EU gaat akkoord met Europese ondernemingsraad

BRUSSEL, 23 SEPT. Na bijna vijftien jaar soebatten is binnen de Europese Unie eindelijk overeenstemming bereikt over invoering van een Europese ondernemingsraad. Bedrijven met meer dan duizend werknemers, van wie ten minste 150 bij een vestiging in een tweede EU-land, zijn in de toekomst verplicht een multinationale ondernemingsraad op te richten voor informatie en raadpleging van de werknemers.

Nadat afgelopen juni al een politiek akkoord op tafel lag, hebben de ministers van sociale zaken uit de EU-lidstaten gisteren formeel een daartoe strekkende richtlijn vastgesteld. Groot-Brittannië doet niet mee, daarbij terugvallend het Verdrag van Maastricht dat Londen toestaat om niet verder deel te nemen aan het gemeenschappelijke sociale beleid in Europa.

De verplichting om een multinationaal overlegorgaan in het leven te roepen, raakt naar schatting zo'n 1.200 ondernemingen met in totaal 4,5 miljoen werknemers in dienst. In Nederland zouden 83 multinationals onder de nieuwe richtlijn vallen. Verder gaat het vooral om bedrijven in Duitsland, Italië en Frankrijk. Ook Britse bedrijven met verschillende vestigingen in EU-lidstaten buiten Groot-Brittannië moeten aan de richtlijn gehoorzamen. Ondernemingen als Volkswagen, Airbus en Bull die al een eigen 'Euro-or' kennen, kunnen die in de huidige vorm behouden.

Het akkoord over de richtlijn betekent een verlaat succes voor de Nederlandse politicus Henk Vredeling, die als Europees commissaris voor sociale zaken begin jaren tachtig het eerste voorstel voor een multinationale ondernemingsraad op tafel legde. Maar door de enorme weerstand van werkgeverszijde verdween het onderwerp in de jaren daarna van de agenda.

De Europese Commissie zag er pas in 1990 brood in om opnieuw het initiatief te nemen voor een 'Euro-or', daarbij inhakend op de lancering van de Europese interne markt. Vervolgens is er vooral onder het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie, in de tweede helft van afgelopen jaar, hard aan getrokken. Nadat duidelijk was geworden dat Groot-Brittannië zijn principiële verzet tegen Europese regelgeving niet zou opgeven, heeft de Europese Commissie nog een poging gedaan om via consultaties met werkgevers en werknemers in Europa tot een vrijwillige regeling te komen. Maar eind maart van dit jaar werd een compromis tussen de werkgeversvereniging UNICE en de werknemersorganisatie EVV getorpedeerd door de Britse werkgevers. Voor de Commissie en de andere elf EU-lidstaten bleef er toen niets anders over om een regeling te treffen zonder participatie van Groot-Brittannië.

Het nu aangenomen voorstel schrijft geen strak keurslijf voor. De EU-lidstaten krijgen twee jaar de tijd om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving. Bedrijven en vakbonden hebben dan nog drie jaar de tijd om naar eigen inzicht een regeling uit te werken voor het informeren en raadplegen van werknemers.