'Nederland te weinig high-tech'

DEN HAAG, 22 SEPT. Volgens de oud-directeur van het Centraal Planbureau (1984-1989) drs. P.B. de Ridder is het door loonmatiging en bezuinigingen geschraagde kabinetsbeleid “volstrekt onvoldoende” om de economische problemen van Nederland op lange termijn op te lossen. De Ridder, die tegenwoordig zelfstandig ondernemer is, lanceerde deze stelling vanmiddag tijdens een symposium ter gelegenheid van het vijf jarig bestaan van de Goudse vermogensbeheerder Veer Palthe Voûte. De Ridder had zijn verhaal Nederland en de opkomende economieën tevoren op papier gezet. “Dat viel niet mee”, bekent hij.

Macro-econoom De Ridder, die nog maar zelden economische artikelen schrijft, voelde zich als een biljarter die voor het eerst sinds lange tijd weer met de keu in de hand staat. De patronen heeft hij nog wel in het hoofd, maar het lukt niet meer zo makkelijk om ze op het laken te krijgen. Het leidde niettemin tot een provocerend verhaal, dat is opgehangen aan het naar de Amerikaanse econoom Michael E. Porter vernoemde “Porter-dilemma” tussen differentiatie en efficiency. Differentiatie is het vermogen van ondernemingen om door middel van hoogwaardige produkten en diensten meer toegevoegde waarde en winst te creëren. Efficiency slaat op het opvijzelen van de winst door middel van kostenbeheersing. Het Porter-dilemma behelst dat een strategie die mikt op zowel differentiatie als efficiency-verbetering op termijn gedoemd is te mislukken. Macro-econoom De Ridder past deze analyse-methodiek toe op de Nederlandse economie en constateert dat Nederlandse politici te veel kaarten zetten op efficiencyverbetering.

De Nederlandse uitvoer, zo stelt De Ridder, bestaat voor 28 procent uit high-tech produkten (ter vergelijking: bij de Duitse uitvoer is dat 38 procent), terwijl de groei van de wereldhandel de afgelopen jaren in belangrijke mate juist in dat segment plaatsvond. Produkten met een laagwaardige technologie maken een veel groter deel van onze export uit, namelijk 37 procent (Duitsland: 20 procent), maar hier vindt volgens De Ridder beduidend minder groei plaats. “Daarom”, zo redeneert hij, “zal Nederland bij een gelijk blijvende industriële oriëntatie geconfronteerd worden met een in vergelijking tot andere landen trage economische groei. Met als consequentie verdere afbraak van industriële werkgelegenheid in met name het segment van de ongeschoolde en laaggeschoolde arbeid.”

De concurrentie komt vooral uit de nieuwe industrielanden, die de technologische kennis van het Westen goedkoop exploiteren. “Het Westen heeft het technologieboek geschreven”, zegt de oud-CPB-directeur. “Elk jaar schrijven we daar nog een bladzijde bij. Maar schrijven kost meer tijd dan lezen. Die concurrenten uit het Verre Oosten en Oost-Europa gaan razendsnel door dat boek heen. Die slaan af en toe hele hoofdstukken over en kunnen zich binnen de kortste keren meten met de paradepaarden van ons bedrijfsleven. De Japanners zijn al door het boek heen en kampen nu met hetzelfde probleem als wij.”

Volgens De Ridder is er maar één uitweg: de vlucht naar voren. “Het Westen moet zich verschrikkelijk goed concentreren op die ene pagina die ze per jaar bijschrijven, waardoor ze hun voorsprong kunnen houden. Die kennis moet vervolgens razendsnel worden toegepast in nieuwe diensten en produkten die op de markt worden gebracht. Wij moeten nieuwe activiteiten creëren omdat we weten dat de oude gedoemd zijn te verdwijnen. Door meer kwaliteit en kennis in produkten en diensten te stoppen voegen we iets toe dat anderen nog niet hebben.” Als het Nederlandse bedrijfsleven zich beperkt tot “kunstjes die iedereen kan doen”, leidt dat volgens De Ridder op den duur tot relatief geringere welvaart. Door de steeds vrijere beweging van kapitaal en kennis over de wereld (globalisering) kunnen bedrijven daar fabrieken neerzetten waar ze het goedkoopst kunnen produceren. In Zuid-Afrika bijvoorbeeld waar de lonen 4 à 5 dollar per uur zijn, of in Zuid-Oost Azi'e (2 dollar). “Daar kun je niet tegen opboksen”, zegt De Ridder, “dus moeten we wel de andere richting uit.”

Dat wil volgens hem niet zeggen dat de lonen nu over de hele linie maar flink moeten worden verhoogd en dat er door het kabinet niet meer bezuinigd hoeft te worden. “Gematigde loonkosten, gezonde overheidsfinanciën en lage collectieve lasten”, zegt hij, “zijn goed voor het investerings- en ondernemingsklimaat en vormen zodoende een vruchtbare bodem voor een meer offensief beleid.” De Ridder denkt bij dat laatste onder meer aan twee zaken: verbetering van het opleidingsniveau en deregulering van de arbeidsmarkt.

“Laat die arbeidsmarkt werken zoals hij moet werken”, zegt De Ridder. “Dat wil zeggen: hogere lonen waar de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod en lagere lonen waar het aanbod groter is.” Het afschaffen van de algemeen verbindendverklaring van cao's noemt hij “een begin” en volgens de oud-Planbureaudirecteur zou ook het minimumloon afgeschaft en de mogelijkheid van het beroep op uitkeringen teruggedrongen moeten worden. “Wanneer je de prijs van de arbeid door vraag en aanbod wilt laten bepalen en je doet niets aan het minimumloon en het vangnet van sociale voorzieningen, dan heb je de arbeidsmarkt aan de onderkant nog steeds niet gedereguleerd”, zegt hij. De Ridder realiseert zich dat hij hiermee pleit voor een hamburgereconomie. “Maar,” zegt hij, “het zou toch plezierig zijn als je bij de Bijenkorf en V&D makkelijker geholpen wordt dan vandaag de dag het geval is.” In de van buitenlandse concurrentie afgeschermde sectoren (met name de dienstverlening) is volgens hem nog genoeg ruimte voor meer banen.

“Voor zover het Nederlandse overheidsbeleid in het verleden offensieve elementen heeft gehad, zijn die afgeschaft of staan ter discussie”, betoogt De Ridder. Hij noemt de Wet investeringsrekening (WIR), de Innovatie stimuleringsregeling (INSTIR) en de financiële ondersteuning van particuliere participatiemaatschappijen (PPM-regeling). Een WIR of INSTIR in een wat ander jasje zou De Ridder best terug willen hebben. Bovendien moet de overheid volgens hem blijven delen in de verliezen die participatiemaatschappijen lijden bij het verstrekken van risicodragend kapitaal aan startende en doorstartende ondernemingen. “Pensioenfondsen en grote verzekeraars zijn daardoor ook eerder bereid om daar geld in te steken”, weet hij.

Bovendien pleit De Ridder voor een zogeheten sector structuurbeleid. Net als de WIR een thema uit de jaren zeventig. “De overheid moet het lef hebben om kansrijke activiteiten voor de toekomst te selecteren”, vindt De Ridder, “en moet die vervolgens financieel stimuleren.” Het beste zou volgens hem zijn als het kabinet Kok een strategisch plan voor Nederland zou maken. De theorieën van Porter zouden daarbij dan een rol moeten spelen. “Daarna kan dan gekeken worden naar de precieze vormgeving van het nieuwe instrumentarium voor een sector structuurbeleid.”

Van de plotselinge herintroductie van het begrip arbeidsduurverkorting door de FNV begrijpt hij niets (“ze hebben nog steeds niets geleerd”) en de door het kabinet Kok bepleite banenplannen noemt hij een voorbeeld van “het Keynesiaanse denken dat Nederlandse economen en politici nog steeds vergiftigt”. “Aan Keynes heb je voor het analyseren van welvaartsverschillen tussen landen niets”, zegt De Ridder. “Om de metafoor van de auto te gebruiken: Keynes verklaart wel dat een auto sneller gaat rijden als je het gaspedaal verder indrukt, maar niet waarom de ene auto tweehonderd en de andere honderd kilometer per uur kan halen. Er moet in Nederland meer aandacht voor de aanbodkant van de economie komen.”