Nederlandse graafwoede stopt niet bij reservaten

Archeologisch belangrijke voorwerpen en sporen daarvan vormen samen het bodemarchief. Ze worden bedreigd door de Nederlandse graafwoede. Sinds kort is het bodemarchief ook niet veilig in natuurgebieden. De schaduwzijde van natuurontwikkeling.

Het gaat niet best met het Nederlandse bodemarchief. Prof.dr. W. Willems, directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), stelde in maart van dit jaar dat door ons nijvere gedoe tussen 1950 en nu éénderde van het archeologische erfgoed is opgeofferd. Voorgoed weg. Regenererend vermogen ontbreekt hier ten enenmale. Het zorgelijkst van de ontwikkeling is nog dat er, gegeven de beperkte opgravings-capaciteit van de gezamenlijke vaderlandse archeologen, heel veel ongezien moet zijn verdwenen. En nog verdwijnt.

Bescherming van Europees archeologisch erfgoed was het onderwerp van een conferentie die 1992 op Malta werd gehouden. De deelnemende landen tekenden een verdrag waarmee ze zich bonden aan een streven naar behoud-in-situ van archeologische waarden. Als dat niet mogelijk zou zijn, geldt de stelregel: de vernieler betaalt (het onderzoek). Waarmee dan in ieder geval en op z'n minst behoud-in-documentatie gegarandeerd zou zijn. Nederland heeft het verdrag van Malta nog niet geratificeerd maar het werpt zijn schaduw al wel vooruit. Dat is te zien aan de financieringsconstructie van het archeologisch onderzoek aan het tracé van de Betuwelijn. En natuurlijk aan de bijna afgesloten reorganisatie van de ROB. De dienst gaat het zwaartepunt van haar activiteiten verleggen van archeologisch onderzoek naar de zorg voor behoud en beheer van archeologische waarden.

Machinaal afplaggen

Veel archeologisch waardevolle plaatsen bevinden zich in natuurgebieden. Deze omstandigheid liet de veronderstelling postvatten dat een goed beheer en goede bescherming van die gebieden ook de archeologische waarden veilig zou stellen. Ach ja, er werd weleens een boom op een grafheuvel gezet. Maar deed Albert Egges van Giffen, de grand old man van de Nederlandse archeologie, dat niet ook als hij er weer eens een had onderzocht? Archeologisch Nederland was er in ieder geval gerust op en investeerde niet al te veel in contacten met natuurbeschermers en natuurbeheerders.

Een eerste signaal dat deze bescherming allesbehalve vanzelfsprekend was, dook aan het eind van de jaren tachtig op. Het Ministerie van Landbouw moest maatregelen nemen om de vergrassing van de heide tegen te gaan en cultuurmaatschappijen sprongen daarop in. Ze ontwikkelden machines waarmee de heide grootschalig werd afgeplagd. Tijdens een onderzoek in De Borkeld bij Markelo van Staatsbosbeheer ontdekten medewerkers van de stichting RAAP (archeologische prospectie) dat die machines ook de ondergrond raakten.

RAAP-medewerker ing. J. Andréa: 'Uit vondsten van vuursteen moesten we de conclusie trekken dat vindplaatsen uit het Mesolithicum (8.800-4.900 voor Christus) waren omgewoeld. Ook kleine oneffenheden in het terrein als grafheuveltjes en eeuwenoude karresporen werden door het afplaggen bedreigd. We hebben toen bij het Ministerie van Landbouw aan de bel getrokken. Dat resulteerde in een handleiding voor de omgang met in heide-terreinen met archeologica'.

Gelukkig werd het afplaggen snel na de start gestaakt, omdat er niet genoeg mee viel te verdienen. Voor het bijprodukt 'heidestrooisel' kon geen afzetmarkt worden gevonden omdat het, verontreinigd met zware metalen, in de categorie chemisch afval bleek thuis te horen.

Ecologisch skelet

De vermeende veiligheid van archeologische waarden in natuurgebieden was met deze ervaring een illusie geworden. Belangen van natuurbeheerders aan de ene en van beschermers van archeologische waarden aan de andere kant kunnen wel degelijk botsen. En nu dan begint bedreiging van het archeologische bodemarchief zich ook af te tekenen in samenhang met natuur-ontwikkeling.

Nederland kent sinds 1990 een Natuurbeleidsplan (NBP). Simpel gezegd is het doel van dit plan het scheppen van een stabiele, landelijke, ecologische infrastructuur. Een soort ecologisch skelet. Nieuw te vormen en bestaande natuurgebieden worden aan elkaar gekoppeld door beschermde verbindingen waarlangs flora en fauna kunnen migreren. Dit NBP haakte deels in op ontwikkelingen die al in gang gezet waren, zoals het Grensmaas-project. Daarbij werd in ruil voor de winning van zand en grind uit het Maasdal, 'natuur-terug' beloofd.

Wat is er zo bedreigend voor het bodemarchief? Letterlijk vernietigend kan het relief volgend maaiveld verlagen en het uitgraven van dichtgeslibde meanders uitpakken. Andrea: 'Een voorbeeld. De grondwaterspiegel is de afgelopen decennia met 1 à 1,5 meter verlaagd. Als men binnen een project van bepaalde kalkrijke kwelstromen wil profiteren dan moet, om die stromen te kunnen 'aanboren', het huidige maaiveld worden afgegraven. De vervuilde landbouwlaag wordt op die manier verwijderd, maar ook alles wat er aan sporen van prehistorische bewoning zit. Datzelfde gevaar dreigt voor de vaak uitstekend geconserveerde overblijfselen van menselijke activiteit waarmee dichtgeslibde meanders vol kunnen liggen'. Verder is ook het graafwerk waarmee de inrichting van de verbindingszones gepaard gaan, en het scheppen van plas-dras bermen, lang niet altijd zonder risico's voor omvang en kwaliteit van het plaatselijke bodemarchief.

Dekzandruggen

Twee belangrijke groepen objecten binnen het NBP zijn uiterwaarden en beekdalen. Uiterwaarden als hoofdonderdelen van het ecologische skelet, beekdalen als verbindingszones. Andrea: 'Er wordt wel gesteld dat uiterwaarden archeologisch niet interessant zouden zijn. Dat er archeologisch niets meer te halen zou zijn omdat het proces van voortdurende meandering en overstromingen de bodem daar al wel tien keer op z'n kop heeft gezet. Voor enkele rivieren kan dat waar zijn, maar voor Maas en IJssel zeker niet. Kijk maar naar het onderzoek van Ittersumerbroek in de Zwolse IJsseluiterwaarden, waar goed geconserveerde sporen van Bronstijd nederzettingen zijn aangetroffen'.

Ook beekdalen en hun omgeving zijn 'archeologisch gevoelig'. De combinatie: water, vis en wild was een vanzelfsprekend doel voor de vroegere jagers-verzamelaars, terwijl de latere boeren op de vruchtbare grond afkwamen. De archeologische waarde van beekdalen is bij herhaling bevestigd. Bij een recente veldkartering van de stroomgebied van de Overijsselse Regge bleken overal op de koppen van de dekzandruggen langs de beek jachtkampjes uit het Mesolithicum te liggen.

Het NBP, de opbouw van een ecologisch skelet in Nederland, wordt uitgevoerd met de beste bedoelingen. En voor zover er bij de tenuitvoerlegging van de plannen schade is toegebracht aan het archeologische bodemarchief gebeurde dat niet met opzet of uit achteloosheid, maar vooral door onwetendheid. Maar de archeologie zou bij het proces betrokken moeten worden, vindt Andrea. In de huidige situatie is dat echter een probleem want coördinatie en sturing binnen het NBP zijn zoek.

Andrea: 'De provincies maken hun natuurbeleidsplannen voortvloeiend uit het rijksbeleid. En vervolgens gaan waterschappen, gemeenten en andere instanties aan natuurontwikkeling doen. Zo krijg je dan, ik noem maar iets, die de REGIWA-projecten die overal in het land opduiken. (Regionaal Integraal Waterbeheersingsproject, ThH.) Er is geld te halen, een 'groen' imago staat goed, en dus worden er onder het mom van natuurontwikkeling en de vlag van het NBP allerlei plannetjes uitgevoerd. Gegraven sloten laten meanderen en dat soort dingen. Het zijn geen gigantisch grote projecten, maar het zijn er zoveel, het gaat volstrekt ongecontroleerd en ze vinden vaak plaats op archeologisch gevoelige plekken. Neem Zuna's Hooilanden in de gemeente Wierden. Die liggen langs een dekzandrug aan de Regge. Zag ik vorig jaar ineens dat er langs de hoge dekzandkop een sloot was gegraven. Op een oude bodemkaart kun je zien dat de sloot door een meander loopt die ooit in verbinding met de Regge stond. Prehistorisch gezien een uiterst belangwekkende situatie, zo'n plaats waar twee rivieren bij elkaar komen. Altijd prijs! Ik ben toen met mijn blote voeten de sloot ingestapt en haalde er zo houtresten met kapsporen en aardewerk uit. Later hebben ik daar samen met dr. B.J. Groenewoudt van de ROB nog een kleine opgraving uitgevoerd waarbij we opnieuw houtresten vonden, mogelijk van een veenbrug, en Bronstijd aardewerk.'

Project 33

Het mag merkwaardig heten dat betrokkenheid van archeologen bij de uitvoering van het NBP wél is geregeld. Op papier dan. Andrea: 'Men heeft er zelfs een apart project voor geformuleerd: nummer 33. Maar daar is nog geen invulling aan gegeven. Misschien domweg niet omdat de betrokkenen elkaars gecompliceerde taal niet verstaan'.

Daarnaast leeft het misverstand dat gebieden waar 'nog nooit iets' werd gevonden archeologisch leeg zijn. De Duitsers spreken zo fraai van een Fundlücke en daar kunnen verschillende redenen voor zijn. Het ontbreken van een actieve, regionale groep amateur-archeologen. Of, zoals in geval van de uiterwaarden: afdekking van de vondstlagen door dikke pakketten sediment.

Andrea: 'Juist in uiterwaarden en beekdalen is de kans op gave vindplaatsen groter dan daarbuiten. Vindplaatsen die door de uitstekende conserveringsomstandigheden voor organisch materiaal waardevoller kunnen zijn dan hunebedden of grafheuvels. Die zouden behouden moeten blijven, maar als dat dan niet kan, in ieder geval worden onderzocht. Daarom zou aan elk natuur- ontwikkelingsproject op z'n minst een Standaard Archeologische Inventarisatie vooraf moeten gaan. Dat zou gewoon in de hele procedure moeten zitten.'