Raadsman Sutorius verwacht meer verzoeken psychiatrische patiënten; Gezocht: nieuwe grenzen van euthanasie

Vorige week maakte minister Sorgdrager (justitie) bekend dat het gerechtelijke vooronderzoek tegen elf artsen is gestaakt. Het vervolgingsbeleid bij euthanasie en hulp bij zelfdoding is gewijzigd. De onderzoeken tegen drie andere artsen gaan voorlopig wel door.

DEN HAAG, 22 SEPT. Het leek vorige week vrijdag wel een eindexamenuitslag op zijn kantoor, zegt de Arnhemse advocaat mr. E.Ph.R. Sutorius. Na een lange serie telefoongesprekken met officieren van justitie uit het hele land lagen er elf dossiers op zijn bureau. Ze kunnen naar het archief, want de artsen op wie de stukken betrekking hadden zullen niet worden vervolgd wegens euthanasie. “De meesten hebben het gehaald, maar het openbaar ministerie (OM) heeft kennelijk toch nog drie herexamens gegeven”, zegt Sutorius.

Vorige week wijzigde het openbaar ministerie het vervolgingsbeleid voor euthanasie en hulp bij zelfdoding. Dat gebeurde naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak van de Haarlemse psychiater B.E. Chabot, die in 1991 een vrouw die geestelijk ernstig leed, een dodelijke dosis medicijnen verstrekte. De Hoge Raad bepaalde drie maanden geleden dat een arts niet strafbaar hoeft te zijn als hij het euthanasieverzoek honoreert van een geestelijk lijdende patiënt die niet in een stervensfase verkeert. Dat begrip 'stervensfase' was één van de criteria die het OM tot nu toe hanteerde bij de beoordeling of een arts al dan niet moest worden vervolgd.

De elf zaken die vorige week vrijdag werden geseponeerd draaiden onder meer om dit criterium, zegt Sutorius, destijds ook de raadsman van Chabot. Geen van de elf patiënten verkeerde in de terminale fase van een ziekteproces. Volgens de advocaat zijn bij die zaken globaal drie categorieën te onderscheiden. De eerste betreft een aantal patiënten met ernstige chronische ziekten: wel ongeneeslijk, maar niet dodelijk. “Het gaat om patiënten die jarenlang heel veel pijn lijden door bijvoorbeeld een ernstige longziekte. Ze zouden daaraan niet sterven, maar de gevolgen van zo'n ziekte kunnen uitzichtloos en ondraaglijk zijn.” De tweede groep patiënten zijn volgens Sutorius oude mensen die “steeds verder aftakelen, ontluisterd raken”. Hij noemt het de “klaar-met-leven-groep”. Hun functies vallen gedeeltelijk uit, vaak kunnen ze niet meer lopen, ze worden doof of blind. “Ze willen dat hun toestand niet nog verder verergert, ze willen nog waardig kunnen sterven. Het leven wordt voor hen in toenemende mate ondraaglijk. Het is klaar.”

De overigen zijn psychiatrische patiënten. Juist hierover deed de Hoge Raad in het arrest-Chabot een aantal principiële uitspraken die leidden tot een voor artsen welkome verduidelijking van de grenzen van de euthanasie, die vorige week door de ministers Sorgdrager (justitie) en Borst (volksgezondheid) werden bevestigd in de vorm van een nieuw kabinetsstandpunt. Tot dat moment leidde het honoreren van een verzoek om euthanasie van een geestelijk lijdende patiënt tot een gerechtelijk vooronderzoek. Er werd onderscheid gemaakt op grond van de oorzaak van het lijden: een lichamelijke aandoening of een psychische stoornis. De Hoge Raad vond echter dat die oorzaak niet op zichzelf bepalend hoeft te zijn voor de mate waarin de patiënt het lijden ervaart. Een geestelijk lijdende patiënt heeft dus in principe hetzelfde 'recht' om om euthanasie te verzoeken als een patiënt die lichamelijk lijdt.

Het rechtscollege tekende daarbij wel aan dat het lijden van een psychiatrische patiënt voor een arts moeilijker valt aan te tonen dan het lijden van een patiënt die pijn lijdt als gevolg van een lichamelijke ziekte. Naarmate het lijden in grotere mate wordt bepaald door psychische factoren zullen artsen nog zorgvuldiger moeten toetsen in hoeverre de situatie voor de patiënt inderdaad uitzichtloos en ondraaglijk is.

Daarnaast speelde bij deze gevallen de vraag of psychiatrische patiënten wel over voldoende vrije wil beschikken om een stervenswens kunnen uiten. Juist door de aard van de ziekte zou twijfel kunnen ontstaan over de echtheid van de stervenswens. De Hoge Raad sloot echter niet uit dat psychiatrische patiënten zo'n 'vrije wilsbepaling' kunnen hebben. Minister Sorgdrager stelt nu dat euthanasie of hulp bij zelfdoding op geestelijk lijdende patiënten “slechts in zeer uitzonderlijke situaties denkbaar moet zijn”.

Mr. Sutorius sluit zich aan bij die visie. “Voor een arts is het euthanasieverzoek van een psychiatrische patiënt veel moeilijker te beoordelen. Het aantal verzoeken zal de komende tijd waarschijnlijk toenemen. Ik verwacht dat artsen juist op dat terrein meer onder druk komen te staan.” De raadsman vindt dat hier een taak is weggelegd voor artsenorganisaties. “Je moet artsen al in een vroeg stadium leren hoe ze met een euthanasieverzoek moeten omgaan - ook in emotioneel opzicht. Ze moeten niet alleen leren wanneer ze 'ja' kunnen zeggen op een verzoek, maar het is nu ook van belang dat ze leren wanneer ze op een zorgvuldige wijze 'nee' moeten zeggen, juist bij deze kwestie. Daarmee bedoel ik niet het verzoek afwijzen en de patiënt naar een ander doorsturen, maar hem met een behandeling te helpen. Ook onder artsen zijn er natuurlijk wel die geen 'nee' kunnen zeggen tegen een euthanasieverzoek en daardoor onzorgvuldig kunnen handelen.”

Nu het vervolgingsbeleid van het OM is gewijzigd zal de aandacht zich de komende jaren verschuiven naar een ander terrein. Sutorius ziet op grond van de drie zaken die vrijdag niet zijn geseponeerd de contouren van het nieuwe OM-beleid. Onder één zaak verwacht hij niet uit te komen. Het gaat om de Purmerendse gynaecoloog H. Prins, die in maart 1993 na overleg met de ouders het leven beëindigde van een drie dagen oude baby die zeer ernstig gehandicapt ter wereld was gekomen. “Maar hier is geen sprake van euthanasie”, zegt Sutorius. “Er is geen verzoek geweest, dus gaat het hier om zelfbeschikking. Het gaat om de grenzen van zinvol medisch handelen.” De Hoge Raad heeft nog geen principiële uitspraak gedaan in een dergelijke zaak. Prins zal vermoedelijk nog dit jaar voor de Alkmaarse rechtbank moeten verschijnen.

Over de voortzetting van de gerechtelijke vooronderzoeken tegen de twee andere artsen die hij bijstaat zegt Sutorius “verbaasd” te zijn. In één zaak lijkt de 'status van behandelend arts' in het geding. Het OM wil kennelijk uitzoeken of er sprake was van een werkelijke vertrouwensrelatie tussen de arts en de patiënt. De arts kende de patiënt betrekkelijk kort. Daardoor is de vraag opgeworpen of de arts genoeg wist van de toestand van de patiënt om een zorgvuldige afweging te maken over diens stervenswens. De andere zaak betreft de hulp van een arts bij de zelfdoding van een psychiatrische patiënt. In deze zaak heeft het OM vermoedelijk de vraag opgeworpen of de toestand van de patiënt wellicht toch nog had kunnen verbeteren door een medische behandeling van de arts.

Beide zaken lijken de nieuwe lijn aan te geven van het vervolgingsbeleid. Minister Sorgdrager schreef vorige week aan de Kamer dat de handeling van de arts zal worden beoordeeld op de 'uitzichtloosheid' en de 'ondraaglijkheid' van het lijden van de patiënt. De arts moet in de eerste plaats vaststellen of de toestand van de patiënt niet te verbeteren valt. Als die mogelijkheid wel bestaat is er geen sprake van uitzichtloosheid.

Het criterium 'ondraaglijk' lijden is een subjectief criterium en daarom ook voor het OM moeilijker te beoordelen, zo meent het kabinet in navolging van de Hoge Raad. De arts draagt voor de beoordeling daarvan een grotere verantwoordelijkheid naarmate hij de patiënt minder lang kent. Een behandelend arts, zoals de huisarts, zal de ondraaglijkheid van iemands lijden over het algemeen beter kunnen inschatten dan een arts naar wie de patiënt was doorverwezen in verband met het euthanasieverzoek.