Beelden met bekleding; De symboliek van beschilderde beelden uit de Middeleeuwen

Rijk beschilderde gotische beelden worden tegenwoordig vooral met protserigheid en vulgariteit geassocieerd. Op een tentoonstelling in Gent blijkt dat die associatie niet terecht is. De beschilderingen blijken een rijkdom aan details aan de beelden toe te voegen.

Meesterwerken van de gotische beeldhouwkunst. Ontstaan en verspreiding van de laatgotische beeldhouwkunst in de Bourgondische Nederlanden. Museum voor Schone Kunsten, Citadelpark, Gent. T/m 26 nov. Di t/m zo 9.30-17u. Catalogus, 250 blz., rijk geïllustreerd, ƒ 93,60.

De gedachte dat gotische beelden ooit kleurrijk beschilderd waren bezorgt ons wel eens een lichte huiver. Zag dat er niet vulgair uit, met het goud en rood en blauw, en het babyroze op de wangen van de madonna? Zo erg is het misschien niet dat de verf er in de loop van eeuwen van af is gegaan. Tenslotte gaat het om het beeld zelf, en dat komt zonder kleur beter tot zijn recht. Zelfs aantasting door bijvoorbeeld houtworm of vocht deert ons niet altijd, het patina van de tijd is een belangrijk aspect van de esthetische beleving geworden. Zo radicaal als in de negentiende eeuw, toen houten beelden genadeloos geloogd werden totdat ze ongeveer morsdood waren, zijn we gelukkig niet meer. Die kleine restjes kleur hier en daar zijn juist wel mooi, ze verlevendigen het oppervlak.

Volgens de heersende, twintigste-eeuwse kunstopvatting gaat het bij beeldhouwkunst in de eerste plaats om volume en massa. En om de zogenaamde beweging in de ruimte: men moet om het beeld heen kunnen lopen zodat het zich in al zijn plastische gevarieerdheid aan de beschouwer toont. Op deze manier benaderen we ook beelden uit vroeger tijd. Het heeft te maken met een hang naar zuiverheid, naar 'eerlijkheid'. Een beeld is een plastisch object dat niet beschilderd dient te zijn, want dat leidt maar af van de kern van de zaak. We zeggen dat romaanse en gotische beelden zich 'nog' niet losgemaakt hebben van de architectuur waarvoor ze bestemd waren - dat gebeurde pas in de Renaissance - en daarom hoeven ze doorgaans alleen maar van voren bekeken te worden, net als een schilderij. Ook al zijn de kennis en de appreciatie van de oude beeldhouwkunst gegroeid, toch zijn we nog steeds geneigd om het beeld te beoordelen naar zijn mate van plasticiteit. Het is moeilijk om met andere ogen dan die van de eigen tijd naar kunst uit het verleden te kijken.

Bourgondië

Een prachtige expositie in Gent van 130 Meesterwerken van de gotische beeldhouwkunst maakt duidelijk dat we de middeleeuwse kunst tekort doen. De beelden zijn afkomstig uit de zuidelijke Nederlanden en Noord-Frankrijk, het gebied dat in de loop van de vijftiende eeuw in handen kwam van de Bourgondische hertogen. Filips de Goede, die regeerde van 1419-67, en zijn zoon Karel de Stoute (1467-77), beoefenden een druk en rijk mecenaat. Ze verzamelden vele schilders, beeldhouwers, edelsmeden en musici om zich heen. In de steden bloeiden handel, nijverheid en het bankwezen. Vooral in Vlaanderen en Henegouwen: Gent was met circa 60.000 inwoners na Parijs de grootste stad van heel Noordwest-Europa, gevolgd door Brugge, met 45.000 inwoners. Er kwamen kooplieden van Spanje tot Zweden naar de jaarmarkten, zodat er een levendige internationale uitwisseling op het gebied van de kunstproduktie bestond. De Vlaamse schilder- en beeldhouwkunst bereikte zo een hoog niveau. Van de schilders kennen we er velen, zoals de gebroeders Van Eyck, Rogier van der Weyden en Hugo van der Goes. Maar de beeldhouwers bleven grotendeels anoniem. Zij signeerden hun werk niet.

Op de tentoonstelling zijn, naast geloogde en versleten beelden, schitterend beschilderde beelden te zien. De samenstellers hebben speciale aandacht besteed aan het polychromeren, dat ook bij kunsthistorici sinds kort in de belangstelling staat. In enkele gevallen is de beschildering bijna geheel bewaard gebleven. Bijvoorbeeld bij een Piëta - Maria die de dode Christus op haar schoot beweent - uit Luik. Maria is zoals gebruikelijk gekleed in rood en blauw. Het rood verwijst naar haar lijden, het blauw naar haar toekomstige hemelse gedaante als Moeder Gods. Christus draagt een groene doornenkroon, zijn bleekroze lichaam is van top tot teen met bloedspatten bedekt. Het kleurgebruik is nooit louter decoratief, maar heeft een symbolische betekenis, en kan tevens, zoals hier, bijdragen aan een expressief realisme.

Het veelvuldig gebruik van goud (overigens niet bij dit beeld) betekent niet alleen rijkdom, maar symboliseert ook het transcendentale. Het goud duidt op de heiligheid en het iconische van het beeld. Zoals bij de 'Twee engelen met Passieinstrumenten' bijvoorbeeld, bij uitzondering op de rug gesigneerd met 'Tydeman Maes/Bruggia'. Ze waren ooit onderdeel van een grotere beeldengroep. Ze hebben een kruis en een geselpaal vast en houden een gouden, met rood brokaat versierd doek opzij - waarschijnlijk om een Piëta of een Christus in het graf te tonen. Hun vleugels zijn beschilderd in nuances van rood en blauw, en onder hun gouden gewaad met resten van brokaatpatronen dragen zij een blauw onderkleed. Ze hebben blauwe ogen, en zelfs hun wenkbrauwen zijn beschilderd.

Vulgair zijn de beschilderde beelden allerminst. Ze hoeven ook niet protserig en knallerig te zijn geweest toen ze nog nieuw waren. De schilder bracht allerlei nuanceringen aan. Hij kon kiezen tussen glans- of matvergulden door het bladgoud te polijsten, of door het te 'bruneren' met behulp van agaat, amethist of saffier, of met een wolfstand. In de goudfolie kon hij patronen aanbrengen door 'stempelen' en 'punten' met stompe naalden, tandraderen of stempels. Ook de polychromering kon hij nuanceren. Hij bediende zich bijvoorbeeld van de 'afhaaltechniek', een techniek die ook twintigste-eeuwse schilders als Willem de Kooning wel bekend is. De schilder polychromeerde dan het goud en haalde vervolgens het goud weer tevoorschijn door de kleur voorzichtig weg te schrapen, soms in complexe ornamentvormen.

Voor het zover was moest op het beeld eerst een ondergrond worden aangebracht, een dikke plamuurlaag, samengesteld uit krijt en lijm, 'bolus' geheten. Dit was een tijdrovend proces, waarbij verschillende lagen over elkaar heen werden aangebracht die steeds moesten drogen. Tenslotte werd voor het vergulden het oppervlak zorgvuldig glad geslepen en werden er eventueel sculpturale details in aangebracht.

Vakkennis

Het polychromeren vereiste dus een grote vakkennis, veel tijd, en kostbare grondstoffen. De schilder kreeg voor zijn werk dan ook vaak meer uitbetaald dan de beeldsnijder. Dit is een totale omkering van ons idee van beeldhouwkunst: het hout of de steen was in wezen slechts de drager, van een bekleding. Het was vooral de 'stoffering' die het beeld zijn bovenwereldlijke distinctie verleende. Ivoor, albast, marmer en brons werden niet beschilderd, maar alle andere hout- en steensoorten in de vijftiende eeuw wel. Dat het polychromeren hoog in aanzien stond blijkt ook uit het feit dat beroemde schilders als Jan van Eyck en Robert Campin het deden.

De band tussen schilder- en beeldhouwkunst was in de vijftiende eeuw heel sterk, zoals stijlvergelijkingen ook duidelijk maken. Een streng onderscheid tussen de twee disciplines bestond niet. Schilders dienden wel ontwerpen voor beelden in; en Van Eyck schilderde op de zijpanelen van het Lam Gods-retabel heiligen in grisaille, waarbij de illusie dat het echte beelden zijn overweldigend is.

Het gaat bij deze laatgotische beelden niet alleen om de beroemde plooival en om plasticiteit, maar evenzeer om het tweedimensionale lijnenspel van geschilderde patronen. De liefdevolle aandacht voor kleine, onplastische details is oneindig: aders tekenen zich af in de oude mannenhand van de apostel Paulus, een lokje krult op het voorhoofd van het Jezuskind. En naast het prachtige zwarte beeld van de heilige Antonius staat een piepklein varkentje.

De tentoonstelling in Gent biedt tal van aanknopingspunten voor een nieuwe kijk op de gotische beeldhouwkunst. Maar ook de romanticus die graag een Giacometti in oude sculpturen blijft zien komt aan zijn trekken.