Teylers Museum in Haarlem nuanceert beeld van 19de-eeuwse kunstenaar; Schelfhout: meer dan 'winterschilder'

Tentoonstelling Andreas Schelfhout als tekenaar. Teylers Museum, Spaarne 16 in Haarlem. Tot en met 13 nov, di t/m za. 10-17, zo 13-17. Publikatie door Frank van der Velden ƒ 19,50.

In de Kunstkronijk jaargang 1841/1842 bracht een anonieme recensent verslag uit van zijn bezoek aan het atelier van de Haagse schilder Andreas Schelfhout. Hij prijst omstandig een winterlandschap dat 'een rijk en bekoorlijk vergezigt op een bevrozen rivier of vliet' uitbeeldt en voorspelt de kunstenaar 'bij een lang leven eene zee van goud en roem'.

Met het lange leven is het in orde gekomen, evenals met het goud en de roem. De romantische schilder Schelfhout (1787-1870) was een goed betaalde landschapkunstenaar, nationaal en internationaal gevierd. Pas tegen het einde van zijn leven, toen de Haagse School zich aandiende, raakten critici en publiek uitgekeken op zijn technisch perfecte, maar voorspelbare strandgezichten en landschappen die steeds met dezelfde elementen in zijn atelier werden samengesteld. De aan verguizing grenzende onverschilligheid voor Schelfhout en de andere kunstenaars uit de eerste helft van de vorige eeuw heeft lang geduurd. Die periode waarin schilders zich richtten op de kunst uit de Gouden Eeuw - voor Schelfhout dienden Jacob van Ruisdael en Meindert Hobbema als lichtend voorbeeld - geldt nóg niet als bijzonder opwindend. Artistieke nostalgie inspireert zelden tot grootse en meeslepende scheppingen. De laatste decennia is de waardering voor de schilderkunst van 1800 tot 1850 echter weer toegenomen.

Andreas Schelfhout wordt altijd geïdentificeerd met zijn ijsgezichten. Als geen ander kon hij een winterse atmosfeer en hard, glanzend ijs weergeven. Schaatsers, baksleden, een arreslee met paarden, stuifsneeuw, molens, een kasteeltje of boerenhuis, in de verte het silhouet van een stad onder interessante wolkenpartijen en laag invallend zonlicht, het zijn de fris gepoetste details die de kerstkaartenindustrie zich gretig heeft toegeëigend.

De eenzijdige visie op Schelfhout als winterschilder wordt dit najaar in Haarlem flink genuanceerd. Het Teylers Museum exposeert een keuze uit het Kunstalbum, een losbladige verzameling van 83 tekeningen die Schelfhout in 1861 bijeenbracht. Het album was waarschijnlijk bedoeld als geheugensteuntje. De schilder wilde vastleggen wat de afgelopen jaren zijn atelier had verlaten. Ook konden aspirant-opdrachtgevers uit dit 'modellenboek' een keuze maken. De tekeningen, alle in het formaat 235 x 330 mm, zijn steeds opgezet in zwart krijt en met penseel gewassen in schakeringen van bruin, grijs en oker. Het zijn geen voorstudies, maar fraaie, zelfstandige kunstwerken.

Het album bevat uiteraard winterlandschappen, maar ook mildere seizoenen komen aan bod. En bevroren of stromend, altijd is het water onder handbereik. Een vlot zakt een rivier af, een groep reizigers houdt halt bij een pleisterplaats naast een bergstroom, twee mannen zitten in een poel te vissen en in een weiland naast het beekje vertrekt een hoog opgetaste hooiwagen.

Bij een aantal bladen hangen de eerder gemaakte 'bijpassende' schilderingen, in olieverf of pastelkrijt. (Voor dit laatste materiaal, dat een fluwelige, enigszins smeltende kleur oplevert, had Schelfhout een voorliefde). De confrontatie schilderij-tekening is boeiend. Uit 1852 dateert Stoom- en zeilboot op volle zee, een buitengewoon romantisch tafereel in dat bewuste pastelkrijt. Stormkracht 10 teistert de golven. Witte schuimkoppen slaan over de voorsteven van de raderboot, die zwarte rook uitbraakt. Dramatische lichteffecten onderstrepen het natuurgeweld. Op de tekening uit 1861 is de storm getemperd tot een forse bries, zijn de kleuren gedempt en ontbreken wolken en zon. Toch is die 'vereenvoudigde' versie leniger. De tekening heeft, zoals vaak het geval is, meer pit, meer vaart.

Het museum wilde niet alle 83 bladen exposeren, maar heeft Schelfhout gecombineerd met tijdgenoten-schilders en op die wijze een indruk willen geven van een Tentoonstelling van Levende Meesters zoals die vanaf 1808 jaarlijks werd georganiseerd. Alle categorieën van destijds zijn aanwezig: stillevens, portretten (onder meer van J.A. Kruseman), historiestukken, een genrevoorstelling van David Bles, een stadsgezicht van Karsen en landschappen van B.C. Koekkoek en Charles Leickert. Schelfhout slaat in dit gezelschap een uitstekend figuur. Met één schilderij laat hij zelfs zijn collega's ver achter zich. In de Teylerszaal hangt zijn panoramisch zomerlandschap uit 1853. Het paneel is precies volgens de regels gecomponeerd met op de juiste plekken een heuvel, een kudde, een bosje en een roodgedakt huisje. In het midden buigt een riviertje naar links. Het oog van de toeschouwer volgt die kromming en bereikt de lage horizon met een suggestie van duinen en zee. Dan eerst valt iets volstrekt moderns op: een stoomtrein. Het is niet het eerste treinenschilderij van Schelfhout; in het Spoorwegmuseum hangt een soortgelijk paneel uit 1846. Met deze reislust-opwekkende voorstelling van een breedspoorlocomotief met zo'n optimistische eigennaam als de Snelheid, de Komeet of Aurora op weg naar Den Haag en Rotterdam, is Andreas Schelfhout wel de enige kunstenaar, in Haarlem aanwezig, die 'de geest der eeuw' begrepen heeft.