'Bill Clinton is de gevangene van Amerika's geldmachine'

De financiële economie is een monster van Frankenstein geworden. Met haar kuddes streepjespakken en ongecontroleerde profiteurs op Wall Street overheerst de geldmachine het hele economische leven. Dat zegt de Amerikaanse politieke commentator Kevin Phillips. En: “De politici in Washington zijn in de greep geraakt van deze financiële elite. Bill Clinton doet er niets aan deze trend te keren.”

De politiek heeft de controle verloren over de reële economie waarin de gewone man die hoopt op een huis, een baan en een pensioen zijn brood moet verdienen. Deze provocerende stelling is afkomstig van de Amerikaan Kevin Phillips, politiek commentator, schrijver van gerenommeerde boeken over politiek en economie en bekend watcher van het Witte Huis. “Washington begint te lijken op de parasiterende hoofdstad van een neergaand rijk”, zegt Phillips. “Het treedt in het voetspoor van imperiale steden als Rome, Madrid en Londen. De politiek is geïsoleerd van de rest van Amerika en is niet meer bezig met de behoeften van de bevolking. De opkomst van een rijke en bevoorrechte hoofdstad maakt deel uit van de verandering van de sociale en economische stratificatie in het land. De elite verschanst zich in afgezonderde bewaakte gemeenschappen, de rest van de bevolking wordt aan haar lot overgelaten.”

Kevin Phillips (54) heeft een reputatie opgebouwd als voorspeller van politieke trends. In zijn eerste boek, The Emerging Republican Majority dat in 1969 verscheen, voorspelde hij dat er een eind zou komen aan de Democratische dominantie van het presidentschap. Met sociale issues zouden de Republikeinen het agrarische zuiden van de Verenigde Staten, dat traditioneel Democratisch stemde, voor zich weten te winnen. De Republikeinen liepen weg met Phillips, partijganger en de belangrijkste politieke strateeg tijdens de presidentiële campagne van Richard Nixon in 1968. Phillips werd de hemel in geprezen. Newsweek noemde zijn boek de 'politieke bijbel' van de Nixon-periode.

Twee decennia later verraste Phillips zijn Republikeinse broeders met The Politics of Rich and Poor waarin hij voorspelde dat de Republikeinen het te bont hadden gemaakt en op hun beurt zouden worden weggevaagd door een golf van neo-populisme. Phillips trok fel van leer tegen het glitterende 'go-go'-kapitalisme van de jaren tachtig dat te veel gepoetste limousines en buitensporig rijke gokkers op Wall Street had opgeleverd, terwijl de middenklasse haar inkomen en de zekerheid over een baan zag teruglopen. De Republikeinse partij had zich tot irritatie van Phillips vervreemd van de silent majority, van de Main Street American, en was volgens hem verworden tot een partij van louter hebzuchtigen.

De zogenaamde nieuwe economische politiek van president Reagan maakte de ongelijkheid en de pijn voor de armen almaar groter. Terwijl de Dow Jones-index torenhoog steeg, kelderde de waarde van landbouwgrond, moest Joe Six-Pack, de Amerikaanse Jan Modaal, langer en harder werken voor minder geld, gingen middelbare scholen kwalitatief hard achteruit en werd de middle class-manager zwaarder belast dan miljardairs als Sam Walton van de winkelketen Woolmart.

Er was een kleine superrijke plutocratie ontstaan die haar inkomen zag groeien van 100 miljard dollar tot 150 miljard dollar per jaar. Met hun met bladgoud beschilderde jachten en huizen van 20 miljoen dollar per stuk dienden zij niet bepaald het landsbelang, meende Phillips. Intussen zakte Amerika zelf steeds verder in de schulden weg.

Na publicatie van The Politics of Rich and Poor in 1990 liepen de Democraten weg met Phillips. De politieke strateeg had de kern van Amerika's zwakte haarscherp blootgelegd. Zijn boek zou een fundament onder de Democratische presidentscampagne worden. Presidentskandidaat Bill Clinton zou opkomen voor de vergeten middenklasse, de 'ziel van de natie'. It's the economy, stupid, werd de leus waarmee Clinton gekozen werd. Maar eenmaal in het Witte Huis, verdwenen de lobbys van de oude Democratische New Dealers - vakbonden, minderheden en stedelingen - naar de achtergrond en liet de president volgens Phillips zijn oren hangen naar de klassieke Republikeinse elite van zakenlieden, de haute finance en internationale experts.

“President Clinton is geen vernieuwer gebleken”, zegt Phillips, die ondanks zijn bijtende kritiek nog altijd lid is van de Republikeinse partij. “Weliswaar is met Clintonomics een eind gekomen aan het Republikeinse tijdperk, maar de nieuwe Democratische era is nog lang niet begonnen. Clinton heeft geen nieuw tijdperk ingeluid.”

We praten 's morgens vroeg in een etablissement in Bethesda in de staat Maryland, even buiten Washinghton waar de druk bezette schrijver en columnist voor tal van Amerikaanse bladen kantoor houdt. Volgende week verschijnt zijn nieuwste boek: Arrogant Capital - Washington, Wall Street and the Frustration of American Politics. Deze week is een voorproefje te lezen in het Amerikaanse weekblad Time - hetzelfde weekblad dat Phillips ooit de 'Nostradamus van Washington' noemde naar de Franse arts en ziener uit de zestiende eeuw die furore maakte met in kwatrijnen geschreven profetiën.

Aan kwatrijnen waagt Phillips zich niet. Wel aan politieke analyses over het waterhoofd dat Washington is geworden en de invloed van Wall Street op de politiek. “Amerika is een geldmaatschappij waarin elektronische speculatie hoogtij viert. Washington is de controle over de economie kwijtgeraakt”, stelt Phillips. Hij haalt de voormalige Amerikaanse president Thomas Jefferson aan die in 1799 constateerde dat de bankierselite gevaarlijker voor een land is dan een staand leger.

“In het midden van de jaren negentig dicteert de obligatiemarkt de economische politiek in plaats van dat de politici dit doen. In een land met zulke grote schulden zoals Amerika wordt dat vanzelf uitgelokt.” Maar er is volgens Phillips ook een andere reden dat de macht van Wall Street zo dominant is geworden.

“In de jaren zeventig, voordat supercomputers de wereldeconomie gingen beheersen, was de financiële sector ondergeschikt aan het Witte Huis en het Congres. Het totaal aan financiële transacties van Amerikaanse effectenhuizen en geldwisselaars bedroeg minder dan het bruto nationaal produkt. In de jaren negentig is de financiële sector door de carrousel van elektronische speculaties aangezwollen, ze is nu dertig tot veertig keer groter dan de reële economie van zesduizend miljard dollar.”

In het verleden raakten volkshuishoudingen vaker in de ban van het geld. In de zestiende eeuw draaide de Spaanse economie bijna geheel op de met goud en zilver volgeladen schepen uit de Nieuwe Wereld. De welvaart hing uitsluitend af van de goudstroom naar Sevilla en de leningen van bankiers in Venetië en Augsburg. Om de echte economie, de industrie, bekommerden de Spaanse leiders zich niet. Ook in het achttiende eeuwse Holland waren de banken en de beurs de spil van het economisch leven, terwijl de industrie wegzakte. En in de Roaring Twenties van deze eeuw bracht menig New Yorker zijn lunchpauze door bij het koersenbord op de beurs en handelden ook schoenpoetsers in aandelen.

Phillips: “In veel gevallen verving speculatie investeringen. Dat zien we nu ook weer. De overheidsschuld is een belangrijke business geworden, voor bedrijven maar ook voor de enorme groep kleine aandeelhouders, de couponknippers, die is ontstaan.

“De financiële wereld weet politici steeds beter voor haar karretje te spannen. Dat begon in de jaren tachtig toen de overheid meteen klaar stond om allerlei financiële instituties en speculanten bij te staan die door hun eigen gekte op Wall Street failliet dreigden te gaan. Voorheen liet de overheid bij een crash banken gewoon bankroet gaan.”

Phillips onderstreept dat de reddingsoperatie van financiële instituties en de spaarbanken eind jaren tachtig de grootste in de Amerikaanse geschiedenis was. Aandeelhouders raakten niet platzak, misbruikers kregen bescherming en grote banken tegemoetkomingen van de federale autoriteiten. Het bedrag dat de staat aan schadevergoeding uitbetaalde, vertegenwoordigde een groter deel van ' s lands deposito's dan dat van de instellingen die tijdens de depressie eind jaren twintig en begin jaren dertig over de kop gingen, aldus Phillips. Hij wijst er op dat ook steeds meer grote bedrijven in de ban van de financiële markten zijn gekomen en proberen met riskante optiecontracten hun geld te verveelvoudigen in plaats het te investeren.

“Intussen hebben ondernemers het sociale contract verbroken dat sinds de Tweede Wereldoorlog met werknemers bestond. Om de aandelenkoersen op te poetsen zijn tal van bedrijven afgeslankt, oudere werknemers worden met vervroegd pensioen gestuurd en fabrieken in Terre Haute of Muncie worden gesloten waarna de produktie wordt overgeheveld naar Taiwan en Mexico waar 95 dollarcent per uur precies het tarief is wat de 'aandelendokter' heeft aangeraden. Ondernemingen worden door de afslankingen wel produktiever, maar de vruchten daarvan worden niet gedeeld met de werknemers.”

Volgens Phillips beschikt de financiële elite nog steeds over de schokbreker die het in de jaren tachtig kreeg: ongekende federale vriendjespolitiek. “Tijdens de regering van Clinton is hieraan niets veranderd. De president is de gevangene van Wall Street. In een land met zulke grote schulden is dat onontkoombaar. In de regering zitten altijd veel vertegenwoordigers van Wall Street, advocaten en beleggers. Momenteel zijn dat bij voorbeeld minister Lloyd Bentsen van financiën en Bob Rubin, voormalig topman van effectenhuis Goldman Sachs, en nu voorzitter van de National Economic Council, een economische adviesraad.”

Eerdere Democratische presidenten, zoals John F. Kennedy, haalden hun adviseurs eveneens van Wall Street, alleen was de invloed van de beurs op politiek en economie destijds nog niet zo bepalend. Inmiddels levert speculeren aan de beurs veel meer geld op dan in de reële economie kan worden verdiend. Phillips wijst op een onderzoek van McKinsey and Company begin jaren negentig waaruit blijkt dat van de 800 miljard dollar die dagelijks op de valutamarkten in de wereld worden verhandeld, slechts 20 tot 25 miljard was toe te schrijven aan de handel in goederen en diensten.

“Nieuw is dit fenomeen niet”, zegt hij. “De historicus Fernand Braudel constateerde al dat de Nederlandse elite in de achttiende eeuw vooral bestond uit speculanten en renteniers die leefden van inkomen uit vermogen. Ze leenden hun geld uit aan elke buitenlandse prins of onderneming die bereid was de vereiste rente te betalen.”

Phillips: “Het probleem is dat president Clinton vervreemd is geraakt van de gewone man. Hij kan zich geen traditioneel Democratisch beleid permitteren. De Democraten wonnen steeds de verkiezingen als de economie zwak was en herstelden het vertrouwen met traditionele stimuleringsprogramma's. Dat is niet meer mogelijk in een land met zo'n enorme schuld. Het raison d'être van de Democratische Partij bestaat niet langer. Daarom leunt Clinton zo sterk op Alan Greenspan, voorzitter van de Fed (het stelsel van centrale banken) en minister van financiën Bentsen, zoals Bob Woodward in zijn boek The Agenda heeft beschreven.”

“Veel mensen herkennen zich niet in wat er in Washington gebeurt. Uit opiniepeilingen van Time/CNN blijkt dat slechts 17 procent van de ondervraagde Amerikanen meent dat de regering in Washington de juiste keuzes maakt. Dat is een groot probleem, omdat het optimisme uit de Amerikaanse maatschapppij is verdwenen. Het optimisme, dat na de oorlog zeker dertig tot veertig jaar lang hand in hand ging met expansie van de middenklasse, is verzuurd.”

“De opgekropte frustraties bij de Amerikaanse middenklasse kunnen grote gevolgen hebben voor de politiek. Frustraties kunnen uitgroeien tot woede als reactie op de uit de hand gelopen jaren tachtig. De partijen hebben hier geen antwoord op. Ook Clinton niet, die zijn kiezers, de middenklasse, van zich heeft vervreemd.”

Het recept van Phillips? “Om Amerika te revitaliseren moet de directe democratie worden hersteld en het verouderde tweepartijenstelsel worden herzien. Het bestuur van het land moet worden gedecentraliseerd en het lokale bestuur dient te worden versterkt. Via referenda moet de bevolking zich kunnen uitspreken over belangrijke issues. Dat de Amerikaanse schuld snel dient te worden gesaneerd staat buiten kijf. Het overheidstekort bedraagt een slordige 300 miljard dollar en de nationale schuld liefst 4000 miljard. Er dient een eerlijker belastingstelsel te komen zodat de rijken hun deel betalen. Maar bovenal moet de macht van de lobby-organisaties, Wall Street en de speculanten worden beknot.”

Phillips' oplossingen klinken Europees. Of hij parallellen ziet tussen Europa en Amerika? Philips: “We delen een aantal problemen met elkaar, zoals de afslanking van de verzorgingsstaat die nu plaatsheeft en de erosie van het partijenstelsel. Ook Europa zal in toenemende mate worden geconfronteerd met lage lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar de macht van de speculanten lijkt voorlopig nog niet zo groot als bij ons. Dat is in het voordeel van Europa.”