Westen na 77 jaar terug in olie-hoofdstad Baku

ROTTERDAM, 22 SEPT. In de Azerbajdzjaanse hoofdstad Baku aan de Kaspische Zee, begin deze eeuw nog de belangrijkste oliestad ter wereld, heerst na een jarenlange periode van economische rampspoed en de nasleep van de oorlog met Armenië weer enig optimisme.

Duizenden werknemers die tot de ondergang van de Sovjet-Unie een goede boterham in de olie-industrie en de produktie van apparatuur voor de oliewinning en pijpleidingen verdienden, waren de afgelopen jaren tot de bedelstaf veroordeeld. Wie nog werk heeft, moet van een loon van enkele tientallen guldens per maand rondkomen. Maar het enorme investeringscontract dat begin deze week in Baku werd beklonken, biedt velen weer uitzicht op werk en een beter inkomen.

Dinsdag tekenden vertegenwoordigers van Britse, Amerikaanse, Noorse, Russische, Turkse en Azerbajdzjaanse oliemaatschappijen, die samen een consortium vormen, een contract om 8 miljard dollar, te investeren in offshore-oliewinning op de Kaspische Zee en een pijpleiding voor de export naar het Westen. Ze willen de produktie van enkele olievelden, die op een laag pitje staat, met moderne Westerse apparatuur verbeteren en zo mogelijk ook de exploratie van nieuwe reserves ter hand nemen. De totale reserves van velden waarvoor de republiek Azerbajdzjan aan de partners concessies wil verlenen, is geschat op 3,5 miljard vaten olie van 159 liter per stuk. Dat is - ter vergelijking - genoeg om Nederland op basis van het huidige verbruik ongeveer 14 jaar lang van olie te voorzien. Voor het eerst sinds de Russische revolutie van 1917 en de daaropvolgende nationalisaties keren Westerse oliemaatschappijen terug naar Baku.

Op weinig plaatsen in de voormalige Sovjet-Unie is de olie-industrie zo sterk verwaarloosd als in Azerbajdzjan. Duizenden ja-knikkers staan werkeloos te roesten temidden van oliemoerassen. Herstel van het sterk vervuilde milieu lijkt een onmogelijke opdracht. Bovendien zijn de olievelden langs de kust en de offshore-installaties de laatste jaren zwaar getroffen door overstromingen als gevolg van een stijging van het waterniveau in de Kaspische Zee. Wetenschappers breken zich het hoofd over de oorzaak van deze vloed, die zich tegelijk voordoet met de opdroging van het 500 kilometer oostwaarts gelegen Aralmeer, zegt een adviseur van de Europese Unie die Baku onlangs bezocht.

Het gebied langs de Westkust van de Kaspische Zee, dat tot 1806 tot het Perzische rijk behoorde, was het eerste ter wereld waar olie werd gevonden. Volgens de overlevering bouwden bewoners er al duizenden jaren vóór Christus tempels, bij vlammen die oplichtten uit spontane olie- en gaslekken in de bodem, als eerbetoon aan hun God Ahura Mazda. Hun nazaten gebruikten in de twintigste eeuw de naam van dit Opperwezen in een profane opwelling als merknaam voor gloeilampen en een lokaal gefabriceerde auto.

Marco Polo maakte in de dertiende eeuw in zijn reisverslagen melding van enorme oliefonteinen in Baku, die in korte tijd honderden schepen zouden kunnen vullen. “Van grote afstanden komen er mensen om het te halen, want in geen land in de wijde omgeving is olie te vinden.” De Russische tsaren vestigden er vanaf 1806 een streng monopolie op de verlening van olieconcessies, dat pas in 1872 werd opgeheven. De Baku-regio haalde in 1819 een voor die tijd respectabele produktie van 28.000 vaten lichte, zwavelarme olie per dag die gebruikt werd als lampolie en voor alchemische bereiding van medicijnen en levenselixers.

In 1882, het jaar dat de eerste winningsconcessies aan buitenlanders werden verleend, was Baku nog een klein havenstadje met ruim 14.000 inwoners en een raffinaderij. Welgestelde entrepreneurs uit West-Europa als de Franse miljonairsfamilie De Rothschild en de Zweedse gebroeders Ludwig, Robert en Albert Nobel investeerden er hun kapitaal en maakten van dit stukje Kaukasus een internationaal bekende boom town die rond de eeuwwisseling 208.000 inwoners telde. De Amerikaanse oliegigant Standard Oil en de Koninklijke Nederlandse Petroleummaatschappij bouwden er grote belangen op en beconcurreerden elkaar met olie uit Baku op het scherp van de snede.

Na de Russische revolutie groeide Azerbajdzjan uit tot de belangrijkste olieleverancier en het centrum voor de produktie van technische apparatuur voor de olie-industrie van de Sovjet-Unie. In 1940 zorgde de regio voor 70 procent van alle in de Sovjet-Unie geproduceerde olie en 80 procent van de geraffineerde brandstoffen. Maar na de ontdekking van enorme olievelden in West-Siberië vanaf eind jaren '60, later gevolgd door vondsten in Kazachstan en Turkmenistan, liep dit aandeel geleidelijk terug tot enkele procenten.

De impuls die het nieuwe consortium met Westers kapitaal kan betekenen, zou de huidige Azerbajdzjaanse olieproduktie van 215.000 vaten ruwe olie per dag (nog minder dan de kleinste OPEC-leverancier Gabon) kunnen verdrievoudigen. Maar belangrijker is een verruiming van de oliereserves in de Kaukasus (nu maar 0,1 procent van de wereldvoorraad) die nieuwe exploratie-activiteiten in de Kaspische Zee kunnen bewerkstelligen.

Direct na de bekendmaking van het miljardencontract, dinsdag, probeerde de Russische regering roet in het eten te gooien met een verklaring dat het Kremlin de overeenkomst niet zou erkennen, dat het contract in strijd zou zijn met de internationale wetgeving en dat het milieu in de Kaspische Zee er door in gevaar zou komen. De Russen, die wat olievervuiling betreft veel boter op het hoofd hebben, proberen nog steeds andere voormalige Sovjet-republieken in hun greep te houden. Kennelijk is het belang van 10 procent dat de Russische oliemaatschappij Lukoil in het Baku-consortium wist te verwerven, voor het Kremlin onvoldoende.

Het ministerie van buitenlandse zaken in Moskou beroept zich op internationale verdragen van 1921 en 1940 waarin is bepaald dat over exploitatie van bodemschatten onder de Kaspische Zee slechts door alle oeverstaten gezamenlijk kan worden beslist. Het Russische streven naar hegemonie lijkt op gespannen voet te staan met het Energie Handvest dat eind 1991 in Den Haag is ondertekend door 50 landen, waaronder alle Europese staten inclusief de voormalige Sovjet-republieken. Kernpunten daarin zijn de souvereiniteit van staten over hun bodemschatten en het vestigen van een gunstig klimaat voor Westerse investeerders om een helpende hand te bieden bij de exploitatie en exploratie. Verhoging van de export van kostbare energieprodukten is het doel van alle partijen. Daarmee worden twee doeleinden dichterbij gebracht: een sneller herstel van de Oosteuropese economieën en minder afhankelijkheid van het Westen en Japan van de belangrijkste olie- en gasregio ter wereld: het Midden-Oosten.