De zoektocht van een mislukt jongetje; Geheimzinnige ontwikkelingsroman van Jacq Vogelaar

Jacq Vogelaar: Weg van de pijn. Uitgeverij De Bezige Bij. 272 blz. Prijs:ƒ 39,50.

Het heeft iets aandoenlijks als een schrijver in een volgend boek terugkomt op een personage dat er in het vorige maar wat bijhing, dat wel genoemd werd, maar niet tot zijn recht kwam. Uit wie weet welk verantwoordelijkheids- of schuldgevoel gunde Jacq Vogelaar het jongetje Theo dat op zeker moment zelfs spoorloos uit het verhaal verdween, een herkansing en zelfs een hoofdrol in zijn nieuwe roman Weg van de pijn. “Op het laatst was hij elf of twaalf,” merkt zijn zusje Nora, de heldin van De dood als meisje van acht (1991) over hem op, “en hij kwijlde steeds meer en zijn hoofd en zijn tong zaten steeds losser.”

Elf, dat is hij ook als we echt met hem kennis mogen maken. Al snel wordt duidelijk dat de door de schrijver tot Ben omgedoopte Theo nog steeds niet helemaal normaal is. Hij voldoet niet aan het beeld dat men van 'tienplussers' heeft. “Elke elf moest op een elf lijken, ook als elf wat trager, wankeler, onberekenbaarder en onwilliger uitviel dan van een tienplusser verwacht mocht worden.” Er gaat ogenschijnlijk niets van hem uit, zijn mond staat meestal open, hij heeft een 'verkeerd oor', en een knobbel op zijn voorhoofd. Zichzelf beziet hij smalend als een 'gratenpakhuis met z'n rooie oogjes, kruloren en te grote tebbis op 'n geknakte jammerhals'.

Je zou hem een onmogelijke hoofdfiguur kunnen noemen, dit mislukte jongetje, dat ook nog eens door zijn moeder wordt verstoten. Zij geeft iemand uit het dorp, Moorgat, de modderpoel die Vogelaar in alle geuren en kleuren opriep in De dood als meisje van acht, opdracht hem af te leveren bij zijn vader, die hij na zijn vierde niet meer heeft gezien. Maar de vader is niet, of nog niet bereid zijn verloren zoon te ontvangen. Zijn begeleider, Jean, ook een oude bekende, ontfermt zich tegen wil en dank over de plotseling verweesde Ben en dan begint een lange, onduidelijke reis, naar een Oosteuropees land dat geen naam krijgt, en een zoektocht naar vroeger en een eigen identiteit. Aanvankelijk lijkt de reis vooral een persoonlijke queeste van Jean, met Ben in zijn kielzog als sta-in-de-weg, maar ergens halverwege worden de rollen omgedraaid en ervaart de jongen zijn reisgenoot steeds meer als een soort vader die hij op zijn rug moet meezeulen op weg naar zichzelf.

Zoals De dood als meisje van acht vooral een vrouwengeschiedenis was, gewijd aan de moeizame verhouding tussen dochter en moeder, zo is Weg van de pijn een mannenaangelegenheid. Op het eerste gezicht doet deze roman wat stoerder en afstandelijker aan. Maar tegelijkertijd is hij minder gewelddadig dan zijn pendant. Er vallen deze keer geen doden, er worden geen kwaadaardige varkens van stal gehaald en ook hoeft er geen brand te worden gesticht om het verhaal nog meer kracht bij te zetten. Ook zonder dit alles weet Vogelaar aannemelijk te maken dat de mensen elkaar het leven meestal zuur maken.

De jongen en de volwassen man, die eigenlijk ook nooit een vader heeft gehad, kampen allebei met een gemis aan liefde, warmte en geborgenheid. Hoewel ze veel met elkaar gemeen hebben en Jean er ongeveer net zo mislukt uitziet als Ben met zijn schriele lijfje, zijn kale, rimpelige hoofd en zijn versleten overall, houden ze een zorgvuldige afstand tot elkaar in acht. Ze praten weinig, raken elkaar zo min mogelijk aan en houden van alles voor elkaar achter. In zekere zin is dat ook wel nodig, want de twee reisgenoten neigen ertoe samen te vallen, in het hoofd van Ben althans, door wiens kinderlijke blik wij de gebeurtenissen zien. Als hij Jean hoort praten of gebaren is het soms net of hij zichzelf hoort praten of ziet, in Jeans levensgeschiedenis herkent hij de zijne, en net als Jean heeft hij twee stemmen in zich: een stem die wil gehoorzamen en een stem die dwarsligt. Die gespletenheid van Ben, die zijn volgzame ik 'hij', 'hummes' en later 'Boy' noemt, heeft Vogelaar overtuigend en geestig weten te verbeelden. Met argusogen neemt het denkende jongetje zichzelf waar: als een halve gare of als een circusbeer, als iemand die hoe dan ook onvoldoende is toegerust voor het leven.

Kinderlijk perspectief

Zijn geheimzinnige schoonheid en indringendheid ontleent deze ontwikkelingsroman, net als zijn voorganger, voor een belangrijk deel aan het kinderlijke perspectief dat Vogelaar koos. Wel wordt dat perspectief af en toe abrupt onderbroken door korte intermezzo's waarin een al wat oudere 'ik' figureert, die zich aan het eind van de roman ontpopt als een halfbroer van de jongen, mogelijk als aanknopingspunt voor een nieuwe roman, als derde deel van een langzaam uitdijend epos. Niet de feiten doen er hier toe, maar de gevoelens die ze oproepen, niet de gebeurtenissen, maar de vele vragen die ze teweegbrengen, niet het reisdoel, maar de richting die wordt uitgegaan: eerst naar het oosten en vervolgens terug naar het westen. Mooi vaag blijven de plaatsen die de reisgenoten aandoen en met een enkel woord worden dramatische voorvallen afgedaan.

Toch is het zeker niet zo dat de reis, die een groot gedeelte van de roman in beslag neemt, in een soort luchtledig blijft steken. Vogelaar heeft een fraai midden weten te houden tussen abstract en concreet. Existentiële overpeinzingen wisselt hij af met meer verhalende elementen, min of meer tijd- en ruimteloze episoden met wat je echte gebeurtenissen zou kunnen noemen: een nacht in een politiecel, een ooroperatie of een ontluisterende ontmoeting met de vader.

Geregeld heeft Vogelaar een verrassing in petto. Zo blijkt de slome Ben, in terloopse tussenzinnetjes, heel wat gewiekster, slimmer en veerkrachtiger te zijn dan hij eruit ziet, en ontwikkelt hij zich, tegen alle klippen op, tot een steeds zelfbewustere jongen die zich niet meer bij het minste of geringste uit het veld laat slaan.

Dat is ook meteen wat deze in aanleg droevige roman mooi en opwekkend maakt: de onoverwinnelijke levensdrift die eruit spreekt, het onverwoestbare optimisme dat iemand op de been houdt ook al zit alles tegen. Het jongetje is vastbesloten iets te willen en terug te vinden wat hij ooit is kwijtgeraakt, hoezeer de wereld hem ook lijkt af te wijzen. Daarbij heeft hij, zoals de dubbelzinnige titel suggereert, nog een pijnlijke weg te gaan. Maar op den duur zal hij misschien ook de pijn kunnen vergeten die hem is aangedaan.