Heimwee naar de oude sliep-uitgrappen; Psychiatrisch portret van Peter Sellers

Roger Lewis: The Life and Death of Peter Sellers. Uitg. Century/Random House, 818 blz. Prijs ƒ 56,75.

Peter Sellers was een onaangenaam mens. Uit vorige biografieën wisten we al hoe emotieloos hij voor zijn omstanders leek, hoe onverdraaglijk hij voor zijn tegenspelers kon zijn, hoe wispelturig hij werd en hoezeer hij vrouwen en kinderen onder zijn contactgestoorde gedrag liet lijden. Hij was een genie, dat zich gedroeg als een verwend kind. Zelf zei hij liever dat hij leeg was, een man zonder afkomst of eigenaardigheden die zich telkens kon vullen met de karaktertrekken van de personages die hij te spelen kreeg, omdat geen enkele eigen karaktertrek hem in de weg zat. Maar dat ging alleen over zijn techniek, schreven die andere biografen al. De waarheid was dat hij zelf wel degelijk karaktertrekken had - en dat die voornamelijk onprettig waren.

Aan de globale informatie die daarover dus al ruimschoots voorradig is, heeft de Britse letterkundige Roger Lewis nu een boek van meer dan 800 pagina's toegevoegd - een bij voorbaat moedeloos makende omvang, die bij lezing nog des te zwaarder op het gemoed gaat drukken. Het moet de definitieve biografie over Peter Sellers zijn, want alles staat erin, tot en met het adres van de verloskundige die hem ter wereld bracht, het moment van de eerste erectie en de weersgesteldheid tijdens de begrafenis (het onweerde). En bijna alles wordt ook geïnterpreteerd alsof Lewis een psychiatrisch portret moest schrijven in plaats van het levensverhaal van een geliefd filmacteur. Eén van de meest geciteerde bronnen in deze biografie is dan ook een boek dat Abnormal Psychology heet.

Het is, laat ik dat meteen maar zeggen, een onaangenaam boek. Natuurlijk heeft dat mede te maken met de logische afweerreactie van een Sellers-bewonderaar die zijn held liever niet als een slecht mens beschreven ziet. Maar het is meer dan dat: het komt vooral ook door de opgeblazen gewichtigheid van de biograaf die alle rollen freudiaans tracht te interpreteren, dubieuze sweeping statements poneert ('misschien dacht hij dat hij, als hij in films rollen van oude mannen speelde, in het werkelijke leven jong zou blijven'), pagina's lang doorzevert over de theorie dat Sellers in die films de dingen deed die hij in werkelijkheid óók had willen doen, zonder goede aanleiding pedante meningen geeft over andere acteurs en suggestieve vragen stelt ('was Sellers homoseksueel?') waarop pas zeven pagina's later een ontkennend antwoord volgt. Bovendien vindt Lewis het deftig om zijn lezers er telkens aan te herinneren hoeveel werk hij heeft verricht en hoeveel moeite het soms kostte bepaalde films te zien of mensen te vinden. En wat me misschien het nog het meest stoort, is zijn kennelijke onwil om zich in zijn hoofdpersoon te verplaatsen. Hij zegt de acteur te bewonderen, maar zijn toon is vijandig.

Dreinen

Vanzelfsprekend heeft Lewis' uitputtende research nieuwe gegevens opgeleverd. Bijvoorbeeld over de dominerende rol van Sellers' moeder, die haar zoontje verwende en pousseerde, tot er weinig meer overbleef dan een verpest krengetje zonder vriendjes van zijn eigen leeftijd. Al op jeugdige leeftijd wist hij dat hij zijn zin kon krijgen door te dreinen en te manipuleren. Hij moet daar later een meester in zijn geworden. Ook maakt Lewis aannemelijk dat Peter Sellers zich in de jaren vijftig in de Goon Shows voor de BBC-radio voor het eerst (en voor het laatst) heeft thuisgevoeld in een sfeer van cameraderie. Met toenmalige collega's als Spike Mulligan en Harry Secombe deelde hij de oorlogservaringen in het geallieerde leger en maakte sliep-uit-grappen over de generaals en de luitenanten die daar hun autoriteit hadden doen gelden. Die saamhorigheid heeft Sellers elders nooit meer teruggevonden; het is alsof er in die radio-jaren een probleemloze explosie van speelsheid plaatsvond die in de films - met hun logge logistiek - niet meer kon worden geëvenaard. Dat is, bedenk ik, voor hem misschien een levenslange frustratie geweest.

Lewis omschrijft zijn onderwerp als 'de grote acteur die zelden in iets goeds optrad'. Dat is overdreven, maar niet helemaal onjuist. Zelfs de artistieke climax in Being There werd kort voor zijn dood, in 1980, nog gevolgd door het misbaksel The fiendish plot of Dr. Fu Manchu. De biograaf werpt echter ook de onvergetelijke inspecteur Clouseau op die hoop van filmische slechtigheid. Hij gaat meesmuilend voorbij aan de kwaliteiten van Sellers' grootste publiekssucces en staart zich blind op de Pink Panther-uitmelkerij waaraan regisseur Blake Edwards zich later heeft bezondigd. Daarmee is Clouseau onrecht gedaan. Zelf heeft Sellers naar waarheid gezegd dat hij a sad and serious man speelde, die schier onaangedaan en schijnbaar immuun voor alle rampen door zijn scènes liep. Clouseau kon er niets aan doen dat hij grappig was - hij was niet grappig om wat hij deed, maar om de manier waarop hij reageerde op wat anderen deden. In die comedy of reactions school de kunst van Peter Sellers.

Iemand met zoveel deernis voor de mannen die hij speelde, kan niet alleen maar een slecht mens zijn geweest. Het kille beeld dat Roger Lewis optrekt, moet op zijn minst eenzijdig zijn. Maar dat Sellers zijn emotionele bagage vaker voor zijn rollen gebruikte dan in zijn privé-leven, staat vast.