Het geheim van de synagoge; Jo Claes over hypocrisie en antisemitisme

Jo Claes: Het Kaïnsteken. Uitgeverij Houtekiet, 159 blz. Prijs ƒ 29,90.

Na-oorlogs, half joods, net gescheiden, ten prooi aan een midlife-crisis en op zoek naar zijn identiteit. De tragiek van een dergelijk tweede-generatie 'slachtoffer' is in de literatuur inmiddels tot cliché verworden, maar de Belg Jo Claes (1955) heeft dit thema in een verrassende vorm weten te gieten. Het Kaïnsteken is niet het zoveelste machteloze ego-document van een zielige veertiger, maar een volwaardige roman, die leest als een thriller.

De naamloze man om wie het verhaal draait, heeft in korte tijd zowel zijn moeder als zijn vrouw verloren. De moeder is dood, de echtgenote is er met een ander vandoor en het radeloze slachtoffer besluit op zoek te gaan naar zijn herkomst. Zo belandt hij in het godverlaten Toscaanse dorp Monte San Lorenzo, de geboorteplek van zijn moeder, waar nooit een toerist komt en waar ook geen hotel te vinden is.

Een verzameling goed gekozen en mooi uitgewerkte coïncidenties zorgt ervoor dat de man al snel na aankomst in het dorp als ongewenste vreemdeling wordt beschouwd. De afschuwelijke geschiedenis die zijn joodse moeder zo'n vijftig jaar geleden uit Italië heeft verdreven, dreigt zich zelfs te herhalen.

Aan Monte San Lorenzo kleeft een smet: de herinnering aan een collectieve misdaad, waarvan de ruïne van een nooit gerestaureerde synagoge de stille getuige is. Alle dorpelingen weten wat er gedurende de oorlog met die synagoge is gebeurd, maar buiten het dorp kent niemand het geheim dat de bewoners delen. Dat wil men het liefst zo houden en het is dan ook bedreigend als zich opeens een buitenlander meldt die de synagoge wil kopen om het gebouw in zijn oude glorie te herstellen. Als dan ook nog eens blijkt dat de man een jood is die wellicht wraakgevoelens koestert en vergelding zoekt, keert het dorp zich tegen hem. De bevolking, al wekenlang geplaagd door een hittegolf die de gewassen doet verdorren en de watervoorraad heeft uitgeput, heeft een zondebok gevonden. Om hun ook door allerlei andere oorzaken aangewakkerde onlustgevoelens te kunnen afreageren, beginnen de dorpelingen een jacht op de vreemdeling.

Jo Claes, die na zijn bekroonde debuut De stenen toren uit 1986 nog drie romans publiceerde, ontrafelt de motieven van de plaatselijke bevolking vakkundig. Hij legt de nadruk op de psycho-sociale omstandigheden waaronder in bepaalde gemeenschappen het antisemitisme onverhoeds kan ontvlammen.

Maar hoe zit het met de indringer, de hoofdpersoon? De drijfveren van deze na-oorlogse blonde Belg, die een allesbehalve joods uiterlijk heeft en katholiek werd opgevoed, zijn interessanter dan die van zijn tegenspelers. Waarom wil hij de vervolging van zijn moeder aan den lijve ondervinden? Handelt hij uit respect voor haar, die hem heeft geleerd dat het vergeten van je verleden neerkomt op het ontkennen van je bestaan? Inderdaad heeft hij het gevoel dat hij door de dood van zijn moeder geen geschiedenis meer heeft, terwijl als gevolg van zijn echtscheiding ook de toekomst leeg voor hem ligt.

In wezen treurt de man echter niet om zijn huwelijk, zijn moeder of de holocaust, maar om de middelmatigheid van het bestaan, waar zelfs de liefde hem niet bovenuit heeft kunnen tillen. En omdat zijn moeder hem heeft verteld dat geluk de mens niets leert, zoekt hij het ongeluk op: de slachtofferrol en het zelfmedelijden.

Onwillekeurig herkent men in de hoofdpersoon het archetype van een 'politiek-correcte' figuur, iemand die parasiteert op het leed van een vorige generatie en hieraan een met grote ijver uitgedragen waardenpatroon ontleent. In schijn om de wereld te verbeteren, maar in werkelijkheid om er zelf interessanter op te worden.

Het Kaïnsteken geeft een scherp beeld van deze, in de generatie der babyboomers herkenbare houding, deze irritante neiging tot politiek correct gedrag. Voor mij ontleent de roman hieraan zijn kracht, hoewel het in het verhaal eigenlijk een bijkomstigheid is, een misschien wel onbedoeld neven-effect. Het accent ligt veeleer op de hypocriete dorpsbewoners. Psychologische diepgang bereikt Claes vooral in de beschrijvingen van hun worsteling met het geheim van de synagoge. De motieven van de hoofdpersoon werkt de schrijver veel minder uit en de passages die hem reliëf moeten geven, vormen zelfs de zwakste gedeelten van het boek.

Het gebrek aan complexiteit van het voornaamste karakter in de roman wreekt zich vooral aan het slot van het verhaal. Wat als een thriller begint en tot aan de ontknoping ook werkelijk blijft boeien, eindigt als een banale moraliteit. De Toscaanse dorpelingen worden gedwongen hun zonden onder ogen zien, dankzij de joodse indringer die zich van een getormenteerde zielepoot heeft ontwikkeld tot een zegenbrengende christusfiguur