Haïtiaans exorcisme volgens Carter

Het moet voor de andere aanwezigen een onvergetelijk moment zijn geweest toen oud-president Carter zijn Haïtiaanse gesprekspartner luitenant-generaal Raoul Cédras zondagmiddag tijdens urenlange onderhandelingen toevoegde dat hij zich schaamde voor de politiek van zijn land. De diplomatie is wel vaker het werkterrein van verscheurde zielen, maar een zo brede kloof tussen missie en afgezant als Carter toonde, zal wel uitzonderlijk zijn. Hoewel niet voor Carter die destijds naar eigen zeggen de niet-Amerikaanse leden van de Veiligheidsraad, op mrs. Thatcher na, schriftelijk had opgeroepen president Bush niet te steunen bij diens voorgenomen oorlog tegen Irak. Trouwhartig had hij Bush een kopie gestuurd.

Toen president Clinton eind vorige week in de gaten kreeg dat ondanks zijn voor de junta vernietigende televisierede een invasie in Amerika onpopulair bleef, heeft hij de hulp van Carter gezocht om alsnog een uitweg-zonder-gebruik-van-geweld te vinden. Vervolgens heeft Carter de Amerikaanse regering op sleeptouw genomen en voor voldongen feiten geplaatst zoals hij ook al eerder dit jaar had gedaan toen hij uit Noord-Korea terugkeerde met de boodschap dat de crisis (over de Noordkoreaanse kernbom) voorbij was.

Carter heeft na terugkeer uit Port-au-Prince gezegd dat hij zich al langer had geërgerd aan de onverzoenlijke houding van Washington tegenover de Haïtiaanse junta. Volgens de oud-president was Cédras niet het monster dat Clinton vorige week in zijn rede schilderde, en bovendien viel er naar zijn mening met de generaals te praten, zolang hun militaire eer maar gespaard werd. Hij had generaal Powell in zijn delegatie opgenomen om het vertrouwen te winnen van de Haïtiaanse officieren.

De directe consequenties van het lankmoedige optreden van Carters vooruitgeschoven crisisteam waren overigens nogal bizar. Aanhangers van Haïti's rechtmatige president Aristide, die de Amerikaanse militairen als bevrijders kwamen begroeten, werden ten overstaan van diezelfde militairen door de ordetroepen van de junta in elkaar geslagen. Er viel daarbij een dode. De armzalige pogingen komen in gedachten om in samenwerking met de aanstichters van de ellende in Bosnië en Somalië het bloedvergieten in die landen te stoppen. Ditmaal dus een Haïtiaanse variant op het uitdrijven van de duivel met Beëlzebub.

De eerste reactie op Carters akkoord met de generaals was het aftreden van Dante Caputo, de VN-vertegenwoordiger voor Haïti. Onder zijn auspiciën was begin juli vorig jaar de zogenoemde overeenkomst van Governor's Island gesloten waarin de militairen zich hadden verplicht mee te werken aan de vreedzame overdracht van de macht aan de rechtmatige autoriteiten en aan het herstel van de werkzaamheden van het wettig gekozen parlement. Volgens het akkoord zouden politie en strijdkrachten van de grond af worden opgebouwd met het oogmerk voorgoed afscheid te nemen van het illegale verleden van sluipmoord op en foltering van politieke tegenstanders door de ordetroepen.

Op de weigering van de Haïtiaanse generaals om hun gegeven woord ook na te komen is het afgelopen jaar een reeks van Veiligheidsraad-uitspraken gevolgd waarin de druk op de junta steeds verder werd opgevoerd. In de sanctieresolutie van 6 mei jl. wordt bijvoorbeeld voor de eventuele beëindiging van de strafmaatregelen als voorwaarde gesteld het aftreden of het vertrek uit Haïti van de hoogste militaire en politiële leiders. In de daarop volgende resolutie van 31 juli die het mandaat verleent voor gewapende actie, wordt die voorwaarde ondubbelzinnig verengd tot vertrek.

In het zondag door Carter bereikte akkoord is op aandringen van Clinton 15 oktober genoemd als de datum waarop de junta moet zijn afgetreden. Maar verder blijft alles daaromtrent in het vage. Inmiddels zijn de Haïtiaanse generaals dank zij Carter en met Clintons instemming geëvolueerd van abjecte moordenaars die gemaakte afspraken niet nakomen en zich met onwettige middelen aan de macht vastklampen tot partners in het herstel van rust en orde in het land. Hoe het Haïtiaanse parlement onder dergelijke omstandigheden tot een oordeel in vrijheid over de toekomst van dit gezelschap moet komen, is evenzeer onduidelijk. Temeer is dit een vraag omdat Carter, eveneens met instemming van Clinton, op voorhand algehele amnestie heeft verleend en de internationale sancties met onmiddellijke ingang heeft ingetrokken.

De Amerikaanse president bleek afgelopen weekeinde geen alternatieven meer ter beschikking te hebben, de slechtst denkbare positie waarin hij kon komen te verkeren. Zijn naaste adviseurs hadden hem steeds verder gevoerd op de weg van de verbale en schriftelijke escalatie, zonder de consequenties daarvan al te veel aandacht te schenken. De inschakeling van de VN in de Haïtiaanse kwestie leverde bovendien niet het succes op dat ervan werd verwacht.

President Bush smeed destijds via de Volkerenorganisatie zijn alliantie voor de bevrijding van Koeweit. De solidariteit binnen de VN hielp hem aan een alibi tegenover de Amerikaanse kiezers en volksvertegenwoordigers. Maar Clinton kwam via de VN in een doodlopende straat terecht. Op papier zag het er allemaal overtuigend uit, maar in werkelijkheid bleef de president vrijwel alleen staan. Ten slotte dwongen de opeenvolgende, steeds scherper geformuleerde resoluties van de Veiligheidsraad hem steeds verder in de richting van een invasie die het Amerikaanse volk echter bleef afwijzen. Zo verloor de president zijn manoeuvreerruimte.

Dank zij Carter heeft de Amerikaanse diplomatie dan toch nog enige lenigheid getoond. Maar daarvoor is wel een hoge prijs betaald. Alle uitspraken van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zijn immers in een klap ongedaan gemaakt. De junta is nu in feite een gelegitimeerde overgangsregering, de leden ervan gaan straks met eervol pensioen en de slachtoffers van het regime kunnen geen recht meer doen gelden. President Aristide moet maar zien hoe hij in de luttele tijd die hem nog is beschoren en onder het oog van zijn vijanden zijn presidentschap werkelijke inhoud kan geven.

De Veiligheidsraad en de Amerikaanse president hadden hun grote woorden beter voor zich kunnen houden. Wat er ook is gevestigd in Haïti, het is zeker geen democratie.