De nationale oppositie

EEN REGERING ZONDER christen-democraten is een experiment. De algemene beschouwingen die deze week in de Tweede Kamer werden gehouden, laten zien dat dit niet de enige nieuwigheid is. Want behalve zonder CDA zal ook geregeerd worden zonder oppositie. De conclusie na de tweede confrontatie tussen het nieuwe kabinet en de Tweede Kamer is dat programmatisch bezien niets het CDA in de weg staat om mee te regeren met PvdA, VVD en D66. Het nationaal kabinet is een feit, maar omdat de ongeschreven regels nu eenmaal ook oppositie van enige omvang verlangen is dat niet tot uitdrukking gebracht in de samenstelling van het kabinet.

De oppositierol zoals die de afgelopen twee dagen door het CDA werd gespeeld, illustreerde vooral de alom bestaande consensus over het te voeren beleid. Als de grootste oppositiepartij tijdens het grote politieke debat over de rijksbegroting niet verder komt dan twee marginale wijzigingsvoorstellen, die bovendien de richting van het voorgenomen beleid ongemoeid laten, kan eigenlijk nauwelijks gesproken worden van oppositie.

Had anders mogen worden verwacht? Eigenlijk niet. Sinds de grote partijen elkaar niet meer uitsluiten, liggen de contouren van het te voeren beleid ongeveer vast. Welke partij buiten het kabinet valt heeft meer te maken met de tijdens de kabinetsformatie heersende humeuren dan met principiële keuzes. De smalle marges in de Nederlandse politiek die de PvdA'er Den Uyl reeds in het begin van de jaren zeventig signaleerde, zijn alleen maar smaller geworden.

REGEREN ZONDER oppositie lijkt op het eerste gezicht aantrekkelijk. 'Vuile handen' vallen nu eenmaal minder op als niemand schone handen kan laten zien. Maar aan het ontbreken van een met een flink aantal Kamerzetels voorzien tegengeluid zitten ook risico's. Een regering die een parlement niet meer hoeft te overtuigen van de noodzaak van bepaalde maatregelen, haar gelijk ook niet hoeft te bevechten, dreigt al gauw in gemakzucht te vervallen. De ervaringen van de afgelopen jaren hebben laten zien dat een draagvlak in het parlement zeker nog geen draagvlak in de samenleving betekent. Gezien de maatregelen die het kabinet-Kok in petto heeft is dat laatste wel noodzakelijk.

De nieuwe ministersploeg verkeert nog in een euforiestemming. Dat hoort bij het nieuwe. De economische opleving, die scherper is dan verwacht, vergroot vooralsnog de feestvreugde. Maar dat laat onverlet dat het echte regeren pas nu gaat beginnen. Achter de macro-economische grootheden schuilen talloze bezuinigingsmaatregelen die weerstanden zullen oproepen. Ze zullen stuk voor stuk moeten worden uitgelegd ten overstaan van een electoraat dat wantrouwig is. De meerderheid in het parlement mag dan comfortabel lijken; er is ook nog een verhaal nodig voor de wereld buiten het Binnenhof.

OP 3 MEI STRAFTEN de kiezers de toen zittende coalitie genadeloos af. De twee regeringspartijen verloren samen het voor Nederlandse begrippen ongekende aantal van 32 zetels. Het resultaat van die verkiezingsuitslag is een ander kabinet, maar geen wezenlijk ander beleid. Politiek is dat allemaal verklaarbaar. Maar dat wil nog niet zeggen dat het ook een gegeven is voor de 'opstandige' kiezers van enkele maanden geleden.

De verkiezingen van toen waren een demonstratie van ongenoegen. De immense opgave waarvoor het kabinet staat is dat ongenoegen te doorbreken zonder het af te kopen. Het vertrouwen in de overheid moet worden hersteld. Onder omstandigheden waarbij parlementaire oppositie van betekenis ontbreekt en de politiek al gauw als de spreekwoordelijke 'pot nat' wordt beschouwd is dat nog moeilijker. De parlementaire meerderheid is voor het kabinet-Kok geen enkel probleem. Het gaat om de maatschappelijke meerderheid. Die laatste is niet langer een logisch uitvloeisel van de eerste.