: een sensatie 'van grote wijdheid, van iets onbeschrijfbaar groots en lentelijks. Ik heb dat nooit meer zo sterk gehad.'

Het geheel maakt op het hedendaagse publiek natuurlijk een andere indruk dan destijds. De kubistische schilderijen van Schelfhout en Van Heemskerck horen niet meer tot het 'ultramoderne' en zullen geen schok meer teweeg brengen. Toch is deze tentoonstelling een grote verrassing: nog nooit werd in een museum het verleden zo dichtbij gebracht als hier in Domburg, waar de bezoeker zich werkelijk waant in 1912.

De bouw van het houten expositie-paviljoentje in de duinen was in 1911 een initiatief van Jan Toorop, die van 1903 tot 1924 elk jaar een paar weken of maanden in Domburg logeerde. Hij verzamelde in het afgelegen, mondaine badplaatsje een kring van bevriende schilders om zich heen, onder wie Piet Mondriaan - die tussen 1908 en 1915 vaak in Domburg kwam werken - Jacoba van Heemskerck en Ferdinand Hart Nibbrig. Hij gaf er les aan Otto van Rees, aan de Domburgse schilderes Mies Elout-Drabbe en ook aan zijn dochter Charley. Charley Toorop vertelde later hoe ze in de Domburgse zomers begon te schilderen: “Met vader mee naar buiten. Eerst kleine aquarelletjes, ik kreeg toen een beetje les van hem, maar spelenderwijs. Toen ging ik er met olieverf alleen op uit en schilderde het kerkje van Domburg van alle kanten.”

Het was in Domburg elke zomer een komen en gaan van schilders die zich hier lieten inspireren door het heldere Zeeuwse licht en het landschap. Jan Toorop wist op zijn doeken prachtige lichteffecten te bereiken door de kleuren in korte streekjes en blokjes, in toetsen naast elkaar op het doek te zetten. Met deze luministische manier van schilderen had hij een grote invloed op jongere kunstenaars als Jan Sluijters en Piet Mondriaan die zich omstreeks 1908 aan een nog uitbundiger kleurgebruik overgaven.

Hoeveel invloed Toorop in Domburg ook had op de hem omringende kunstenaars, een Domburgse School is hier nooit ontstaan. Er was geen sprake van een gezamenlijk streven of van een gemeenschappelijke stijl. Schilders als Ferdinand Hart Nibbrig en Mies Elout-Drabbe pasten in hun Zeeuwse landschappen net als Toorop de stippeltechniek toe, maar dit pointillisme was toch veel beheerster, precieuzer en ouderwetser dan de schildertrant van Toorop of Mondriaan. Bovendien zouden de Domburgse schilders zich heel verschillend ontwikkelen. Toorop, die in 1905 katholiek werd, ging zich steeds meer toeleggen op religieuze tekeningen, Mondriaan bewoog zich vanaf 1910 langzaam maar zeker in de richting van de abstracte kunst, Jacoba Van Heemskerck belandde via het kubisme bij het Duitse expressionisme en Mies Elout-Drabbe zou vooral bekend worden als een fijnzinnig portrettiste. In Domburg tekende ze zowel een portret van Jan Toorop (1907) als van Piet Mondriaan (1915).

Blauwe cirkels

Toorop wilde in het door hemzelf ontworpen Domburgse expositielokaal elke zomer een verkooptentoonstelling organiseren van Walcherse en op Walcheren werkende kunstenaars. Het gebouwtje, dat in de volksmond al snel 'het kotje van Toorop' heette, was ongeveer twaalf bij zes meter groot en zag er heel eenvoudig uit. Het was een soort houten keet met bovenin aan alle zijden een rij ramen en, onder het uitstekende dak, een opening waardoor de zeewind vrij naar binnen kon waaien. Mondriaan koos de kleuren voor de buitenkant: gebroken wit met aan de voorkant, bij de grond, een drie planken brede blauwe band en onder de ramen een sobere versiering van blauwe cirkels.

Zoals de plaatselijke timmerman in 1911 voorspelde, zou het ongefundeerde keetje niet lang tegen de westerstormen bestand zijn: in 1912 was het al uit zijn voegen gewaaid en moest het worden gerestaureerd. In 1921, nadat er negen zomertentoonstellingen waren gehouden, bezweek het onder een najaarsstorm. Doordat het nu niet meer in de open duinen staat, maar op een andere plek, middenin het stadje, zal het nieuwe gebouwtje minder van de wind te duchten hebben. De door Cees Dam ontworpen reconstructie van - of beter gezegd: variant op - het kotje van Toorop is ook wel wat steviger dan het wankele voorbeeld uit 1911. Alleen de voorgevel en het interieur van het expositiezaaltje zien er net zo uit als toen. Daarachter is, in een stenen aanbouw, ruimte gemaakt voor de kassa en koffiekamer van het kleine, nieuwe museum.

Voor de eerste expositie van 1911 bracht het door Jan Toorop opgerichte tentoonstellingscomité werk van twaalf kunstenaars bijeen. Behalve Toorop en zijn dochter Charley, Mondriaan, Hart Nibbrig, Van Heemskerck en Elout-Drabbe deden ook minder bekende - op Walcheren wonende - schilders mee als Jan Heyse, Gerard Bergsma en Lucie van Dam van Isselt. In 1912 werd het gezelschap onder anderen met Lodewijk Schelfhout uitgebreid tot 15 kunstenaars die samen 82 schilderijen, aquarellen en tekeningen inzonden. Later, vanaf 1916, werd het uitgangspunt om alleen Walcherse of op Walcheren werkende kunstenaars uit te nodigen losgelaten en konden ook schilders van buiten het schiereiland meedoen. Op de lijsten van exposanten zijn ondermeer de namen te vinden van Jan Sluijters (1916), Peter Alma en Theo van Doesburg (1917) en Vilmos Huszár (1920).

In 1912 kreeg de Domburgse kunstmanifestatie voor het eerst ruime aandacht in de landelijke pers. Het Algemeen Handelsblad meldde: “Wat deze expositie zeer interessant maakt, vrij wat belangwekkender dan menige die wij in Den Haag te zien krijgen, is de groote verscheidenheid van opvattingen die hier is vertegenwoordigd in een zeer klein bestek.”

Het terugvinden van de 82 werken die in 1912 werden getoond en het reconstrueren van de toenmalige expositie moet een heidens karwei zijn geweest. Het catalogusje, of Programma, zoals het heette, vermeldde wel de namen van de deelnemers, de titels van hun werken (en ook de verkoopprijzen), maar bij titels als Bloemen, Landschap, of Stilleven, was het vaak moeilijk uit te maken wat daar precies bijhoorde. Geholpen door krante-artikelen, Jan Toorops openingstoespraak bij de expositie - die het Algemeen Handelsblad in zijn geheel afdrukte - en foto's lukte het de kunsthistorica Jacqueline van Paaschen om in musea en particuliere collecties een groot deel van het werk op te sporen en dit op dezelfde manier aan het publiek te tonen als in 1912. In een enkel geval, wanneer een schilderij of tekening verdwenen is, was ze genoodzaakt te zoeken naar een alternatief werk van de betreffende kunstenaar.

Hoewel de wanden van het lokaaltje zijn volgestouwd met kunst - volgens het recept van weleer hangt alles in drie rijen boven elkaar tegen een brede strook jute - wordt de bezoeker meteen na binnenkomst getroffen door een wonderlijke rust en sereniteit die hier heersen, misschien wel veroorzaakt door het licht, dat door de ramen onder het dak van alle kanten gelijkmatig naar binnen valt. Het is ook verbazend hoeveel mooier de werken tegen het bruinige jute uitkomen dan tegen de witte wanden die we in musea gewend zijn. Doordat de tekeningen en schilderijen niet naar hun thema's zijn gerangschikt maar naar de makers, stoort de dichte opeenhanging geen moment. Integendeel: de zeven werken van Mondriaan, met hun lichtblauwe, gelige en roze tinten, lichten bijvoorbeeld helder op tussen de donkerder doeken van Charley Toorop en Lodewijk Schelfhout die zijn inzending flankeren. Het werk van andere deelnemers sluit juist subtiel op elkaar aan, zoals bij Mies Elout-Drabbe, Jan Toorop en Ferdinand Hart Nibbrig, die alle drie portretten en gepointilleerde landschappen naar de tentoonstelling stuurden.

Kalmere broeders

Een toenmalige recensent merkte op dat wie het zaaltje betreedt 'eerst het werk der kalmere broeders' ziet. Daarmee doelde hij ondermeer op de zeegezichten in Haagse School-stijl van de Middelburgse schilder W.J. Schütz en de Walcherse meisjesportretten van Gerard Bergsma. Dit conventionele werk neemt maar een klein deel van de expositie in beslag. Vanaf het kubistische portret dat Jan Toorop in 1912 van Arthur van Schendel maakte, valt de bezoeker van de ene verrassing in de andere. Zo hangt het in pre-rafaëlitische stijl geschilderde doekje Middagstilte van Jan Heyse waarop twee kinderen in klederdracht soezerig uitkijken naar een dorp in de verte, naast een onheilspellend, met dramatische streken neergezet Landschap dat Charley Toorop in 1910, toen ze 21 was, schilderde.

Piet Mondriaan heeft maar twee maal meegedaan aan de Domburgse exposities, in 1911 en 1912. In het voorjaar van 1912 was hij van Amsterdam naar Parijs verhuisd, waar zijn eerste kubistische werken ontstonden. In Domburg liet hij die niet zien, hij toonde hier enkele tekeningen en schilderijen die hij in 1909 en 1910 in Domburg had gemaakt. In deze periode, omstreeks 1910, maakte het luminisme bij hem plaats voor een rustiger manier van schilderen, zoals goed te zien is in het uit blauwe kleurvlakken en enkele geel-roze contouren opgebouwde doek Duin V. Mondriaan zocht in deze tijd naar een harmonie tussen kleur en vorm, waarbij hij aan de verschillende kleuren en de omhooggaande, liggende of gebogen vormen allerlei, aan de theosofie ontleende, betekenissen toekende.

In 1912 waren de kubistische doeken van de net als Mondriaan in Parijs wonende schilder Lodewijk Schelfhout en de door hem beïnvloedde Jacoba van Heemskerck het meest opzienbarend. Hoewel de mysterieuze, grijs-groene landschappen van Van Heemskerck nog steeds indruk maken, dringt nu, tachtig jaar later, Mondriaan hen toch naar de achtergrond met zijn werk 'vol frissche en forsche schoonheid en klare kleuren en grootsch lijnbeweeg', zoals Jan Toorop het in zijn openingstoespraak typeerde.

Als aanvulling op de gereconstrueerde 'Tentoonstelling van Schilderijen' in Domburg is in het Zeeuws Museum te Middelburg de expositie Mondriaan en Toorop temidden van hun tijdgenoten in Domburg ingericht. Hier wordt met schilderijen van onder anderen Mondriaan, Jan en Charley Toorop, Leo Gestel, Jan Sluijters en Otto van Rees een klein overzicht gegeven van de luministische en kubistische kunst in Nederland. Anders dan de titel van de tentoonstelling aangeeft, is de relatie met Domburg soms ver te zoeken. Zo werkte Leo Gestel nooit in Domburg en is het wat vreemd om hier wel een Blaricumse molen van Mondriaan aan te treffen (Molen, 1908), maar bijvoorbeeld niet zijn Domburgse Rode molen uit 1910. Ook ontbreekt helaas al zijn door Domburgse motieven - de strekdam in zee, het kerkje - geïnspireerde kubistische en naar het abstracte neigende kunst.

Van die Domburgse motieven zijn er verschillende nog in het echt te bezichtigen, tot en met het uitzichtrijke plekje in de duinen waar Mondriaan bij het vallen van de avond met zijn schetsboek placht te gaan zitten. Aan dat plekje en aan het uitzicht is niets veranderd, maar van het 'levendig kunstgedoe' waar Mies-Elout-Drabbe later nostalgisch aan terug dacht, is nu niets meer over in Domburg. Daar zal zelfs het nieuwe museum weinig aan kunnen veranderen.