Vredesdiplomatie strandt in ruzie; Oorlog in Bosnië dreigt te ontaarden in een prestigeslag voor het Westen

Of het wapenembargo voor Bosnië nu wordt opgeheven of niet, de oorlog in het voormalige Joegoslavië kan nog jaren doorsudderen. De Contactgroep van vijf landen die vrede probeert te bewerkstelligen, kan zich beter zorgen maken over de verdeeldheid in eigen gelederen, meent Jonathan Eyal.

De eerste internationale waarnemers zijn gearriveerd aan de grens tussen Servië en Bosnië, waar ze moeten gaan toezien op de naleving van de VN-sancties tegen de Bosnische Serviërs. Hun aankomst betekent echter bepaald geen overwinning, is alleen maar een nieuwe zet in een complex Balkan-schaakspel dat weer tot nieuwe oorlogvoering leidt. Het bondgenootschap tussen de Kroaten en de Bosnische moslims staat op springen, en in Bosnië zelf maken de Serviërs in het geheel geen aanstalten om ook maar een duimbreed van het door hen bezette gebied op te geven. Maar de meest onheilspellende en tegelijk minst in het oog vallende ontwikkeling is wel de geleidelijke maar naar het schijnt onontkoombare schipbreuk van de gezamenlijke westerse diplomatieke poging om de Joegoslavische oorlog in de hand te houden.

Na twee jaar onderling gekibbel hebben Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Rusland en de Verenigde Staten zich aaneengesloten in de zogeheten Contactgroep, met het uitdrukkelijk verlangen hun beleid ten aanzien van de Balkan op elkaar af te stemmen. Men hoopte dat de Contractgroep zou weten te voorkomen dat de Serviërs de steun van Rusland zouden kunnen gebruiken om de oorlog voort te zetten - een duidelijke boodschap aan de primaire betrokkenen, zo redeneerde men, was de beste methode om stabiliteit te bereiken. Deze tactiek had in het begin enig succes. De Contactgroep kwam met een vredesplan dat weliswaar volgens de verwachting werd afgewezen door de Bosnische Serviërs, maar dat door zowel Kroaten als Moslims werd aanvaard. Belangrijker nog: het plan wordt nu ook door Servië zelf gesteund. In de hoop de gevechten te doen ophouden heeft de Servische president Slobodan Milosevic een handelsembargo tegen zijn etnische broeders in Bosnië ingesteld, en hij zal hiervoor weldra worden beloond met een VN-resolutie waarbij de economische sancties tegen de 'federale' regering in Belgrado zullen worden versoepeld. Maar de Contactgroep, die juist deze week weer een gespreksronde heeft afgesloten, zou zichzelf voor de gek houden als ze meent dat dit een reële stap vooruit betekent.

Het vredesplan beoogt eerder het kwade geweten van het Westen te sussen dan een oplossing te vinden voor realiteiten in het Balkangebied. Om maar te kunnen volhouden dat er geen internationale beginselen zijn gecompromitteerd, stelt de Contactgroep het behoud van een Bosnische 'confederatie' voor, ook al wijst alles erop dat de republiek onherstelbaar verscheurd is. Over de manier waarop dat zou moeten gaan, zijn nooit bijzonderheden verstrekt, en dat is ook niet nodig: alle regeringen weten dat het denkbeeld van een confederatie louter een vijgeblad is. Het resultaat is een plan dat niemand tevreden stelt. Het debat gaat nu niet meer over de tenuitvoerlegging van dit plan; nee, het gaat over wie de schuld moet krijgen voor het onvermijdelijke falen ervan. De moslims hebben de voorstellen uitsluitend aanvaard omdat dat ze wisten dat de Serviërs ze zouden afwijzen, en de Serviërs wilden niet over het plan nadenken omdat ze weten dat het Westen het nooit zal afdwingen. Er bestaat wel degelijk ernstige verdeeldheid binnen het Servische kamp; maar die betreft veeleer de te volgen tactiek dan het uiteindelijke doel: dat is nog steeds de stichting van een Groot-Servië, een staat voor alle Serviërs. Verdeeld is men alleen over de vraag of men dat moet bereiken door samen te werken of door de internationale druk te weerstaan.

De moslims, die dit maar al te goed beseffen, hebben de luwte in de gevechten gebruikt om hun positie te consolideren, met name door eliminering van een rivaliserende moslimregering in de enclave Bihac in Noord-Bosnië. Elders begint hun bondgenootschap met de Kroaten echter uiteen te vallen, en snel ook. Dit bondgenootschap, dat dit voorjaar door toedoen van de Amerikanen was ontstaan, is altijd een verstandshuwelijk geweest. De Kroaten stemden er voornamelijk daarom in toe hun oorlog tegen de moslims te staken, omdat ze hoopten dat het Westen hen dan zou helpen grondgebied te heroveren dat ze eerder in de Joegoslavische oorlog aan de Serviërs waren kwijtgeraakt; de moslims schudden de Kroatische hand in de eerste plaats omdat zij tijd nodig hadden om hun legers te reorganiseren. Beiden werden teleurgesteld: de Servische enclaves in Kroatië bestaan nog altijd, terwijl de moslims alles in het werk hebben gesteld om voorbereid te zijn op een Servische aanval. In de verdeelde stad Mostar, nu onder bestuur van de Europese Unie, beginnen de spanningen tussen Kroaten en moslims tot het kookpunt op te lopen terwijl de Serviërs, met hun klassieke gevoel voor het juiste ogenblik, de druk verder opvoerden door in het noorden een nieuw offensief te lanceren, met de expliciete bedoeling om te testen in hoeverre de legers van moslims en Kroaten bereid zijn om samen te werken.

Dit web van intriges, hoewel verre van uniek, verbleekt volkoman naast de gevaren waarvoor de Contactgroep nu zelf staat. Hoewel haar leden hun eenstemmigheid benadrukken, is het een feit dat zij elk hun eigen, vaak onverenigbare belangen zijn blijven behartigen. De Britten en de Fransen zouden blij zijn met elk achtenswaardig excuus om hun handen van de regio af te trekken; de VS willen graag een vreedzame regeling die gepaard gaat met een zo gering mogelijke Amerikaanse betrokkenheid. Duitsland, als voorzitter van de Europese Unie, wil een akkoord dat in elk geval de geloofwaardigheid van de EU intact laat, terwijl Rusland iedere afspraak zal accepteren, zolang die het Westen maar geen volmacht verleent om te doen wat het wil in een gebied dat Moskou nog steeds beschouwt als een deel van zijn invloedssfeer. Kortom, in plaats van te streven naar een regeling waarmee men in Bosnië uit de voeten kon, had de Contactgroep het er druk mee onderling geruzie tussen haar leden te voorkomen. En zo raakte men tussen wal en schip: een onwerkzaam plan en nieuwe twistappels tussen de regeringen waren het gevolg. Onder druk van het Amerikaanse Congres heeft president Clinton beloofd van de Verenigde Naties te eisen dat het wapenembargo tegen Bosnië per 15 oktober wordt opgeheven, en een maand later heeft hij gedreigd dat embargo eenzijdig op te heffen, haast zonder aanzien van de VN besluiten.

Opheffing van het wapenembargo, dat Bosnië zwaarder treft dan de rest van Joegoslavië, lijkt op het eerste gezicht gerechtvaardigd: als het Westen niet bereid is deze republiek te verdedigen, moet het toch ten minste zijn bevolking in staat stellen zich te verdedigen. Maar het blijft een rampscenario. Afgezien van wat zwaar materieel hebben de Bosniërs eigenlijk geen gebrek aan wapens; zonder een grootscheepse militaire interventie en het sturen van instructeurs om de Bosniërs ter plaatse te leren hoe ze met de nieuwe spullen moeten omgaan - en die stappen overweegt niemand - is restauratie van het oude Bosnië niet mogelijk. Opheffing van het wapenembargo zal het vechten niet doen ophouden, het leidt integendeel slechts tot erger bloedvergieten: zodra het embargo is opgeheven zullen niet alleen de Serviërs maar tegelijkertijd ook de Kroaten een offensief tegen de moslims beginnen.

Ondanks al hun inspanningen om Washington van gedachten te doen veranderen weten de meeste Europese regeringen dat president Clinton al te ver is gegaan met zijn beloften het wapenembargo op te heffen om daar nu nog op te kunnen terugkomen. De Britten en de Fransen hebben het initiatief genomen tot een besluit van de Europese Unie, die dreigt alle Europese troepen uit Bosnië terug te trekken als het wapenembargo wordt opgeheven. Maar tegelijkertijd willen Britten noch Fransen hun veto uitspreken over het Amerikaanse optreden wanneer president Clinton dat voorlegt aan de Verenigde Naties: zij hopen op een Russisch veto. Dus net zoals de strijdenden in Joegoslavië zich proberen te onttrekken aan verantwoordelijkheid voor het falen van het vredesplan, doen de leden van de Contactgroep nu hun best elkaar de verantwoordelijkheid voor de dreigende ramp op de Balkan in de schoenen te schuiven.

Deze twisten, die binnenskamers worden voortgezet, vreten de fundamenten van de Europese veiligheid aan. President Clinton heeft altijd beweerd dat slechts 'resoluut optreden' de geloofwaardigheid van de NAVO op de Balkan kan herstellen. Maar door de eis te stellen dat Amerika de prioriteiten bepaalt terwijl de Europese troepen ter plaatse daarvan de gevolgen mogen dragen, schendt hij het hoofdprincipe van het westerse bondgenootschap: dat risico's naar evenredigheid worden gespreid. Sinds 1989 doet het Westen zijn best om in zijn omgang met Oost-Europa twee dingen te vermijden: export van militairen en import van instabiliteit. Beide zijn nu een feit, en wel in gelijke mate. De oorlog in Joegoslavië zal nog jaren voortrommelen; de grote vraag is nu hoe bloedig deze oorlog zal zijn en hoeveel prestige de voortzetting ervan de westerse regeringen gaat kosten.