Boris

De zee rolt af en aan op het strand in Santa Monica, Californië. Het is avond. Mijn zoontje en ik spelen in de branding. Een eenzame badgast slaat ons gade; een man van veertig, met intens melancholieke ogen. Een vrijgezel, taxeer ik, die hunkert naar een warm familieleven. We maken een praatje. Hij heet Boris, vertelt hij in lidwoordloze zinnen, en is een geïmmigreerde ingenieur uit de Oekraïne.

Ondertussen begint mijn zoon zijn eigen gesprek met hem: ze stoeien en spelen zweefmolentje. “Het is voor het eerst, in de twee jaar dat ik hier nu ben, dat iemand mij met zijn kind laat spelen”, zegt Boris verrast. In dit land met zijn kidnapfobie, waar gezinnen geheime wachtwoorden afspreken als bescherming tegen als oppas poserende kinderlokkers, houdt ieder zijn kroost angstig bij zich.

Een voorzichtige vraag. Heeft hij zelf kinderen? Jawel, hij wijst op een surfende tiener. “Ik had nog twee kinderen, maar die zijn overleden.” O jee, mompel ik. En dan moet ik wegrennen om mijn zoontje uit een hoge golf te plukken. Mijn man neemt het gesprek over. Om beurten praten we en spelen we met het kind. Zo hoor ik dat hij nu wasmachines repareert, eerst voor vier dollar per uur, inmiddels voor acht. En dat hij bang is zijn vakkennis te verliezen. Zijn zoon speelt ijshockey, al kunnen ze het nauwelijks betalen; sport ziet Boris als een goed middel tot maatschappelijke integratie. Helaas is zijn vrouw, ook ingenieur, nog altijd werkloos. Hij wijst op een beeldschone vrouw, die al die tijd verderop heeft staan wachten, klaar om naar huis te gaan.

Met zijn zessen lopen we het strand af. Komen wij weleens vaker? Elke dag, morgen om half tien zijn we er weer. We spreken af elkaar te treffen.

Aardige man, zeg ik als ze weg zijn. Hij is ingenieur. En wat een mooie vrouw. “Ja”, antwoordt mijn man, “ze heeft pas sinds een jaar haar haar terug. En zijn zoon heeft voortdurend hoofdpijn.” Hij ziet mijn ongeloof. “Ze woonden vlak bij Tsjernobyl toen het gebeurde.”

De volgende dag ontbreken ze op het strand.