'De Nederlandse regering heeft gedaan wat zij kon'

Hieronder volgt de letterlijke tekst van de verklaring over de executie van Johannes van Damme, die minister Van Mierlo vandaag aan de Tweede Kamer heeft gestuurd.

De regering heeft met gevoelens van grote teleurstelling en afschuw kennis genomen van het bericht dat hedenmorgen te Singapore het doodvonnis is voltrokken aan de Nederlander Johannes van Damme. In het bijzonder gaan de gedachten van de regering uit naar de familieleden van de heer Van Damme. [..]

Op 26 april 1993 werd de heer Van Damme door de rechter schuldig bevonden aan overtreding van de Singaporese wetgeving tegen het bezit van narcotica en ter dood veroordeeld. Op 23 november 1993 heeft het Hof van Appel zijn beroep verworpen. Vervolgens heeft de heer Van Damme op 5 mei 1994 een gratieverzoek ingediend bij president Ong Teng Cheong van Singapore. Op 7 juli wees de president het gratieverzoek af. Op 21 september 1994 diende de advocaat van de heer Van Damme een verzoek tot uitstel van executie in, dat op 22 september werd afgewezen.

Vanaf het moment van de arrestatie werd aan de heer Van Damme door de Nederlandse ambassade te Singapore alle mogelijke consulaire bijstand verleend. Deze bestond onder meer uit regelmatige bezoeken aan de heer Van Damme in de gevangenis, hulp aan de verdediging bij het verkrijgen van informatie uit Nederland en Nigeria en de begeleiding van de familieleden die deheer Van Damme bezochten. Bij de zorg voor de heer Van Damme heeft de ambassade nauw samengewerkt met de sociaal raadsman, de heer Van Bladel, die de heer Van Damme tot grote steun is geweest. Voorts heeft de ambassade zich er van vergewist dat het proces op een zorgvuldige en correcte wijze is verlopen. In Nederland heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken intensief contact onderhouden met familieleden van de heer Van Damme.

Al tijdens het proces heeft de toenmalige minister-president, de heer Lubbers, contact over deze kwestie gehad met het voormalige staatshoofd van Singapore, de heer Lee Kuan Yew. Tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september 1993, heeft de vorige minister van buitenlandse zaken, de heer Kooijmans, de zaak van de heer Van Damme besproken met zijn Singaporese ambtgenoot.

Toen de heer Van Damme een gratieverzoek indiende, heeft de Nederlandse regering dit verzoek op humanitaire gronden ondersteund, zowel per diplomatieke nota als in een brief van 11 mei 1994 van minister Kooijmans aan zijn Singaporese ambtgenoot. Op 20 mei 1994 schreef minister-president Lubbers een brief van gelijke strekking aan de premier van Singapore, de heer Goh Chok Tong. Eveneens is in een aantal contacten die tussen Nederlanders en vooraanstaande leden van de Singaporese samenleving plaatsvonden op informele wijze aandacht gevraagd voor het gratieverzoek van de heer Van Damme.

Ondanks de inspanningen aan Nederlandse kant werd het gratieverzoek van de heer Van Damme afgewezen. In de antwoorden van de Singaporese minister-president en de minister van buitenlandse zaken aan hun Nederlandse collega's gaven zij te kennen begrip te hebben voor de Nederlandse opvattingen ten aanzien van de toepassing van de doodstraf. Tegelijkertijd, zo stelden zij, zagen zij zich verplicht om de Singaporese wetgeving volledig en in gelijkheid toe te passen.

Kort daarna werd nog een poging ondernomen om Singapore te bewegen van de tenuitvoerlegging van de doodstraf af te zien. Op 8 juli 1994 richtte Hare Majesteit de Koningin een appel tot de President van Singapore om - met eerbiediging van het Singaporese rechtssysteem - op humanitaire gronden alsnog de heer Van Damme clementie te verlenen. Ongeveer tegelijkertijd ondernam het voorzitterschap van de Europese Unie namens de Twaalf een démarche bij de Singaporese autoriteiten met een verzoek om clementie voor de heer Van Damme.

Op 6 september jl. deelden de Singaporese autoriteiten mee dat clementie voor de heer Van Damme opnieuw in de ministerraad van Singapore uitvoerig aan de orde was geweest. Na een zorgvuldige afweging was de Singaporese ministerraad echter andermaal tot de conclusie gekomen dat er geen sprake was van verzachtende omstandigheden, zodat het verlenen van gratie niet tot de mogelijkheden behoorde. Het antwoord van de President aan Hare Majesteit liep langs dezelfde lijnen. Aan onze ambassade werd uiteengezet dat de Singaporese autoriteiten ervan overtuigd zijn dat alleen een zeer strenge aanpak van de drugshandel kan voorkomen dat Singapore een distributiecentrum wordt voor drugslijnen in de regio en andere delen van de wereld. Bovendien werd uiteengezet dat de Singaporese regering het uit het oogpunt van het gelijkheidsbeginsel niet juist achtte om in het geval van de heer Van Damme anders te handelen dan in vergelijkbare gevallen van veroordeelden die uit de regio afkomstig waren.

Op 8 september 1994 werd de Nederlandse regering meegedeeld dat de datum voor de voltrekking van het vonnis vastgesteld was op 23 september. De volgende dag heb ik in een gesprek met de Singaporese ambassadeur de Nederlandse opvattingen uiteengezet en mijn afschuw uitgesproken over de dreigende voltrekking van het vonnis. Aangezien volgens het gebruik in Singapore de veroordeelde pas drie dagen tevoren wordt ingelicht, was de heer Van Damme zelf op 8 september nog niet op de hoogte. De regering heeft het kies geacht (mede op grond van een al eerder gedaan verzoek van de heer Van Damme zelf en de familie) alles in het werk te stellen om te voorkomen dat de datum van voltrekking van het vonnis voor 20 september bekend zou worden.

De regering is van mening dat in het geval van de doodstraf geen mogelijkheid onbenut mag blijven om uitvoering van het vonnis te voorkomen. Daarom is zorgvuldig nagegaan of niet op de een of andere wijze nieuwe feiten aan het daglicht zouden kunnen komen die de verdediging in staat konden stellen om alsnog de executie van de heer Van Damme te voorkomen of uit te stellen. In het bijzonder heeft de regering zich geconcentreerd op de vraag in hoeverre de contacten die de heer Van Damme begin 1991 op incidentele basis met de CRI heeft gehad aanknopingspunten konden bieden. Bij dit onderzoek is de Landsadvocaat mede betrokken. In dat verband heeft deze ook contact onderhouden met de advocaat van de heer Van Damme, de heer Pereira.

De bevindingen van de Landsadvocaat bevestigden dat in het voorjaar van 1991 incidentele contacten hebben plaatsgevonden tussen Van Damme en de CRI. Deze contacten betroffen overigens een financiële-fraudezaak in Nigeria, die geen verband hield met de rechtszaak tegen de heer Van Damme in Singapore. Daarnaast bleek er enige grond te zijn voor het vermoeden dat de Nigeriaanse onderwereld wellicht op de hoogte was van de contacten tussen Van Damme en de CRI. Deze bevindingen leverden geen nieuwe gezichtspunten op ten opzichte van de feiten die reeds in januari 1993 via de ambassade aan de verdediging van de heer Van Damme ter beschikking waren gesteld. De voorstelling van zaken dat de heer Van Damme als informant gerund werd door de CRI berust niet op waarheid.

Op 20 september heb ik, nadat de heer Van Damme op de hoogte was gesteld van de executiedatum, de fractievoorzitters van de Tweede Kamer ingelicht. Vervolgens heb ik de pers ingelicht over de stand van zaken. De advocaat van de heer Van Damme heeft op 21 september een verzoek ingediend voor uitstel van de voltrekking van het vonnis. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op een niet eerder in het proces gelegd verband tussen zijn zaak en de zaak van een Nigeriaan die tezelfdertijd als de heer Van Damme was aangehouden. Tevens heeft hij in het verzoek melding gemaakt van de contacten tussen de heer Van Damme en de CRI. Beide feiten waren, mede op verzoek van de heer Van Damme, niet tijdens het proces naar voren gebracht. Gesteld kan worden dat de feiten op zich niet nieuw waren, maar het feit dat de verdediging ze nu in allerlaatste instantie naar voren bracht wel nieuw was.

Eveneens op 21 september 1994 heb ik een brief aan mijn Singaporese ambtgenoot doen uitgaan, waarin ik hem vroeg te bevorderen dat de voltrekking van het vonnis alsnog zou worden uitgesteld, opdat er voldoende tijd zou zijn om eventuele nieuwe feiten goed te onderzoeken. Op 22 september 1994 is het verzoek van de advokaat door de Singaporese autoriteiten afgewezen. Ook ik ontving op 22 september een negatief antwoord. De voorzitter van de Raad van Ministers van de Europese Unie, Dr Kinkel, heeft eveneens op 22 september een laatste beroep op de President van Singapore gedaan.

De regering heeft vastgesteld dat het proces tegen de heer Van Damme correct en zorgvuldig gevoerd is. Er is daarom geen kritiek van Nederlandse zijde op de Singaporese procesgang. De Nederlandse regering erkent het soevereine recht van Singapore om de eigen wetgeving toe te passen. Nederland heeft echter sinds lang principiële bezwaren tegen de doodstraf. De regering heeft daarom gemeend om op humanitaire gronden geen inspanning onbeproefd te mogen laten om de executie van de heer Van Damme te voorkomen. De regering heeft thans met diepe teleurstelling moeten constateren dat haar inspanningen ten behoeve van de heer van Damme de voltrekking van het vonnis niet hebben kunnen tegenhouden.

De familie van de heer Van Damme heeft de wens geuit met rust gelaten te worden om in stilte het verdriet te kunnen verwerken. De Nederlandse regering respecteert dat verzoek en vraagt de media dat ook te doen.