Droevige wensen; De verjaardag van de tor

De tor vierde zijn verjaardag het liefst somber en zwartgallig. Vrolijkheid lag hem niet en van gezelligheid kreeg hij pijn in zijn neus.

Op zijn verlanglijst stonden droevige wensen: geknakte wilgetakken, een bedorven stoel, een bosje versleten bomen. En hij vroeg iedereen om tijdens het vieren ernstig te kijken, zijn wenkbrauwen steeds gefronst te houden en nergens om te lachen. Treuren was nog het beste.

Hij was ook alleen jarig als het koud was en regende.

Op een dag was het zover.

Zwijgend en met gebogen hoofden begaven de dieren zich op weg naar de tor.

Regen striemde alle ruggen.

De tor stond voor zijn deur. Somber wensten de dieren hem geluk.

'Wat een nare dag, tor,' zeiden ze.

'Wens me maar zo min mogelijk,' zei de tor. 'En zeker geen geluk.'

Daarna zaten ze buiten, in het koude, natte gras, en aten aangebrande taart van lang geleden. De kikker kwaakte iets vals, en de krekel en de kever dansten, terwijl ze elkaar op de tenen trapten en 'au' riepen. Het leek nergens op - dat had de tor het liefst.

De vlinder snikte luid en langdurig en de tor keek hem bedroefd en dankbaar aan.

Tegen de avond hield het op met regenen en brak de zon door. 'Ik ga naar binnen', zei de tor.

De dieren gingen naar huis. Zwaar en somber sjokten ze door het dampende bos. De tor wuifde hen nog na, uit zijn deuropening, met een zwart zakdoekje dat hij van de kraai had gekregen. Maar niemand keek om.

En nu? dacht hij, terwijl hij naar binnen ging en naar zijn doorgezakte stoel keek. Ik weet het niet, dacht hij toen, en hij kon zich niet herinneren dat hij ooit iets anders had gedacht.